Eiseres, werkzaam als handhaver met opsporingsbevoegdheid bij de gemeente Rotterdam, is ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim nadat zij op vijf dagen boodschappen heeft meegenomen zonder te betalen. Dit werd door eiseres erkend, hoewel zij stelde onoplettend te zijn geweest en in de veronderstelling verkeerde dat zij wel had betaald, mede omdat haar dochter als caissière werkte.
De rechtbank oordeelt dat het plichtsverzuim aannemelijk is en eiseres zich bewust moet zijn geweest van het niet betalen, mede gelet op de omvang van de boodschappen en de lage afgerekende bedragen. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat zij door psychische klachten niet toerekeningsvatbaar was.
De rechtbank overweegt dat het onvoorwaardelijk ontslag een evenredige straf is gezien de ernst van het plichtsverzuim en de hoge eisen die aan een buitengewoon opsporingsambtenaar worden gesteld. Het intrekken van de strafbeschikking en het behoud van opsporingsbevoegdheid door de minister leiden niet tot een andere conclusie. Het beroep wordt ongegrond verklaard.