Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdelen 1 tot en met 4klagen over het oordeel dat (Dexia onvoldoende heeft betwist dat) [verweerder] voor het sluiten van de overeenkomsten door Spaar Select respectievelijk Excellent Adviseurs is geadviseerd.
Onderdeel 5bevat een veegklacht.
(i) dat de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select niets zegt over de vraag of in het geval van de afnemer sprake is geweest van een advies in de zin van het arrest
B/Dexia; en
(ii) dat de vaststelling dat de stellingen van de afnemer aansluiten bij de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select, zonder enige verdere staving aan de hand van stukken, niet als grondslag kan dienen voor het oordeel dat Dexia de stellingen van de Afnemer onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, waarbij er door het middel op werd gewezen (a) dat de beweerde gebruikelijke werkwijze van Spaar Select niet altijd is gevolgd, (b) deze in het geval van de afnemer niet is gevolgd nu bij hem geen sprake is van een Persoon Financieel Plan en planning en (c) dat sprake is van blote stellingen die de afnemer pas na 16 jaar voor het eerst naar voren heeft gebracht. [12]
subonderdelen 1.1 tot en met 1.4klachten tegen rov. 4.11-4.13, 4.14 en 4.18, waarin het hof oordeelt dat Dexia onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [verweerder] voor het sluiten van de overeenkomsten door Spaar Select respectievelijk Excellent Adviseurs is geadviseerd.
Voorts heeft het hof (in rov. 4.12) overwogen dat Dexia tegenover de door [verweerder] geschetste gang van zaken meer concreet had moeten maken dat en waarom volgens haar in dit concrete geval geen sprake is geweest van advisering. Dat Dexia daartoe niet in staat is, komt naar oordeel van het hof voor haar rekening en risico. Het was, kort gezegd, Dexia verboden om van haar cliëntenremisiers cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt, zodat het op haar weg had gelegen om op dit punt controle uit te oefenen.
Anders dan het subonderdeel veronderstelt, berusten deze oordelen niet op de omstandigheid dat Dexia heeft afgezien van controle. Deze omstandigheid speelt geen rol bij de beoordeling van de vraag of [verweerder] voldoende feiten heeft gesteld ter adstructie van zijn stelling dat hij is geadviseerd (rov. 4.13), maar enkel bij de beoordeling of Dexia de door [verweerder] naar voren gebrachte feiten voldoende gemotiveerd heeft betwist (rov. 4.14). In zoverre berust het subonderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag
in de eerste plaats(in
nr. 28) aan dat Dexia aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd dat het in deze zaak gaat om twee tussenpersonen en dat [verweerder] de vaste werkwijze van Excellent Adviseurs heeft gesteld, maar dat Dexia heeft betoogd dat die werkwijze niet geldt voor Spaar Select; dit was een gefragmenteerde franchiseorganisatie en had geen vaste werkwijze. Het hof heeft onbegrijpelijk dat onderscheid niet gemaakt en heeft het verweer ten aanzien van Spaar Select niet (kenbaar) in zijn oordeel betrokken, aldus de klacht.
Dexia heeft, zoals het subonderdeel aanvoert, betoogd dat Spaar Select geen vaste werkwijze had (memorie van grieven nrs. 43 en 60-61).
Het hof behandelt de gebruikelijke werkwijze van Excellent Adviseurs en van Spaar Select wel met zoveel woorden in de rov. 4.16-4.17 in het kader van de vraag of Dexia wetenschap had van advisering door Excellent Adviseurs en Spaar Select. In rov. 4.17 concludeert het hof ten aanzien van Spaar Select dat “
uit de door [verweerder] overgelegde stukken volgt dat door [sic] het informeren naar de financiële omstandigheden van (potentiële) afnemers en het adviseren van effectenleaseproducten als geschikt voor die (potentiële) afnemers de gebruikelijke werkwijze was van Spaar Select.” In rov. 4.18 concludeert het hof dat Dexia bekend was met de gebruikelijke werkwijze van (ook) Spaar Select en dat het, gezien die werkwijze “
op de weg van Dexia had gelegen, zoals hiervoor is overwogen, om (…) navraag te doen bij Spaar Select (…) om te beoordelen of al dan niet was geadviseerd.”
Het hof was naar mijn mening niet gehouden om dit verweer met zoveel woorden te betrekken in rov. 4.11-4.14, omdat het hof daarin met name de stellingen van [verweerder] in diens conclusie van antwoord onder het kopje “Advisering door de tussenpersoon”, en het verweer van Dexia daartegen, beoordeelde. Die stellingen van [verweerder] gingen over wat er zijn geval was gebeurd en niet over de gebruikelijke werkwijze van Excellent Adviseurs en van Spaar Select. In deze lezing van rov. 4.11-4.14 wordt niet toegekomen aan het verweer van Dexia over de vaste werkwijze.
De rov. 4.11-4.14 kunnen overigens ook zo gelezen worden, dat het hof daarin stilzwijgend zijn oordeel in rov. 4.16-4.18 over de gebruikelijke werkwijze van (ook) Spaar Select heeft verdisconteerd. Het hof verwijst immers naar de controleplicht van Dexia in zowel rov. 4.12 (in verband met het plicht van Dexia om geen klant te accepteren na verboden advisering door een cliëntenremisier) als in rov. 4.18 (in verband met de gebruikelijke werkwijze en de wetenschap van Dexia daarvan). Ook in deze lezing van rov. 4.11-4.14 faalt de eerste klacht van het subonderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag.
in de tweede plaats(in
nr. 29) dat Dexia in haar memorie van grieven nrs. 60-61 heeft aangeboden haar betwistingen te voorzien van tegenbewijs door het horen van twee met name genoemde getuigen en dat niet valt in te zien wat van Dexia te dier zake in redelijkheid nog meer mocht worden verwacht.
subonderdeel 1.4. Dat subonderdeel werkt de klacht dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van Dexia namelijk nader uit.
in de derde plaats(in
nrs. 30-31) dat rechtens onjuist is dat het hof de omvang van de betwistplicht van Dexia heeft ingevuld op basis van informatie waarover zij niet daadwerkelijk beschikt, maar volgens het hof zou hebben beschikt als zij aan een bepaalde (en vermeende) materiële rechtsplicht uitvoering had gegeven, namelijk door destijds bij Excellent Adviseurs en Spaar Select onderzoek te doen naar hetgeen was voorgevallen in het verkeer met [verweerder] . Bij beantwoording van de vraag of een partij de stellingen van haar wederpartij voldoende gemotiveerd betwist heeft, mag volgens de klacht slechts belang toekomen aan de informatie waarover eerstgenoemde partij daadwerkelijk of beschikt of moet beschikken, dat laatste in die zin dat het niet anders kan dan dat die partij over die informatie beschikt.
Aan het verzuim om bepaalde informatie in te winnen, wordt de sanctie verbonden van de aanname dat die informatie, als zij was ingewonnen, een voor de afnemer gunstige inhoud zou hebben gehad. Dit verzuim behoort volgens de klacht niet tot gevolg te hebben dat een procespartij het recht wordt ontzegd de ware toedracht boven water te halen.
Het ligt volgens het subonderdeel voor de hand dat Dexia te horen zou hebben gekregen dat niet is gevraagd naar de financiële situatie en doelen van [verweerder] en dat geen gepersonaliseerde aanbeveling is gedaan. Dexia had dan niets anders of meer kunnen doen dat de gestelde feiten te betwisten op de wijze zoals zij dat thans heeft gedaan. Daarmee was de gegeven betwisting voldoende. Een andersluidend oordeel zou ertoe leiden dat in feite van Dexia wordt verlangd dat zij reeds tevoren een begin van bewijs van haar betwisting zou leveren, hetgeen rechtens onjuist zou zijn. Het hof heeft de lat van de betwisting door Dexia dan ook in zoverre te hoog gelegd.
subonderdeel 1.2slagen niet.
Voor zover het subonderdeel (in
nr. 33) wijst op de stelling van Dexia dat geen huisbezoek heeft plaatsgevonden, verwijs ik naar de bespreking van
subonderdeel 1.4.
Maar ook indien rov. 4.11-4.14 aldus moeten worden gelezen dat het hof daarin deze gebruikelijke werkwijze wel heeft verdisconteerd en dus wordt uitgegaan van de alternatieve lezing van rov. 4.11-4.14 als bedoeld in 3.13.4, getuigt dat naar mijn mening niet van een onjuiste rechtsopvatting of van het stellen van te hoge eisen aan de betwisting door Dexia van de stellingen van [verweerder] . Het hof heeft de stellingen van partijen over de al dan niet gebruikelijke werkwijze van de tussenpersonen beoordeeld in rov. 4.15-4.18 en geconcludeerd dat de betwisting door Dexia onvoldoende is.
Dexia heeft in hoger beroep de stellingen van [verweerder] dat de medewerker van Excellent Adviseurs en de medewerker van Spaar Select hem thuis bezocht hebben en hem hebben geadviseerd, betwist (memorie van grieven nr. 28). Dexia heeft daartoe gesteld dat niet is komen vast te staan dat Excellent Adviseurs en Spaar Select hebben geïnformeerd naar de financiële situatie en doelen van [verweerder] ; dat in recente vonnissen is aangenomen dat als een huisbezoek is aangetoond er – behoudens aanwijzingen van het tegendeel – vanuit zou moeten worden gegaan dat de tussenpersoon ook heeft geïnformeerd naar de financiële situatie en doelen; dat in die zaken het bestaan van een huisbezoek is afgeleid uit een schriftelijke afspraakbevestiging, die in deze zaak echter ontbreekt; en dat blijkens de prejudiciële beslissing een huisbezoek geen relevante omstandigheid is.
