Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2025 in de zaken tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
de inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur).
Inleiding
- 2017 (zaaknummer 23/9148);
- 2018 (zaaknummer 23/9149).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een buitenlandse entiteit, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing door de inspecteur van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2017 en 2018. De rechtbank heeft de zitting achterwege gelaten omdat partijen geen gebruik wilden maken van hun recht op mondelinge behandeling.
De kern van het geschil betreft de vraag of belanghebbende, die zich vergelijkt met een fiscale beleggingsinstelling (fbi), recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting op grond van het Unierecht en het overgangsrecht van de Wet Overige fiscale maatregelen 2008. De rechtbank oordeelt dat de Hoge Raad reeds heeft vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering in Nederland.
Belanghebbende heeft geen voldoende gronden aangevoerd om dit oordeel te wijzigen of prejudiciële vragen te stellen. Ook de stelling dat het niet toekennen van teruggaaf staatssteun inhoudt, wordt verworpen omdat het fbi-regime niet selectief is en de uitvoering van rechtspraak geen staatssteun vormt. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst teruggaaf, rentevergoeding en proceskosten af.
Uitkomst: De beroepen van belanghebbende worden ongegrond verklaard en teruggaaf van dividendbelasting wordt geweigerd.