Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Minister van Rechtsbescherming, de Minister.
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Rechtsvorm onderneming
van artikel 67e Awr
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de navorderingsaanslag Vpb 2015;
- vermindert de navorderingsaanslag Vpb 2015 tot op een belastbaar bedrag van € 3.084;
- vernietigt de overige uitspraken op bezwaar voor zover die zien op de vergrijpboeten en de kostenvergoeding;
- vernietigt de vergrijpboeten;
- beslist dat, voor zover de thans vernietigde vergrijpboeten zijn betaald, de wettelijke rente is verschuldigd over de termijn tussen de betaling en de terugbetaling;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan belanghebbende van € 769;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan belanghebbende van € 1.731;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten in bezwaar en in beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 951,50
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 345 aan deze vergoedt; en
- beslist dat, voor zover de vergoeding van immateriële schade, de proceskostenvergoeding of de vergoeding van het griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: