Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:369

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
25/00882
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999Art. 25 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1995Art. 81 ROArt. 149 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid Dexia voor effectenleaseadvies zonder vergunning

In deze zaak staat centraal of Dexia Nederland B.V. aansprakelijk is voor schade die voortvloeit uit een effectenleaseovereenkomst waarbij de afnemer door een tussenpersoon zonder vereiste vergunning is geadviseerd. De afnemer stelt dat Spaarkrediet Centrale hem persoonlijk en vergunningplichtig heeft geadviseerd, wat Dexia betwistte. De rechtbank en het hof oordeelden dat Dexia onvoldoende had betwist dat er sprake was van vergunningplichtig advies en dat Dexia aansprakelijk is.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de stellingen van de afnemer voldoende concreet en gemotiveerd zijn en dat Dexia onvoldoende concreet heeft betwist dat Spaarkrediet Centrale vergunningplichtig advies heeft gegeven. De Hoge Raad benadrukt dat Dexia als aanbieder verantwoordelijk is voor het toezicht op de tussenpersonen en dat nalatigheid in dit kader voor haar risico komt.

Het cassatieberoep van Dexia wordt verworpen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat Dexia niet toekomt aan het leveren van nader bewijs, omdat zij haar betwisting onvoldoende heeft onderbouwd. Ook is het recht op een eerlijk proces niet geschonden, aangezien de bewijslevering pas aan de orde komt bij voldoende betwisting, wat hier ontbreekt.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Dexia wordt verworpen en haar aansprakelijkheid voor het effectenleaseadvies zonder vergunning bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00882
Zitting10 april 2026
CONCLUSIE
M.H. Wissink
In de zaak
Dexia Nederland B.V.
(hierna: Dexia)
tegen
[verweerder]
(hierna: [verweerder] )

1.Inleiding

1.1
Sinds het arrest B/Dexia is in efffectenleasezaken geprocedeerd over de toepassing van de voorwaarden waaronder de aanbieder van effectenleaseproducten 100% van de schade van de afnemer moet vergoeden. Deze voorwaarden houden, kort gezegd, in (i) dat een tussenpersoon (cliëntenremisier) zonder te beschikken over de daarvoor vereiste vergunning de afnemer heeft geadviseerd de overeenkomst met de aanbieder van een effectenleaseproduct aan te gaan en (ii) de aanbieder dit wist of behoorde te weten. [1] Het eerste vereiste is door de Hoge Raad uitgewerkt in de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [2] en een aantal arresten van 9 juni 2023. [3] Het tweede vereiste is aan bod gekomen in HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882 (Dexia/T).
1.2
De thans in cassatie aanhangige zaak (evenals de zaken 25/00926 en 25/00929, waarin grotendeels dezelfde cassatieklachten van Dexia aan de orde zijn en waarin ik vandaag eveneens concludeer) stelt het eerste vereiste aan de orde. Dexia klaagt, kort gezegd, dat het hof ten onrechte dan wel onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de afnemer van de betreffende effectenleaseovereenkomst bij het aangaan van deze overeenkomst door de betrokken tussenpersoon – Spaarkrediet Centrale − is geadviseerd en dat aan bewijslevering aan de zijde van Dexia op dit punt niet wordt toegekomen.
1.3
[verweerder] meent dat de onderhavige zaak niet wezenlijk verschilt van eerdere zaken die door de Hoge Raad zijn beoordeeld. Volgens Dexia is wel sprake van een relevant verschil, kort gezegd, omdat zij in deze zaak ter betwisting van de stellingen van [verweerder] heeft gesteld dat er geen gepersonaliseerde aanbeveling is gedaan, het product niet is aanbevolen als geschikt op basis van een afweging van [verweerder] ’ financiële situatie en beleggingsdoelen, en de werkzaamheden van Spaarkrediet Centrale beperkt zijn gebleven tot toegestane cliëntremisewerkzaamheden, [4] en Dexia voorts heeft gewezen op een ‘tournure’ in de stellingen van [verweerder] na HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862. [5] Het cassatieberoep slaagt naar mijn mening niet.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [6]
(i) [verweerder] heeft de volgende leaseovereenkomst ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met al wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:
Nr.
Contactnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
1
[001]
18-01-1999
Direct Rendement Effect
180 mnd
€ 57.621,69
(ii) Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met als datum 21 juni 2006, waarin een restschuld van € 7.019,12 is opgenomen.
(iii) Volgens de opgave van Dexia heeft [verweerder] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 16.206,05 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. [verweerder] heeft de restschuld niet betaald. [verweerder] heeft een bedrag van € 2.576,25 aan dividenden ontvangen.
(iv) Bij brief van 16 november 2021 heeft Dexia [verweerder] uitgenodigd om in gesprek te gaan en te onderzoeken of partijen tot afronding van het effectenleasedossier kunnen komen. [verweerder] heeft hierop niet (inhoudelijk) gereageerd.
2.2
In deze procedure vordert Dexia dat [verweerder] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.235,07 aan Dexia en een (zogenaamde negatieve) verklaring voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [verweerder] gesloten overeenkomst aan al haar verbintenissen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [verweerder] verschuldigd is. [verweerder] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen.
2.3
De rechtbank heeft voor recht verklaard dat Dexia niets meer aan [verweerder] verschuldigd is nadat zij is overgaan tot uitbetaling van de schadevergoeding zoals onder rov. 4.18 van het vonnis is weergegeven en heeft de overige vorderingen van Dexia afgewezen. In rov. 4.18 heeft de kantonrechter overwogen dat de schade geheel voor rekening van Dexia komt.
2.4
Dexia is in hoger beroep gekomen van het vonnis. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 10 december 2024 [7] het vonnis van de rechtbank – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – bekrachtigd.
2.5
Dexia heeft bij procesinleiding van 10 maart 2025 tijdig cassatieberoep ingesteld. Het cassatieberoep is in de procesinleiding reeds op onderdelen toegelicht. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en zijn standpunt schriftelijk toegelicht. Dexia heeft hierop bij repliek gereageerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit vijf onderdelen.
Onderdelen 1 tot en met 4klagen over het oordeel (dat Dexia onvoldoende heeft betwist) dat Spaarkrediet Centrale vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [verweerder] .
Onderdeel 5bevat een veegklacht.
Inleiding op onderdelen 1-4 [8]
3.2.1
In zijn arresten van 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:880, 884-886 en 889, heeft de Hoge Raad in vijf zaken het juridisch kader voor de schadeverdeling in geval van niet-toegestane advisering door een tussenpersoon en voor de beoordeling of sprake is van dergelijke advisering, als volgt weergegeven: [9]
“3.2.1. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad brengt de enkele omstandigheid dat de aanbieder in strijd met art. 41 Nadere Pro Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (oud) – dan wel het daarmee materieel overeenkomende art. 25 Nadere Pro Regeling toezicht effectenverkeer 1995 (oud) – een effectenleaseovereenkomst heeft gesloten met een afnemer terwijl de aanbieder wist of behoorde te weten dat de afnemer tot het aangaan van die overeenkomst advies had gekregen van een tussenpersoon die niet beschikte over de daarvoor vereiste vergunning, mee dat de billijkheid in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de door de afnemer reeds betaalde rente, aflossing en kosten.
3.2.2.
Van een niet-toegestane advisering door een tussenpersoon is sprake indien de tussenpersoon, zonder over een vergunning te beschikken, in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product heeft gedaan. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van diens persoonlijke omstandigheden, is van belang of de tussenpersoon al dan niet (i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer, (ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product, (iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product heeft geadviseerd. Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.
3.2.3.
Indien de tussenpersoon zonder vergunning advies in de hiervoor bedoelde zin heeft gegeven aan een afnemer en de aanbieder dit wist of behoorde te begrijpen, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft. Daarbij is de inhoud van het advies of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct niet meer van belang. Ook niet van belang zijn daarbij de wijze waarop de tussenpersoon zijn advies heeft verstrekt, al dan niet in de vorm van een persoonlijk financieel plan, en de omstandigheid dat (i) de afnemer had kunnen begrijpen dat de tussenpersoon met name een bepaald effectenleaseproduct wenste te verkopen, (ii) de tussenpersoon zich presenteert als deskundige op het gebied van financiële advisering, (iii) de tussenpersoon ongevraagd contact heeft gezocht met de afnemer, dan wel dat de afnemer uit eigen beweging contact heeft gezocht met de tussenpersoon, (iv) er voordien geen contact was geweest tussen de afnemer en de tussenpersoon, dan wel dat tussen hen al een relatie bestond, (v) de tussenpersoon de afnemer thuis heeft bezocht voor een gesprek, dan wel alleen telefonisch of schriftelijk contact met de afnemer heeft gehad.”
3.2.2
In deze vijf zaken ging het kort gezegd om het volgende. In de bestreden arresten gaf het hof Arnhem-Leeuwarden de stellingen van de afnemer weer en stelde het vast dat die stellingen door Dexia werden betwist. Vervolgens oordeelde het hof dat de afnemers onvoldoende hadden onderbouwd dat sprake was van advisering zoals bedoeld in de arresten B/Dexia en T/Dexia, [10] ook als veronderstellenderwijs zou worden uitgegaan van de juistheid van de door de afnemers gestelde feitelijke gang van zaken. Het hof wees de vorderingen die erop waren gebaseerd dat sprake was van dergelijke advisering, daarom af. De Hoge Raad vernietigde de arresten van het hof, omdat het hof had miskend dat in de stellingen van de afnemers besloten lag dat de verschillende adviseurs de producten hadden voorgesteld als geschikt voor de situatie van de afnemers en dat deze stellingen voldoende waren voor het oordeel dat sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling waarvoor een vergunning vereist is. [11]
3.3
In de zaak Dexia/T, waarin de Hoge Raad eveneens op 9 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:882) arrest wees, ging het niet alleen om de vraag of voldoende was gesteld om aan te nemen dat de afnemer door de tussenpersoon (Spaar Select) was geadviseerd, maar ook om de vraag of het hof kon aannemen dat Dexia bekend was of behoorde te zijn met de omstandigheid dat de tussenpersoon (Spaar Select) de afnemer had geadviseerd.
3.4.1
Het hof ’s-Hertogenbosch had in de zaak Dexia/T onder meer geoordeeld dat Dexia onvoldoende gemotiveerd had betwist dat Spaar Select de afnemer had geadviseerd om de overeenkomst met Dexia aan te gaan. Daartoe (i) gaf het hof de stellingen van de afnemer weer (rov. 3.11), (ii) overwoog het hof dat, gelet op de concrete en specifieke stellingen van de afnemer en mede gelet op de kennis van Dexia over de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select en de betrokkenheid van Dexia daarbij, het op de weg van Dexia had gelegen om de stellingen van de afnemer concreet en gemotiveerd te betwisten en (iii) oordeelde het hof dat gelet op de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select en de betrokkenheid van Dexia daarbij, en aangezien de concrete stellingen van de afnemer over hoe Spaar Select in zijn geval heeft gehandeld aansluiten bij die gebruikelijke werkwijze, het op de weg van Dexia lag om concreet toe te lichten dat en waarom in het geval van de afnemer is afgeweken van die gebruikelijke werkwijze en dat Dexia dat niet heeft gedaan (rov. 3.12). [12]
3.4.2
De tegen deze overwegingen gerichte klachten van Dexia zijn door de Hoge Raad verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro. Deze klachten hielden onder meer in:
(i) dat de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select niets zegt over de vraag of in het geval van de afnemer sprake is geweest van een advies in de zin van het arrest
B/Dexia; en
(ii) dat de vaststelling dat de stellingen van de afnemer aansluiten bij de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select, zonder enige verdere staving aan de hand van stukken, niet als grondslag kan dienen voor het oordeel dat Dexia de stellingen van de Afnemer onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, waarbij er door het middel op werd gewezen (a) dat de beweerde gebruikelijke werkwijze van Spaar Select niet altijd is gevolgd, (b) deze in het geval van de afnemer niet is gevolgd nu bij hem geen sprake is van een Persoon Financieel Plan en planning en (c) dat sprake is van blote stellingen die de afnemer pas na 16 jaar voor het eerst naar voren heeft gebracht. [13]
3.5
Ook de klachten die waren gericht tegen het oordeel van het hof over de wetenschap van Dexia werd verworpen. Daartoe overwoog de Hoge Raad in het arrest Dexia/T:
“3.1 De onderdelen 2.2 en 2.3 van het middel klagen dat het hof zijn oordeel (in rov. 3.17) dat Dexia wist of behoorde te weten dat Spaar Select voorafgaand aan het sluiten van de effectenleaseovereenkomst [de afnemer] had geadviseerd, niet heeft kunnen baseren op de gebruikelijke werkwijze en nauwe samenwerking met Spaar Select. Volgens de onderdelen zien de producties waarop het hof dit oordeel baseert, niet op enige wetenschap van Dexia ten aanzien van de relatie tussen Spaar Select en [de afnemer], en zijn de daarin gehanteerde termen te onbepaald.
3.2
Dexia heeft als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst jegens [de afnemer] onrechtmatig gehandeld indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [de afnemer] een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering van [de afnemer] door Spaar Select is daarvoor dus niet vereist. [De afnemer] heeft stukken overgelegd waaruit het hof (in rov. 3.14) – in cassatie onbestreden – heeft afgeleid dat Dexia in de periode dat [de afnemer] de overeenkomst sloot, nauw samenwerkte met Spaar Select bij de verkoop van de producten van Dexia door Spaar Select en in dat kader ermee bekend was dat Spaar Select standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan de cliënten die zij als remisier vervolgens bij Dexia aanbracht als afnemers van effectenleaseproducten. In het oordeel van het hof ligt besloten dat het hof dit gegeven heeft beschouwd als een voldoende onderbouwing van de stelling van [de afnemer] dat Dexia ook in zijn geval bekend was of behoorde te zijn met de advisering van hem door Spaar Select. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat geldt ook voor het oordeel (in rov. 3.17) dat in het licht daarvan de betwisting door Dexia dat zij op het moment dat Spaar Select [de afnemer] als cliënt bij Dexia aanbracht, van deze advisering op de hoogte was of behoorde te zijn onvoldoende is. Daarop stuiten de klachten van de onderdelen 2.2 en 2.3 af.”
3.6
Tegen deze achtergrond bespreek ik hierna de klachten van het cassatiemiddel. Ik geef eerst de relevante overwegingen van het hof weer.
