Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
[aanslagnummer].W.16.01 en [aanslagnummer].W.074
5.Vergoeding van immateriële schade
6.Proceskosten
7.Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond voor zover het de vergrijpboeten betreft;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de boetebeschikkingen bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2010, de aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2012;
- vermindert de vergrijpboete opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2010 tot € 28.000;
- vermindert de vergrijpboete opgelegd bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 tot € 16.000;
- vernietigt de vergrijpboete opgelegd bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2012;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden ten bedrage van € 1.870;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan hem vergoedt.
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 3.093,75;
- veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 2.406,25.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: