ECLI:NL:RBZWB:2026:826

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
24/968
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 1a:1 Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Eiser heeft in april 2022 een Wajong-uitkering aangevraagd, welke door het UWV is afgewezen wegens arbeidsvermogen. Een bezwaar tegen deze beslissing werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening, en er is geen beroep ingesteld. In april 2023 diende eiser een nieuwe aanvraag in, waarop het UWV weigerde terug te komen op het eerdere besluit. De rechtbank beoordeelt of deze weigering terecht is.

De rechtbank stelt vast dat de meeste medische stukken die eiser overlegt, reeds bij de eerste aanvraag zijn ingediend en dus geen nieuwe feiten vormen. De enkele nieuwe brief van een werkgeversadviseur bevat geen medische informatie en is onvoldoende om het besluit te herzien. Het UWV heeft het verzoek om herziening dan ook terecht afgewezen.

Eisers voerden aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat een fysiek spreekuur ontbrak, maar de rechtbank oordeelt dat dit niet leidt tot onredelijkheid van het besluit. Ook de gestelde verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding en de onvolledigheid van rapportages bieden geen grond voor herziening.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op het eerdere besluit. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het UWV om terug te komen op de eerdere afwijzing van de Wajong-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/968 Wajong

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

de erven van [eiser] , te [plaats] , eisers,

(gemachtigde: mr. S. Cakal),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Het UWV heeft in het verleden geweigerd om aan [eiser] (eiser) een uitkering toe te kennen op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Deze uitspraak gaat over de weigering van het UWV om, na een nieuwe aanvraag van eiser, terug te komen op dat besluit. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht (opnieuw) heeft geweigerd een Wajong-uitkering te verstrekken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht geen aanleiding heeft gezien om terug te komen op de eerdere weigering een Wajong-uitkering toe te kennen aan eiser
.Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser heeft in april 2022 een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Wajong. Met het besluit van 13 juli 2022 is de aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij arbeidsvermogen heeft. Met het besluit van 1 december 2022 heeft het UWV het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar te laat is ingediend. Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar geen beroep ingesteld.
2.1.
Op 23 april 2023 heeft eiser opnieuw een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Met het besluit van 10 mei 2023 heeft het UWV geweigerd om terug te komen op het besluit van 13 juli 2022. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.2.
Met de beslissing op bezwaar van 3 september 2023 (bestreden besluit) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is het UWV bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
Procesverloop
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.1.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met drie verweerschriften.
3.2.
In april 2024 is eiser overleden. De erven van eiser (eisers) zetten het beroep voort.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: [vertegenwoordiger] namens het UWV. Eisers en hun gemachtigde waren, met voorafgaand bericht, niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid beroep
4. De gemachtigde stelt het bestreden besluit pas bij brief van 8 januari 2024 te hebben ontvangen. De rechtbank stelt vast dat een van de stukken in het dossier de brief van 3 oktober 2023 betreft, waarmee het bestreden besluit van 3 september 2023 aan het adres van de gemachtigde van eiser is verzonden. Het UWV geeft echter aan dat zij niet kan aantonen dat de beslissing op bezwaar omstreeks de dagtekening is verzonden, omdat deze brief niet aangetekend is verstuurd. Tussen partijen is niet in geschil dat het bestreden besluit vervolgens is verzonden op 8 januari 2024 en dat namens eiser op 11 januari 2024 een beroepschrift is ingediend en is ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank is het ingediende beroepschrift ontvankelijk en komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling.
Wettelijk kader
5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Grondslag van het bestreden besluit
6. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser zijn aanvraag niet voldoende heeft onderbouwd met (nieuwe) medische stukken. De bij de aanvraag ingediende informatie is al meegenomen in de eerdere Wajong-beoordeling.
Standpunt eisers
7. Eisers kunnen zich vinden in het niet herzien van de beslissing van 13 juli 2022 voor de periode tot 23 april 2023. De aanvraag ziet op een herziening voor de toekomst (de duuraanspraak). Deze beoordeling heeft ten onrechte niet plaatsgevonden. Eisers wijzen daartoe naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) met nummer ECLI:NL:CRVB:2015:1. Daarnaast stellen eisers dat sprake is van onzorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het UWV vanwege het ontbreken van een fysiek spreekuur. In rechtspraak van de CRvB is namelijk geoordeeld dat een verzekeringsarts in twijfelgevallen een spreekuuronderzoek dient te verrichten. De rapportages van de verzekeringsartsen zijn zeer summier en onvoldoende gemotiveerd. De wijze van onderzoek, althans de achterliggende overwegingen, worden niet omschreven of ontbreken. Er worden ook geen standpunten ingenomen ten aanzien van de wettelijke criteria/voorwaarden voor de Wajong. Het UWV negeert essentiële bewijsstukken en schendt daarmee het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Tevens heeft het UWV nagelaten de verschoonbaarheid van de eerdere termijnoverschrijding aan de hand van recente jurisprudentie opnieuw te onderzoeken. Vervolgens zijn eisers van mening dat de arbeidskundige rapportage gebaseerd is op een onjuiste en onvolledige medische beoordeling, waardoor deze niet ten grondslag kan worden gelegd aan de afwijzing van de Wajong-aanvraag.
Standpunt UWV in reactie op het beroep van eiser
8. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht, ook niet naar de toekomst. De enkele herhaling van feiten en omstandigheden die bij de eerdere beoordeling zijn betrokken, is onvoldoende om tot herziening van het eerdere besluit van 13 juli 2022 te komen.
Overwegingen rechtbank
9. Volgens vaste rechtspraak moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; Awb), dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak). [1]
9.1.
Het UWV heeft op het verzoek van eiser om terug te komen van het besluit van 13 juli 2022 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden zal worden getoetst of het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven het besluit van 13 juli 2022 te herzien. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [2]
Terugkomen van het eerdere besluit
Is er sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden?
10. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Nieuwe stukken ter onderbouwing van de ingenomen stellingen kunnen uiterlijk in de bezwaarfase worden ingebracht. [3]
10.1.
Eiser heeft bij de (herhaalde) aanvraag toelaatbaarheidsverklaringen vso van [samenwerkingsverband] e.o. [naam] , gedagtekend in 2016 en 2018, overgelegd. Daarnaast zijn een indicatiebesluit in het kader van de Wet langdurige zorg uit 2018, een brief van [huisarts] van 17 september 2021 en een bericht van de [werkgeversadviseur] (gemeente Breda) van 28 september 2022, overgelegd.
10.2.
De rechtbank stelt vast dat de meeste door eiser overgelegde stukken ook bij de eerste aanvraag om een Wajong-uitkering zijn ingediend. Deze stukken zijn dus al meegenomen in de beoordeling van de eerste aanvraag en bevatten daarom geen nieuwe feiten en omstandigheden ten aanzien van de eerdere beoordeling. De brief van [werkgeversadviseur] is de enige nieuwe brief. Deze brief kan echter ook niet als nieuw feit of omstandigheid worden aangemerkt, omdat deze brief geen medische informatie bevat. De enkele opmerking dat eiser het beste af is met een Wajong-uitkering is daartoe onvoldoende. Vanwege het ontbreken van nieuwe medische informatie en omdat er ook geen twijfel was over eisers beperkingen, was een fysiek onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep onnodig en maakt dit het onderzoek niet onzorgvuldig. De rechtbank is van oordeel dat het UWV het verzoek van eiser om terug te komen op het eerdere besluit van 13 juli 2022 heeft mogen afwijzen vanwege het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
Evident onredelijk
11. De rechtbank kan aan de hand van wat eisende partij heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om met terugwerkende kracht terug te komen van een eerdere beslissing evident onredelijk is. Bij de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is, ligt niet de vraag voor of het oorspronkelijke besluit onredelijk of onjuist is, maar de vraag of dat besluit onmiskenbaar onjuist is. Van onmiskenbare onjuistheid is sprake als bij oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek al blijkt dat het oorspronkelijke besluit onjuist is. [4] Eisers hebben in het voorliggende geval de gestelde verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding in het eerste bezwaar tegen de weigering van de Wajong-uitkering en de onjuistheid en onvolledigheid van de rapportages van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundige aangevoerd. Deze redenen strekken met name tot heropening van de in het kader van de eerdere procedure gevoerde discussie dan dat van een beroep op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kan worden gesproken. [5] Dat eiser tegen de eerste beslissing op bezwaar geen beroep heeft ingesteld, dient voor zijn rekening en risico te blijven. Wat eisers hebben aangevoerd geeft de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het niet terugkomen van het eerdere besluit van 13 juli 2022 als evident onredelijk is te beschouwen. De rechtbank betrekt hierbij de toelichting die het UWV op de zitting heeft gegeven, inhoudende dat de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige destijds samen de beoordeling hebben gedaan en hun gezamenlijk standpunt is vervat in het rapport van de arbeidsdeskundige. Afgezien van enkele opmerkingen is van een onjuiste beoordeling van arbeidsvermogen niet gebleken. De rechtbank kan dat volgen.
Duuraanspraak
12. Uit het voorgaande volgt dat de bij de herhaalde aanvraag overgelegde informatie al is ingediend bij de eerste aanvraag of in de bezwaarfase van die procedure en dus is betrokken bij die beoordeling. Dit betekent tevens dat eiser voor zijn verzoek om een Wajong-uitkering voor de toekomst te ontvangen (vanaf het moment van de aanvraag van 23 april 2023) geen baat heeft bij de rechtspraak over de zogenoemde duuraanspraak. Daartoe is immers vereist dat het oorspronkelijke besluit onjuist was, wat in deze zaak niet het geval is.
12.1.
De rechtbank kan het UWV volgen in het standpunt dat aan een inhoudelijke beoordeling van de duuraanspraak niet is toegekomen. Voor zover de aanvraag betrekking had op de toekomst, voldeed deze uiterlijk in de bezwaarfase namelijk niet aan de daaraan te stellen eisen van deugdelijke en toereikende onderbouwing en voor zover mogelijk, relevant bewijs. Eiser heeft immers uiterlijk in de bezwaarfase geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die, hoewel geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb, aanleiding moesten geven tot nader onderzoek door het UWV en konden bijdragen aan de overtuiging en het oordeel van de bestuursrechter dat het besluit van 13 juli 2022 niet kan worden gehandhaafd voor zover het gaat om eventuele aanspraken vanaf de datum waarop de herhaalde aanvraag is ingediend, te weten 23 april 2023. [6] Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. De rechtbank concludeert dat het UWV op goede gronden heeft geweigerd om terug te komen op de beslissing van 13 juli 2022. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
13.1.
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgen eisers geen proceskostenvergoeding. Ook krijgen eisers het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 10 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:6
Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
Artikel 1a:1, eerste lid
Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:
op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.