De in cassatie bestreden overwegingen van het hof
3.7
De klachten van het cassatiemiddel richten zich tegen rov. 4.10-4.16. Hierin overwoog het hof:
‘‘4.10. [verweerder] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop Spaarkrediet Centrale in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder “Advisering door de tussenpersoon” in het eerste processtuk van [verweerder] in eerste aanleg. De stellingen van [verweerder] komen, samengevat, op het volgende neer. [verweerder] heeft een of meerdere persoonlijke gesprekken gevoerd met een medewerker van Spaarkrediet Centrale. Daarbij is besproken dat [verweerder] (extra) vermogen wenste op te bouwen, met welk doel, en welke middelen [verweerder] daarvoor beschikbaar zou hebben. Naar aanleiding hiervan is [verweerder] door de medewerker van Spaarkrediet Centrale geadviseerd om het specifieke effectenleaseproduct van Dexia af te nemen. Dit product was volgens de medewerker van Spaarkrediet Centrale geschikt voor de situatie van [verweerder] . [verweerder] heeft op het advies vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. Vervolgens heeft de tussenpersoon het aanvraagformulier aan [verweerder] voorgelegd en na ondertekening aan Bank Labouchere doorgestuurd, aldus [verweerder] .
4.11.
Dexia stelt dat zij niet in de positie is om voor de beoordeling relevante informatie te verschaffen. Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [verweerder] en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen betwist, omdat Dexia daarbij niet betrokken is geweest. Volgens Dexia is ook niet komen vast te staan dat Spaarkrediet Centrale heeft geïnformeerd naar de financiële situatie en doelen van [verweerder] . Daarnaast is volgens Dexia geen sprake van een vaste werkwijze van de betrokken tussenpersoon, waaruit kan worden afgeleid dat [verweerder] in dit geval geadviseerd is door de tussenpersoon. Dexia heeft verder gesteld dat de stellingen van [verweerder] onvoldoende zijn, omdat deze onderdeel zijn van een vast sjabloon van Leaseproces, de informatie volgt uit de effectenleaseovereenkomst, het aanvraagformulier en/of een visitekaartje en het gaat om herinneringen van [verweerder] aan gebeurtenissen die zich meer dan 20 jaar geleden hebben afgespeeld.
4.12.
Het hof stelt het volgende voorop. Onder verwijzing naar eerdere rechtspraak waarin dezelfde documentatie werd beoordeeld, overweegt het hof dat uit de door [verweerder] overgelegde producties het beeld naar voren komt dat het de bedrijfsopzet van Dexia was om voor (in ieder geval een deel van) de distributie van haar effectenleaseproducten tussenpersonen in te zetten die hun klanten zouden adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. In voldoende mate blijkt dat Dexia wist dan wel behoorde te begrijpen dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers regelmatig niet slechts in het algemeen over deze producten informeerden, maar de producten ook onderdeel lieten zijn van een specifiek op de persoon toegesneden advies. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruik maakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien. Dexia heeft hier geen of onvoldoende concrete feiten of omstandigheden tegenover gezet die het oordeel rechtvaardigen dat dit beeld niet overeenkomt met de werkelijke gang van zaken van destijds.
4.13.
In aanmerking genomen dat Dexia ervoor koos om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, was het ook aan Dexia om te waarborgen dat zij aan de eisen van onder meer artikel 41 NR Pro 1999 zou voldoen, door na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er geen sprake was van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon, op grond waarvan Dexia de overeenkomst met de potentiële afnemer zou moeten weigeren. Voor zover Dexia destijds niet heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon, komen de gevolgen van dit nalaten voor haar rekening en risico.
4.14.
Voor het antwoord op de vraag of de tussenpersoon in deze zaak vergunningplichtig advies heeft gegeven, brengt het voorgaande het volgende mee.
De door [verweerder] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, indien deze vast komt te staan, moet in het licht van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022 worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Anders dan Dexia stelt, zijn de stellingen van [verweerder] voldoende concreet. Uit deze stellingen volgt immers dat (i) de tussenpersoon heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [verweerder] , (ii) [verweerder] het financiële doel aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt, (iii) de tussenpersoon vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd, (iv) met welk product volgens de tussenpersoon het financiële doel van [verweerder] kon worden gerealiseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon het effectenleaseproduct aan [verweerder] heeft voorgesteld als geschikt voor [verweerder] en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling. Naar het oordeel van het hof bieden de door [verweerder] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die de gang van zaken zoals beschreven door [verweerder] bevestigen. Daarmee heeft [verweerder] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd.
4.15.
Het lag op de weg van Dexia om (meer) concreet toe te lichten dat in het onderhavige geval desondanks niet vergunningplichtig is geadviseerd. Het niet onderbouwde betoog van Dexia dat er bewijs is dat de tussenpersoon veelvuldig een andere werkwijze hanteerde dan het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling is daartoe onvoldoende. Ook de algemene betogen die zijn gericht op de wijze waarop de tussenpersoon zich aan [verweerder] heeft gepresenteerd (als adviseur), en dat de adviseur zich mogelijk ook kan hebben beperkt tot een algemene aanprijzing van het product, zijn ook onvoldoende. Dexia heeft verder ook niet weersproken dat zich in haar administratie maandoverzichten met productiecijfers bevinden waaruit de frequentie van de inschakeling van tussenpersonen blijkt. Gelet op de keus van Dexia om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, moest Dexia nagaan wat de aard van de betrokkenheid van de (op de overeenkomsten vermelde) tussenpersoon was en of er geen sprake was van vergunningplichtig advies door de tussenpersoon. Voor zover Dexia destijds niet heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningplichtig advies door de tussenpersoon, komen de gevolgen van dit nalaten voor rekening en risico van Dexia, waaronder het feit dat Dexia in deze zaak kennelijk niet in staat is om gemotiveerd te onderbouwen dat de tussenpersoon aan [verweerder] geen beleggingsadvies heeft verstrekt.
4.16.
Uit het voorgaande volgt dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [verweerder] . De tussenpersoon heeft derhalve niet volstaan met het verstrekken van algemene informatie zonder commentaar te geven of een waardeoordeel te vellen, waar Spaarkrediet Centrale als cliëntenremisier wel toe gehouden was. Daarmee is voldaan aan de door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juni 2022 geformuleerde criteria. Dexia komt niet toe aan het leveren van (nader) bewijs, omdat zij geen of onvoldoende concrete feiten of omstandigheden te bewijzen heeft aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.”
Onderdeel 1
3.8
Onderdeel 1bevat klachten in de
subonderdelen 1.1 en 1.2en richt zich tegen rov. 4.10-4.13 en 4.14.
3.9
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof in de bestreden rechtsoverwegingen onjuist althans ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat [verweerder] zijn stelling dat er is geadviseerd voldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd, omdat dat slechts is gebaseerd op de stelling van [verweerder] zelf (rov. 4.10) en op de door het hof niet nader geduide producties (rov. 4.14).
3.1
Blijkens de toelichting op de klacht (in
nr. 27van de procesinleiding) zijn de stellingen van [verweerder] duidelijk, maar is onduidelijk het in rov. 4.14 niet nader geduide oordeel dat de door [verweerder] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten bieden die de door [verweerder] beschreven gang van zaken bevestigen. Een verwijzing naar niet nader geduide producties is in elk geval onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel.
3.11
Deze klacht dient naar mijn mening te falen. Het hof heeft de stellingen van [verweerder] aangemerkt als een “concrete uiteenzetting” (rov. 4.10) en als “voldoende concreet” (rov. 4.14). Deze stellingen volstaan volgens het hof in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon het effectenleaseproduct heeft voorgesteld als geschikt voor [verweerder] . Het hof heeft daarbij getoetst aan de door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 geformuleerde criteria (rov. 4.14). Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefden geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.
Onder verwijzing naar de door [verweerder] overgelegde producties overweegt het hof in rov. 4.14 voorts dat [verweerder] de stelling dat is geadviseerd voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Het hof heeft hiermee het oog op de in rov. 4.12 bedoelde producties waaruit het hof afleidt dat het de bedrijfsopzet van Dexia was om voor (in ieder geval een deel van) de distributie van haar effectenleaseproducten tussenpersonen in te zetten die hun klanten zouden adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Anders dan de klacht veronderstelt, is daarom geen sprake van niet nader geduide producties. Het subonderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. [14] Deze producties bieden volgens het hof voldoende aanknopingspunten die de gang van zaken zoals door [verweerder] beschreven, bevestigen. Hiermee brengt het hof tot uitdrukking dat de stellingen van [verweerder] over de advisering door de tussenpersoon in zijn geval aansluiten bij de door het hof bedoelde bedrijfsopzet van Dexia. Dit oordeel van hof is feitelijk van aard en behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.
3.12
Subonderdeel 1.2klaagt
in de eerste plaats(in
nrs. 28-32) dat het hof in rov. 4.10-4.16 onjuist althans ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat Dexia haar betoog dat in dit geval niet vergunningplichtig is geadviseerd, onvoldoende heeft onderbouwd.
Dexia heeft immers de gestelde vaste werkwijze van de tussenpersoon en dat in het geval van [verweerder] een gepersonaliseerde aanbeveling is gedaan, gemotiveerd betwist door uitdrukkelijk aan te voeren dat het afgenomen product niet is aanbevolen als geschikt voor [verweerder] en ook niet is aanbevolen op basis van een afweging van zijn financiële situatie en beleggingsdoelen (
nr. 28). Dexia heeft concreet weersproken dat Spaarkrediet Centrale een vaste werkwijze hanteerde (
nr. 31). [15] Dexia heeft erop gewezen dat [verweerder] heeft gesteld dat hem niet naar zijn financiële situatie en doelen is gevraagd (
nrs. 29, 30 en 31).
Anders dan het hof oordeelde in rov. 4.15, heeft Dexia zich dus niet beperkt tot het betoog dat de tussenpersoon veelvuldig een andere werkwijze hanteerde en dat het zich presenteren als adviseur onvoldoende is en tot een weerspreking van de maandoverzichten (
nr. 31). Dexia heeft aangeboden om die betwistingen te voorzien van tegenbewijs door het horen van [verweerder] als getuige, alsmede de bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken medewerker van Spaarkrediet Centrale. Niet valt in te zien wat er van Dexia in redelijkheid nog meer mocht worden verwacht (
nr. 32).
3.13
Ik stel voorop dat de beoordeling of bepaalde stellingen voldoende (gemotiveerd) zijn betwist, in beginsel is voorbehouden aan het hof als feitenrechter. [16]
3.14.1
Wat betreft de stellingen van [verweerder] heeft het hof, kort gezegd (in rov. 4.10, 4.12 en 4.14) geoordeeld dat [verweerder] de stelling dat is geadviseerd voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd (zie hiervoor in 3.11).
3.14.2
Wat betreft de stellingen van Dexia heeft het hof als volgt overwogen.
Het hof heeft in rov. 4.11 de door het subonderdeel bedoelde stellingen van Dexia – dat niet is komen vast te staan dat Spaarkrediet Centrale heeft geïnformeerd naar de financiële situatie en doelen van [verweerder] en dat geen sprake was van een vaste werkwijze − voorop gesteld.
Het hof heeft in rov. 4.12 overwogen dat het de bedrijfsopzet van Dexia was om voor (in ieder geval een deel van) de distributie van haar effectenleaseproducten tussenpersonen in te zetten die hun klanten zouden adviseren een effectenleaseproduct af te nemen; dat in voldoende mate blijkt dat Dexia wist dan wel behoorde te begrijpen dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers regelmatig niet slechts in het algemeen over deze producten informeerden, maar de producten ook onderdeel lieten zijn van een specifiek op de persoon toegesneden advies; en dat Dexia hier geen of onvoldoende concrete feiten of omstandigheden tegenover heeft gezet die het oordeel rechtvaardigen dat dit beeld niet overeenkomt met de werkelijke gang van zaken van destijds. Het hof heeft hieraan in rov. 4.13 het oordeel verbonden dat het aan Dexia was om te waarborgen dat zij aan de eisen van onder meer artikel 41 NR Pro 1999 zou voldoen, door na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was. Voor zover Dexia destijds niet heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon, komen de gevolgen van dit nalaten voor haar rekening en risico, aldus het hof.
In het licht van deze overwegingen heeft het hof in rov. 4.15 geoordeeld dat het op de weg van Dexia lag om – tegenover de eerder door het hof beoordeelde stellingen van [verweerder] − (meer) concreet toe te lichten dat in het onderhavige geval desondanks niet vergunningplichtig is geadviseerd. Voor zover Dexia destijds niet heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningplichtig advies door de tussenpersoon, komen de gevolgen van dit nalaten voor rekening en risico van Dexia, waaronder het feit dat Dexia in deze zaak kennelijk niet in staat is om gemotiveerd te onderbouwen dat de tussenpersoon aan [verweerder] geen beleggingsadvies heeft verstrekt, aldus het hof.
3.15
Hieruit volgt dat het hof, anders dan het subonderdeel veronderstelt, zich niet heeft beperkt tot een beoordeling van de in rov. 4.15 genoemde stellingen van Dexia ter betwisting van de stellingen van [verweerder] . Het hof heeft immers in rov. 4.11 de door het subonderdeel bedoelde stellingen van Dexia voorop gesteld. Het hof heeft die stellingen vervolgens in rov. 4.12-4.15 beoordeeld en onvoldoende bevonden. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag.
3.16
Dexia beroept zich er in dit verband vergeefs op dat [verweerder] heeft gesteld dat hem niet naar zijn financiële situatie en doelen is gevraagd.
Blijkens rov. 4.10 heeft het hof zich voor wat betreft de stellingen van [verweerder] over de bemiddeling door Spaarkrediet Centrale gebaseerd op de stellingen van [verweerder] in diens eerste processtuk in eerste aanleg onder het kopje “Advisering door de tussenpersoon”. Dit zijn de stellingen in de conclusie van antwoord nrs. 19-28. Het hof heeft deze stellingen samengevat weergegeven in rov. 4.10 en in rov. 4.1.4 geoordeeld dat uit deze stellingen, indien deze komen vast te staan, volgt dat de tussenpersoon heeft geadviseerd.
heeft in de conclusie van antwoord nr. 98, waarnaar de klacht verwijst, [17] betoogd dat Dexia in strijd met art. 41 NR Pro heeft gehandeld doordat de niet-bevoegde tussenpersoon een specifiek beleggingsadvies heeft gegeven. [verweerder] heeft daaraan toegevoegd, kort gezegd, dat het advies ondeugdelijk was omdat niet was geïnformeerd naar zijn risicobereidheid en de adviezen niet waren afgestemd op de financiële positie, doelstelling, beleggingservaring en risicobereidheid van [verweerder] .
