ECLI:NL:RBZWB:2025:3675
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing teruggaafverzoek dividendbelasting buitenlands fonds op grond van Unierecht en nationale regelgeving
Belanghebbende, een buitenlands fonds, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing door de inspecteur van het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting over 2020. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten en de zaak op schriftelijke stukken beoordeeld.
De rechtbank overweegt dat het beroep op het Unierecht en de vergelijkbaarheid met een fiscale beleggingsinstelling (fbi) niet leidt tot recht op teruggaaf. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering. De rechtbank sluit zich hierbij aan en ziet geen aanleiding tot prejudiciële vragen.
Ook het argument dat de afdrachtvermindering gelijk zou zijn aan de oude teruggaafregeling wordt verworpen. Zelfs bij een hypothetische belemmering zou het rechtsherstel plaatsvinden via een vervangende betaling, die niet tot een hogere teruggaaf kan leiden. De rechtbank verwijst naar recente uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad die dit bevestigen.
Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn wordt afgewezen omdat deze termijn niet is overschreden. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en proceskosten worden niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om teruggaaf dividendbelasting en vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.