ECLI:NL:CRVB:2023:1363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Boetebesluit UWV herzien wegens evidente onredelijkheid en verminderde verwijtbaarheid
Appellant, die niet-aangeboren hersenletsel heeft, ontving vanaf 2002 een WAO-uitkering en vanaf 2008 een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Het UWV legde hem in 2018 een boete op wegens het niet doorgeven van inkomsten van hemzelf en zijn partner. Appellant verzocht om herziening van dit besluit vanwege zijn persoonlijke en medische situatie, maar dit werd afgewezen omdat er volgens het UWV geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische en persoonlijke omstandigheden al bekend waren bij het oorspronkelijke besluit. In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met zijn situatie en dat de boete evident onredelijk was. Het UWV erkende later dat de boete te hoog was vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het verzoek om terug te komen op het boetebesluit overeenkomstig artikel 4:6 Awb Pro moet worden beoordeeld en dat het criterium van evidente onredelijkheid ook op boetebesluiten van toepassing is. Gezien de erkenning van het UWV dat de boete onjuist hoog was en dat de persoonlijke omstandigheden van appellant tot een ander besluit zouden hebben geleid, werd het boetebesluit herzien en de boete verlaagd naar € 714,21. Het besluit tot terugvordering blijft in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De boete van € 3.571,03 wordt herzien en vastgesteld op € 714,21 wegens evidente onredelijkheid en verminderde verwijtbaarheid; het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.