Uitspraak
[belanghebbende], uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
- 2020 (zaaknummer 26/24);
- 2021 (zaaknummer 26/25);
- 2022 (zaaknummer 26/26).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een buitenlands beleggingsfonds, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2020 tot en met 2022. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten en de zaak op basis van het dossier beoordeeld.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, die heeft vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering in Nederland. Belanghebbende kan zich niet beroepen op een vergelijkbaarheid met een fiscale beleggingsinstelling die wel recht heeft op deze regeling.
Verder overweegt de rechtbank dat zelfs als er sprake zou zijn van een belemmering, het rechtsherstel zoals door de Hoge Raad voorgeschreven niet tot een teruggaaf kan leiden die hoger is dan de vervangende betaling. Ook het argument van verboden staatssteun faalt, omdat het fbi-regime niet selectief is en de uitvoering van rechtspraak niet als staatssteun kan worden aangemerkt.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en bevestigt dat de stellingen van belanghebbende onvoldoende aanleiding geven tot een ander oordeel. De beroepen worden ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting.