ECLI:NL:RBDHA:2019:7286
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht asielaanvraag aan Duitsland op grond van Dublinverordening
Eiser, van Jemenitische nationaliteit, verzocht Nederland om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van asiel. Verweerder weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser betoogde dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt en dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot indirect refoulement, verwijzend naar jurisprudentie van het EHRM en buitenlandse rechters.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen schendt. De Duitse autoriteiten garanderen een nieuwe asielaanvraag en eiser kan klachten indienen bij Duitse instanties en het EHRM. De rechtbank vond geen aanleiding om het besluit op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken.
Verder concludeerde de rechtbank dat het ontbreken van het vier-ogenprincipe bij de besluitvorming niet leidt tot onzorgvuldigheid, aangezien het ging om een juridische beoordeling en niet om een geloofwaardigheidsbeoordeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.