Appellante, die zich in 2000 ziek meldde met psychische klachten, vroeg meerdere malen om een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO en andere regelingen. Het UWV weigerde aanvankelijk in 2001 een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Deze beslissing werd nooit aangevochten en is in rechte onaantastbaar geworden.
In de jaren daarna diende appellante diverse aanvragen in voor uitkeringen, waaronder Wajong en WIA, die allen werden afgewezen. In 2019 verzocht zij opnieuw om een WAO-uitkering, waarbij zij stelde dat haar arbeidsongeschiktheid was toegenomen. Het UWV besloot niet terug te komen op het eerdere besluit uit 2001, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die daartoe aanleiding gaven.
De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het UWV het medisch onderzoek zorgvuldig had uitgevoerd en dat er geen sprake was van een nieuwe aanvraag maar van een verzoek om herziening. De Raad volgde de rechtbank en bevestigde het besluit dat de WAO-uitkering niet toegekend wordt. Er was geen aanleiding om het eerdere oordeel te herzien, mede omdat de fysieke verslechtering na de datum in geding niet relevant was voor de beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak, waarmee het verzoek van appellante werd afgewezen.