ECLI:NL:RBDHA:2021:16509
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
De eiser heeft een asielaanvraag ingediend die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen op grond van de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen dit besluit behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen.
Eiser stelde dat de overdracht aan Duitsland indirecte schending van het verbod op refoulement oplevert, omdat niet is gebleken dat hij opnieuw wordt toegelaten tot de asielprocedure in Duitsland. De rechtbank overweegt dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van systematische tekortkomingen in de Duitse asielprocedure.
De rechtbank wijst erop dat Duitsland met het claimakkoord garandeert dat de asielaanvraag in behandeling wordt genomen en dat de situatie van eiser wordt beoordeeld in overeenstemming met verdragsverplichtingen. Ook het verschil in beleid ten aanzien van de Ahwazi bevolkingsgroep in Iran tussen Nederland en Duitsland leidt niet tot het doorbreken van het vertrouwensbeginsel.
Ten aanzien van het ontbreken van kosteloze rechtsbijstand in Duitsland overweegt de rechtbank dat de Procedurerichtlijn niet onvoorwaardelijk recht op kosteloze rechtsbijstand biedt en dat het Duitse systeem in overeenstemming is met deze richtlijn. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.