ECLI:NL:RVS:2009:BK6157
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat Nederland niet bevoegd is asielverzoek over te nemen van Bulgarije op grond van Dublin-verordening
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter die het besluit tot afwijzing van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan een vreemdeling vernietigde. De vreemdeling had een asielverzoek ingediend in Bulgarije, dat als verantwoordelijke lidstaat volgens de Dublin-verordening werd aangemerkt. De voorzieningenrechter had geoordeeld dat Nederland het verzoek aan zich moest trekken vanwege vermeende tekortkomingen in de Bulgaarse procedure.
De Raad van State stelt vast dat de Nederlandse rechter in beginsel niet mag toetsen of de verantwoordelijke lidstaat (Bulgarije) het asielverzoek inhoudelijk juist heeft beoordeeld. Ook mag niet worden onderzocht of Nederland op basis van dezelfde feiten tot een ander oordeel zou komen. De voorzieningenrechter had dit wel gedaan, waardoor zijn oordeel niet juist was. De Raad benadrukt het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM.
De Raad overweegt dat concrete aanwijzingen nodig zijn om aan te nemen dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. In deze zaak is vastgesteld dat Bulgarije het asielverzoek volledig heeft behandeld en dat de vreemdeling rechtsmiddelen had. De Raad wijst erop dat de vreemdeling vanuit Bulgarije een procedure bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan starten indien hij het niet eens is met de uitkomst.
Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. De Raad bevestigt dat verschillen in nationaal beleid tussen lidstaten niet leiden tot het overnemen van een asielverzoek door Nederland.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.