ECLI:NL:RBZWB:2024:7325
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergrijpboeten en vermindering navorderingsaanslagen wegens trustvermogen
Belanghebbende, erfgenaam van haar overleden vader, werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen en vergrijpboeten wegens het niet aangeven van een trustvermogen dat haar vader had ingesteld. De trust kwalificeerde als afgezonderd particulier vermogen (APV) en het vermogen werd op grond van de Wet IB 2001 aan belanghebbende toegerekend. De inspecteur stelde dat belanghebbende indirect begunstigde was van de trust door een renteloze lening.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht de navorderingsaanslagen oplegde, maar dat de boeten onterecht waren opgelegd omdat de aangiften waren ingediend door een deskundige adviseur en niet door belanghebbende zelf. Voor de jaren zonder aangifte kon niet worden aangetoond dat te weinig belasting was geheven. De rechtbank vernietigde daarom de vergrijpboeten.
Daarnaast werd vastgesteld dat de navorderingsaanslagen te hoog waren vastgesteld omdat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd moest worden met de vorderingen van de trust op belanghebbende en een deel van de trust. De rechtbank kende belanghebbende een vergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en stelde een proceskostenvergoeding vast.
De uitspraak vernietigt de boetebeschikkingen, vermindert de navorderingsaanslagen en rentebeschikkingen, en veroordeelt de Staat en inspecteur tot betaling van immateriële schadevergoeding en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: De navorderingsaanslagen worden verminderd en de vergrijpboeten vernietigd wegens ontbreken van (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende.