ECLI:NL:RBOVE:2026:4033

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
11 juli 2026
Zaaknummer
12029017
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 195 RvArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen Dexia bij effectenleaseovereenkomst met vergunningplichtige advisering

In deze zaak vordert [partij A] vergoeding van schade geleden door een effectenleaseovereenkomst met Dexia, waarbij Dexia onrechtmatig zou hebben gehandeld door het accepteren van een cliënt die via een niet-vergunde tussenpersoon persoonlijk was geadviseerd.

De overeenkomst betrof een lening waarmee aandelen werden gekocht, die bij verkoop minder waard bleken, waardoor [partij A] verlies leed. Dexia voerde verweer, onder meer dat er geen sprake was van vergunningplichtige advisering en dat de vordering verjaard zou zijn.

De kantonrechter volgt de jurisprudentie en oordeelt dat Dexia behoorde te weten dat de tussenpersoon Spaar Select zonder vergunning persoonlijk adviseerde. Dexia heeft daardoor onrechtmatig gehandeld en is aansprakelijk voor de volledige schade van € 23.374,67, vermeerderd met wettelijke rente. Vorderingen tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

Het verzoek van Dexia om inzage in vertrouwelijke documenten wordt afgewezen vanwege het belang van het verschoningsrecht. Dexia wordt veroordeeld in de proceskosten. De vorderingen van Dexia in reconventie worden afgewezen.

Uitkomst: Dexia is onrechtmatig jegens [partij A] en moet de volledige schade van € 23.374,67 vergoeden met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12029017 \ CV EXPL 25-3734
Vonnis van 30 juni 2026
in de zaak van
[partij A],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.