Dexia beroept zich in cassatie op die toevoeging, maar de kwaliteit van het advies is niet relevant voor de vraag of (voldoende is gesteld dat) is geadviseerd (zie de hiervoor in 3.2.1 bedoelde arresten van de Hoge Raad van 9 juni 2023, rov. 3.2.3). Het hof behoefde daar dus niet afzonderlijk op in te gaan.
3.17
In het licht van het voorgaande faalt de motiveringsklacht van het subonderdeel tegen het oordeel van het hof dat Dexia haar betoog dat in dit geval niet vergunningplichtig is geadviseerd, onvoldoende heeft onderbouwd. Het oordeel van het hof geeft ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zoals hierna zal blijken.
3.18
Subonderdeel 1.2klaagt
in de tweede plaats(in
nrs. 33-34) dat rechtens onjuist is dat het hof de omvang van de betwistplicht van Dexia heeft ingevuld op basis van informatie waarover zij niet daadwerkelijk beschikt, maar volgens het hof zou hebben beschikt als zij aan een bepaalde (en vermeende) materiële rechtsplicht uitvoering had gegeven, namelijk om destijds bij Spaarkrediet Centrale onderzoek te doen naar hetgeen was voorgevallen in het verkeer met [verweerder] . Bij beantwoording van de vraag of een partij de stellingen van haar wederpartij voldoende gemotiveerd betwist heeft, mag volgens de klacht slechts belang toekomen aan de informatie waarover eerstgenoemde partij daadwerkelijk of beschikt of moet beschikken, dat laatste in die zin dat het niet anders kan dan dat die partij over die informatie beschikt.
Het nalaten van het destijds inwinnen van dergelijke informatie wordt door het hof bestraft met het voor waar aannemen van de stellingen van [verweerder] . Dit verzuim behoort volgens de klacht niet tot gevolg te hebben dat een procespartij het recht wordt ontzegd de ware toedracht boven water te halen.
Indien en voor zover Dexia al gehouden zou zijn om het door het hof in rov. 4.15 en 4.20 bedoelde onderzoek naar de aard van de betrokkenheid van Spaarkrediet Centrale te doen, dan ligt voor de hand dat Dexia te horen zou hebben gekregen dat niet is gevraagd naar de financiële situatie en doelen van [verweerder] en er geen gepersonaliseerde aanbeveling is gedaan. Dexia had dan ook niet anders of meer kunnen doen dan de door [verweerder] gestelde feiten te betwisten op de wijze waarop zij dat thans heeft gedaan. Daarmee was de betwis-ting voldoende, aldus het subonderdeel.
3.19
Het hof heeft, kort gezegd, overwogen dat het de bedrijfsopzet van Dexia was om voor (in ieder geval een deel van) de distributie van haar effectenleaseproducten tussenpersonen in te zetten die hun klanten zouden adviseren en dat Dexia wist dan wel behoorde te begrijpen dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers regelmatig onderdeel lieten zijn van een specifiek op de persoon toegesneden advies (rov. 4.12); dat het aan Dexia was om te waarborgen dat zij aan de eisen van artikel 41 NR Pro 1999 zou voldoen door na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was (rov. 4.13); en dat het op de weg van Dexia lag (meer) concreet toe te lichten dat in het onderhavige geval desondanks niet vergunningplichtig is geadviseerd (rov. 4.15).
In rov. 4.20 heeft het hof naar deze overwegingen verwezen. Het hof heeft daaraan toegevoegd dat er geen of onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht waaruit volgt dat Dexia niet heeft kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven, indien zij de aard en betrokkenheid van de tussenpersoon zou hebben onderzocht. Voor zover zij dit niet wist, komt dit voor haar rekening, aldus het hof..
3.2
Anders dan de klacht tot uitgangspunt neemt, heeft het hof hiermee geen rechtsregel geschonden. De eisen die aan de betwisting van de stellingen van de wederpartij kunnen worden gesteld, zijn afhankelijk van de omstandigheden, zoals de mate waarin de wederpartij haar stellingen heeft geconcretiseerd en eventueel reeds heeft onderbouwd. [18] In dat kader kan ook relevant zijn in hoeverre Dexia redelijkerwijs in staat was om haar betwisting nader te motiveren en te onderbouwen. [19]
3.21
Anders dan het subonderdeel betoogt, heeft het hof niet aan het verzuim van Dexia om bepaalde informatie in te winnen de sanctie verbonden van de aanname dat die informatie, als zij was ingewonnen, een voor de afnemer gunstige inhoud zou hebben gehad. Het hof heeft (in rov. 4.13, 4.15 en 4.20) uiteengezet waarom het voor risico en rekening van Dexia komt dat zij, naar zij stelt, haar betwisting niet kan concretiseren.
