Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2024 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats 1] , eiseres,
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
1. Wat zijn de feiten?
2. Wat is het wettelijk kader?
- voor het waarderen van de beginvoorraad heeft de minister een andere methode gebruikt (zelf opstellen H1-staat) dan voor het waarderen van de eindvoorraad (feitelijke vaststelling). Dat is volgens eiseres in strijd met beleidsregels die de RVO op 4 mei 2021 bekend heeft gemaakt en die zijn verwerkt in bijlage 8 van het document Boetebeleid Meststoffenwet RVO. Op basis van dat beleid moet voor de bepaling van de voorraad gewerkt worden met gehaltes (volgens de beste beschikbare gegevens) in de gemeten tonnen. Eiseres heeft daaraan toegevoegd dat het ook aan eiseres zelf is om een H1-staat op te stellen.
- de minister heeft de beginvoorraad onjuist vastgesteld. De minister heeft die vastgesteld op basis van de aan- en afvoer van dierlijke meststoffen vanaf 2006/2014, maar heeft ten onrechte geen rekening gehouden met een foutmarge van 10% op die aan- en afvoer. Op die wijze ontzegt de minister eiseres de bekende en noodzakelijke correcties op de beginvoorraad. Daarnaast is een deel van die aanvoer niet gebaseerd op geijkte wegingen, omdat een verplichting daartoe pas sinds 2010 geldt.