1.Kern van de zaak

1.1
[partij A] heeft via Spaar Select een effectenleaseovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Op grond van de overeenkomst leende [partij A] geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [partij A] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest [partij A] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [partij A] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 17 december 2025;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie;
  • de conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie tevens houdende akte uitlaten producties in conventie.
2.2
De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren.
2.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1
[partij A] heeft de volgende leaseovereenkomst gesloten, met als wederpartij (Bank Labouchere, de rechtsvoorganger van) Dexia:
Contractnummer
Datum
Naam overeenkomst
1
[contractnummer]
21-05-2001
Overwaarde Effect
3.2
Nadat [partij A] deze overeenkomst tussentijds heeft beëindigd, heeft Dexia een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
1
23-08-2004
- € 11.795,77
Ja
3.3
Volgens het financieel overzicht van Dexia heeft [partij A] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van
€ 25.029,00 aan maandtermijnen en een bedrag van € 11.795,77 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens hetzelfde overzicht heeft [partij A] € 2.771,34 een dividenden ontvangen en € 814,91 aan fiscaal voordeel genoten. Op 18 januari 2012 heeft Dexia een bedrag van € 10.851,08 aan [partij A] uitgekeerd, volgens Dexia twee derde van de restschuld.
3.4
De gemachtigde van [partij A] heeft bij brief van 9 augustus 2007 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. In de brief wordt ook het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
4 De vorderingen en het verweer in de hoofdzaak in conventie, in reconventie en in het incident
4.1
[partij A] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten jegens hem;
  • voor recht zal verklaren dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
  • Dexia zal veroordelen om de schade die [partij A] door het onrechtmatig handelen van Dexia heeft geleden, te vergoeden en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij A] te voldoen al hetgeen hij heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2
Dexia voert verweer tegen de vorderingen en concludeert in conventie tot afwijzing daarvan. Het verweer mondt uit in een incidentele vordering en een tegenvordering waarbij Dexia (samengevat) vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst met nummer [contractnummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [partij A] is verschuldigd;
  • [partij A] ex artikel 195 Rv Pro zal veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend;
  • [partij A] zowel in conventie als in reconventie zal veroordelen in de proceskosten.
4.3
Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna, voor zover nodig voor de beslissing van de kantonrechter, nader worden ingegaan.
5 De beoordeling in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in het incident
Algemeen
5.1
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij A] .
5.2
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend en wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. [1] Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking van de jurisprudentie rechtvaardigen.
Verjaring
5.3
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij A] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
Tussenpersoon
5.4
[partij A] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Spaar Select B.V. (hierna: Spaar Select). Tussen partijen is niet in geschil dat Spaar Select niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022, [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven.
5.5
Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar toenmalig geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021, [4] dat heeft geleid tot de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019, [5] toegelicht dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is in deze zaak geen reden om anders te oordelen.
5.6
De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.7
De stelplicht en bewijslast dat Spaar Select [partij A] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat Spaar Select [partij A] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op het product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij A] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
5.8
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is, weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij A] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.9
[partij A] stelt over de feitelijke gang van zaken dat hij in contact is gekomen met Spaar Select via zijn neef, die eerder een adviesgesprek had met een medewerker van Spaar Select waarbij [partij A] aanwezig was. De medewerker van Spaar Select en [partij A] maakten toen een afspraak voor een huisbezoek door de medewerker om de financiële situatie van [partij A] door te nemen. Tijdens het huisbezoek bij [partij A] heeft de medewerker, de heer [naam] (hierna: [naam]), geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [partij A] . Er is gesproken over zijn woning, het spaargeld, de hypothecaire situatie en de wens van [partij A] om vermogen op te bouwen om in de toekomst alle ramen en kozijnen van zijn woning te vervangen. Volgens [partij A] gaf [naam] daarop aan dat hij een geschikt product wist om dat te verwezenlijken. Dat leidde volgens [partij A] tot het advies van [naam] om de overwaarde op het huis te benutten voor een tweede hypothecaire lening. Met een deel van de overwaarde zou [partij A] de ramen en kozijnen kunnen vervangen. [partij A] stelt dat [naam] ook het advies gaf om een Overwaarde Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 55.000,00, waarvoor de rest van de overwaarde moest worden aangewend en die een veilige manier zou zijn om aanzienlijk vermogen op te bouwen. [partij A] stelt dat [naam] garandeerde dat met de opbrengst van de overeenkomst, de tweede hypotheek zou kunnen worden afgelost en er een mooi bedrag zou resteren voor [partij A] om zijn doelen te realiseren.
[partij A] stelt dat [naam] hem niet heeft geïnformeerd over de specifieke risico’s. [naam] zou niet erop hebben gewezen dat met geleend geld werd belegd, dat bij tegenvallende koersontwikkelingen de inleg geheel verloren kon gaan, de hypotheek niet kon worden afgelost en een schuld kon ontstaan uit hoofde van de overeenkomst. Als hij op deze risico’s was gewezen, had hij de overeenkomst nooit afgesloten, aldus [partij A] .
[partij A] voert verder aan dat hij geen ervaring had met beleggen of kennis had van complexe financiële producten, daarom vertrouwde hij op de deskundigheid en het advies van [naam] en volgde hij het advies op. De aanvraag voor de overeenkomst is door [naam] in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend, zo stelt [partij A] . In lijn met het advies heeft hij een Overwaarde Effect overeenkomst afgesloten met een vooruitbetaling van NLG 55.156, 66 en een extra hypothecaire lening afgesloten om het vervangen van de ramen en kozijnen en de vooruitbetaling van de Overwaarde Effect overeenkomst te financieren.
Tot slot stelt [partij A] aan dat het opvolgen van het advies van [naam] desastreus heeft uitgepakt, want in plaats van het vermogen dat zou worden opgebouwd, is hij de betaalde inleg kwijtgeraakt en heeft hij een restschuld overgehouden (die hij heeft betaald). Omdat hij niet over voldoende financiële middelen beschikte, was hij genoodzaakt de hypotheek te verhogen, aldus [partij A] .
5.1
[partij A] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
  • een kopie van het aanvraagformulier op faxpapier van Spaar Select, voor een Overwaarde Effect overeenkomst van NLG 55.200,00, op naam van en ondertekend door [partij A] met vermelding van [naam] als adviseur, het ATP-nummer [atp-nummer] en voorzien van een stempel van Spaar Select;
  • een kopie van de Overwaarde Effect overeenkomst met nummer [contractnummer] van 22 mei 2001, voorzien van een stempel van Spaar Select met de naam en contactgegevens van [naam], op naam van [partij A] met vermelding van een de lease-som van NLG 55.156,66, het adviseursnummer [atp-nummer]-Spaar Select B.V. en getekend door [partij A] en (de rechtsvoorganger van Dexia) Bank Labouchere.
Aanhoudingsverzoek
5.11
Dexia heeft grote bezwaren tegen de door haar zo genoemde ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.12
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen. [6]
Advisering
5.13
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij A] met zijn feitelijke uiteenzetting en stukken voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. De stellingen van [partij A] hoe Spaar Select in zijn geval gehandeld heeft, sluiten ook aan bij de gebruikelijke werkwijze van tussenpersonen. Dexia heeft daartegenover de door [partij A] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen en zonder onderbouwing betwist. Zij had meer concreet moeten aanvoeren en toelichten waarom destijds volgens haar in dit specifieke geval geen sprake is geweest van advisering. Zo had zij moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomst in haar visie (en in afwijking van de gebruikelijke werkwijze) tot stand is gekomen. Wat Dexia daarover heeft aangevoerd, is tegenover de stellingen van [partij A] onvoldoende. Dexia heeft er weliswaar op gewezen dat zij op geen enkele manier betrokken is geweest bij het contact tussen [partij A] en Spaar Select, maar dat kan haar niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dit voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij (zoals hiervoor overwogen) eerder bewijs kunnen verzamelen, daarbij komt dat zij destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van Spaar Select voor de afzet van haar producten, terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van deze tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om controle daarop uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een overeenkomst en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. [7] Doordat Dexia de door [partij A] geschetste gang van zaken onvoldoende heeft weersproken en de stellingen van [partij A] in lijn zijn met de gebruikelijke werkwijze van tussenpersonen, wordt van de juistheid van zijn relaas uitgegaan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
Wetenschap Dexia
5.14
[partij A] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten dat Spaar Select een op zijn persoon toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Alhoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van Spaar Select aan [partij A] , had Dexia behoren te weten dat hij door Spaar Select is geadviseerd.⁵
Aansprakelijkheid Dexia
5.15
Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [partij A] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [partij A] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [partij A] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [8] Er kunnen situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van [partij A] te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
Vorderingen van [partij A]
5.16
De door [partij A] gevorderde verklaring voor recht zal, gelet op het voorgaande, worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat Spaar Select hem niet alleen als klant aanbracht, maar tevens persoonlijk had geadviseerd en Spaar Select geen vergunning daarvoor bezat. De verklaring voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en Dexia gehouden is de schade te vergoeden, zal ook worden toegewezen.
Schade
5.17
Zoals hiervoor geoordeeld, komt de schade voor rekening van Dexia. [partij A] heeft zijn schade berekend op € 23.374,67, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dexia heeft deze berekening niet betwist. De kantonrechter wijst het bedrag dan ook toe. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in Hoge Raad 1 mei 2015 en Hoge Raad 3 februari 2017. [9]
Buitengerechtelijke incassokosten
5.18
[partij A] heeft een vordering ingesteld tot vergoeding van zijn buitengerechtelijke kosten. Dit zal worden afgewezen, aangezien niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019. [10]
5.19
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [partij A] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
Incidentele vordering ex 195 Rv van Dexia
5.2
Dexia vordert dat [partij A] wordt veroordeeld om aan haar ex artikel 195 Rv Pro een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure feitelijke stellingen zijn ontleend.
5.21
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [partij A] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces zijn terechtgekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dit geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.22
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden tot op heden begroot op € 82,00.
De door Dexia gevorderde verklaring voor recht
5.23
Gelet op de voorgaande beoordeling, zal de reconventionele vordering van Dexia om voor recht te verklaren dat zij met betrekking tot de tussen [partij A] en haar gesloten overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [partij A] is verschuldigd, worden afgewezen.
Proceskosten in conventie en in reconventie
5.24
Omdat [partij A] grotendeels inhoudelijk gelijk zal krijgen, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [partij A] gevallen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 732,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 100,00(plus de kosten van betekening
zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.552,47
5.25
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1
wijst de vorderingen af;
6.2
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op
€ 82,00;
in conventie
6.3
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat Spaar Select [partij A] niet alleen als klant aanbracht, maar [partij A] ook persoonlijk had geadviseerd en Spaar Select geen vergunning daarvoor bezat;
6.4
verklaart voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
6.5
veroordeelt Dexia om aan [partij A] te betalen een schadevergoeding van
€ 23.374,67 vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.17.;
6.6
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] van € 1.552,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;
6.7
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.8
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.9
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.1
wijst de vordering af;
6.11
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:20 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
7.Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
8.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
9.ECLI:NL: HR:2015:1198 en ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3.