ECLI:NL:RBZWB:2026:6461
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing teruggaaf dividendbelasting aan buitenlands beleggingsfonds wegens ontbreken recht op afdrachtvermindering
Belanghebbende, een buitenlands beleggingsfonds gevestigd in Duitsland, verzocht om teruggaaf van dividendbelasting over 2017. De inspecteur wees dit verzoek af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank overwoog dat op grond van het overgangsrecht en de jurisprudentie van de Hoge Raad het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering. Belanghebbende kon niet aantonen dat het fonds vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi) die recht heeft op deze regeling.
Verder oordeelde de rechtbank dat zelfs indien sprake zou zijn van een belemmering, het voorgeschreven rechtsherstel via een vervangende betaling plaatsvindt, waardoor geen teruggaaf mogelijk is. Ook het beroep op verboden staatssteun faalde, omdat het fbi-regime niet selectief is en rechtspraak geen staatssteun vormt.
De rechtbank bevestigde eerdere uitspraken en verwees naar recente arresten van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad. Het beroep werd ongegrond verklaard, met als gevolg dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf of rente en het griffierecht niet wordt terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep van het buitenlandse beleggingsfonds tegen de afwijzing van teruggaaf dividendbelasting 2017 wordt ongegrond verklaard.