Uitspraak
[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] (Duitsland), belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
- 2019 (zaaknummer 25/5618);
- 2020 (zaaknummer 25/5620);
- 2021 (zaaknummer 25/5621).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een in Duitsland gevestigde belegger, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2019, 2020 en 2021. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten en de zaak op basis van stukken beoordeeld.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend. Dit volgt uit het overgangsrecht van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 en de jurisprudentie van de Hoge Raad, die bepaalt dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor afdrachtvermindering in Nederland.
Belanghebbende stelde dat hij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi) en daarom recht heeft op teruggaaf. De rechtbank wijst dit af, mede omdat het rechtsherstel dat de Hoge Raad voorschrijft niet leidt tot een hogere teruggaaf dan de vervangende betaling. Ook eerdere uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad bevestigen dit oordeel.
De overige verweren van de inspecteur behoeven geen behandeling. Omdat geen recht op teruggaaf bestaat, is er ook geen recht op rentevergoeding. De beroepen worden ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting.