Eiser betwistte dat zijn niet-rechthebbende echtgenote, die in het buitenland woont en niet bijdraagt aan de kosten, als kostendeler mocht worden meegeteld bij de berekening van zijn bijstandsuitkering. De verweerder had de bijstand vastgesteld op 43,33% van de gehuwdennorm, rekening houdend met drie kostendelers: eiser, zijn moeder en zijn echtgenote.
De rechtbank overwoog dat de wet, met name artikel 22a van de Participatiewet, voorschrijft dat ook niet-rechthebbende echtgenoten moeten worden meegeteld bij de kostendelersnorm, ongeacht of zij daadwerkelijk bijdragen aan de kosten of samenwonen. Het feit dat de echtgenote in het buitenland woont en geen kosten deelt, maakt dit niet anders.
Daarnaast stelde eiser dat verweerder had moeten onderzoeken of er sprake was van bijzondere omstandigheden die een afstemming van de bijstand op zijn situatie vereisten. De rechtbank vond dat verweerder voldoende onderzoek had gedaan en dat eiser geen bewijs had geleverd van zulke omstandigheden of een buitensporige last in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard, zonder terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.