ECLI:NL:RBZWB:2025:3694
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing teruggaafverzoek dividendbelasting 2018 op grond van internationale fiscale regelgeving
Belanghebbende, een buitenlands fonds, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van een verzoek om teruggaaf van dividendbelasting over 2018. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht geen teruggaaf heeft verleend, mede gelet op het overgangsrecht en de jurisprudentie van de Hoge Raad die bepaalt dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het ontbreken van een tegemoetkoming voor buitenlandse beleggingsinstellingen.
De rechtbank gaat niet mee in de stelling van belanghebbende dat de afdrachtvermindering gelijk zou zijn aan de oude teruggaafregeling en ziet geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Ook de recente uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad bevestigen deze lijn.
Omdat geen recht bestaat op teruggaaf, bestaat ook geen recht op rentevergoeding. Wel kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure, alsmede een proceskostenvergoeding van €226,75.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven, en de inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van de genoemde vergoedingen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de teruggaaf van dividendbelasting wordt afgewezen, met toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.