De stellingen van Dexia op dit punt komen immers niet zozeer neer op een betwisting van de stelling dat er huisbezoek heeft plaatsgevonden, als wel op betwisting van de relevantie van een huisbezoek voor de aanname dat er sprake is geweest van advisering.
Voor zover Dexia heeft betwist dat er huisbezoeken bij [verweerder] hebben plaatsgevonden met het argument dat een afspraakbevestiging ontbreekt, kon het hof daaraan voorbijgaan. In de eerste plaats, omdat de afwezigheid van een afspraakbevestiging niet de mogelijkheid uitsluit dat een huisbezoek heeft plaatsgevonden. In de tweede plaats, omdat er ook zonder een huisbezoek persoonlijk contact tussen de tussenpersoon en de (latere) afnemer kan zijn geweest, zoals [verweerder] in hoger beroep ook heeft aangevoerd.
In het licht hiervan kon het hof komen tot zijn oordelen in rov. 4.11-4.14 zonder nader in te gaan op de stellingen van Dexia over (de relevantie van) een huisbezoek respectievelijk afspraakbevestiging.
onderdeel 1niet slagen.
onderdeel 2richt zich tegen rov. 4.10-4.13 en 4.14 van het bestreden arrest. Volgens het onderdeel heeft het hof in de bestreden rechtsoverwegingen ontoereikend gemotiveerd geoordeeld dat aan [verweerder] een gepersonaliseerde aanbeveling is gedaan en dat hij vergunningplichtig is geadviseerd. Het gestelde huisbezoek was immers een essentieel onderdeel van diens stelling dat er vergunningplichtig is geadviseerd. Dexia heeft dat huisbezoek gemotiveerd betwist, terwijl het hof geen woord aan dat huisbezoek wijdt en dat niet (kenbaar) in diens beslissing heeft betrokken.
onderdeel 2is naar ik meen een herhaling van zetten van de klacht van
subonderdeel 1.4en faalt naar mijn mening dan ook in het spoor van voornoemde klacht.
nr. 40) aangevoerd dat (i) de oordelen van het hof in rov. 4.11-4.12 van de zaak abstraheren op basis van een vastgestelde algemene werkwijze in plaats van te kijken naar het specifieke geval. Daarbij wordt (in
nr. 41) aangevoerd, samengevat, dat (ii) Dexia heeft aangevoerd dat in geval van een huisbezoek die vaste werkwijze inhield dat er altijd een schriftelijke afspraakbevestiging was die in dit geval ontbreekt zodat het huisbezoek niet is komen vast te staan en (iii) dat Dexia heeft gesteld dat Spaar Select geen vaste werkwijze had. Hieraan wordt (in
nr. 42) de conclusie verbonden dat niet valt in te zien wat van Dexia meer kan worden verwacht ter betwisting van de gestelde algemene werkwijze ten aanzien van een huisbezoek.
Het hof heeft in rov. 4.11-4.14 de stellingen van [verweerder] en de betwisting daarvan door Dexia beoordeeld. Zijn oordelen heb ik hiervoor in 3.10.2 verkort weergegeven.
Voor wat betreft de stelling onder (i) dat de oordelen van het hof in rov. 4.11-4.12 van de zaak abstraheren op basis van een vastgestelde algemene werkwijze, verwijs ik naar hetgeen daarover hiervoor in 3.13.4 en 3.28.2 is opgemerkt.
Voor wat betreft de stelling onder (ii) over het ontbreken van een afspraakbevestiging, verwijs ik naar hetgeen daarover hiervoor in 3.32 is opgemerkt.
Voor wat betreft de stelling onder (iii) dat Spaar Select geen vaste werkwijze had, verwijs ik naar hetgeen daarover hiervoor in 3.13.4 is opgemerkt.
De betwisting van Dexia dat er sprake is van advisering heeft het hof, in het licht van de gemotiveerde stellingname door [verweerder] , onvoldoende geacht (rov. 4.12). Het hof is daarom niet aan nadere bewijslevering toegekomen. Dit is gezien art. 149 Rv Pro niet onjuist en voorts ook niet onbegrijpelijk. [20] De klacht van
onderdeel 3slaagt daarom niet. [21]
onderdeel 5, inhoudende dat met het slagen van bovenstaande klachten ook rov. 4.21 en het dictum geen stand kunnen houden, faalt in het spoor van bovenstaande klachten.