Het hof heeft ook geen oordeel gegeven over wat Dexia te horen zou hebben gekregen indien zij destijds navraag had gedaan bij Spaarkrediet Centrale. Het hof heeft slechts overwogen (in rov. 4.20) dat er geen of onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht waaruit volgt dat Dexia niet heeft kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven, indien zij de aard en betrokkenheid van de tussenpersoon zou hebben onderzocht.
Hetgeen de klacht op deze punten aanvoert, mist feitelijke grondslag in de bestreden uitspraak.
3.22
De klachten van
subonderdeel 1.2slagen niet.
Onderdeel 2
3.23
Onderdeel 2klaagt onder verwijzing naar
onderdeel 1dat het hof in rov. 4.14-4.16 onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat [verweerder] een gepersonaliseerde aanbeveling is gedaan en dat hij vergunningplichtig is geadviseerd.
3.24
Deze klacht bouwt voor op onderdeel 1 en deelt het lot van dat onderdeel. De klacht slaagt daarom niet.
Onderdeel 3
3.25
Onderdeel 3klaagt (in
nrs. 36-39) dat het hof in rov. 4.10-4.16 ten onrechte en/of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat Dexia niet toekomt aan het leveren van (nader) bewijs omdat zij geen of onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.
Dexia heeft immers gemotiveerd betwist dat er geen vaste werkwijze van de tussenpersoon was en Dexia heeft ter zake relevant tegenbewijs aangeboden door het horen van [verweerder] en de betrokken medewerker van Spaarkrediet Centrale. Niet valt in te zien wat Dexia in redelijkheid nog meer zou moeten aanvoeren ter onderbouwing van haar betwistingen van de stellingen van [verweerder] dat het door hem afgenomen product specifiek is aangeboden op basis van zijn financiële situatie en doelen (
nr. 36).
In dat kader is mede van belang dat [verweerder] aanvankelijk heeft betoogd dat hem niet is gevraagd naar zijn financiële situatie en doelen en dat hij, naar aanleiding van het Hoge Raad arrest van 10 juni 2022 opeens heeft gesteld dat nu juist wel zou zijn gevraagd naar zijn financiële situatie en doelen. Deze opvallende tournure had het hof moeten nopen om Dexia toe te laten tot het leveren van tegenbewijs, met name nu het hof in rov. 4.14 de stellingen van [verweerder] als vaststaand heeft aangenomen, terwijl deze in strijd zijn met eerdere stellingen in de conclusie van antwoord en conclusie van dupliek (
nrs. 37-38).
Hiermee is ook het recht van Dexia op een eerlijk proces geschonden. Immers, met de onjuiste/onbegrijpelijke oordelen dat (i) vergunningplichtig is geadviseerd en/of (ii) Dexia de door [verweerder] (te dien aanzien) gestelde feiten onvoldoende heeft betwist werd deze niet toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Daarmee is haar ten onrechte de mogelijkheid onthouden om het hof te overtuigen dat er in dit concrete geval niet vergunningplichtig is geadviseerd (
nr. 39).
3.26
Deze klachten dienen naar mijn mening te falen.
3.27
Voor zover het onderdeel in
nr. 36aanvoert dat Dexia gemotiveerd heeft betwist dat er geen vaste werkwijze van de tussenpersoon was, faalt de klacht op de gronden die zijn besproken bij
subonderdeel 1.2.
3.28
Dit wordt niet anders in het licht van de in de klacht in
nrs. 37-38bedoelde tournure in het standpunt van [verweerder] .
In de conclusie van antwoord nr. 21 stelt [verweerder] dat hij in het gesprek aangaf een “appeltje voor de dorst” te willen opbouwen, en dat de adviseur aangaf een geschikte constructie voor [verweerder] te hebben om zijn wensen realiseren (de Direct Rendement Effect overeenkomst) en adviseerde om maandelijks in te leggen in het product uit zijn salaris. In de conclusie van antwoord nr. 98 stelt [verweerder] dat de adviezen niet waren
afgestemdop zijn financiële positie, doelstelling, beleggingservaring en risicobereidheid.
In de conclusie van dupliek nr. 56 bestrijdt [verweerder] de stelling van Dexia dat zijn persoonlijke financiële situatie niet in kaart is gebracht. Daartoe wijst hij erop dat de adviseur hem heeft geadviseerd de inleg te betalen uit zijn salaris. Daaraan verbindt hij onder verwijzing naar de conclusie van antwoord de conclusie dat de adviseur heeft geadviseerd op basis van zijn persoonlijke financiële situatie en wensen.
Zoals hiervoor (in 3.16) is vermeld, heeft het hof zich in rov. 4.10 gebaseerd op de stellingen van de [verweerder] in de conclusie van antwoord nrs. 19-28. [20] Het hof heeft in door de klacht bedoelde delen van de conclusie van antwoord en de conclusie van dupliek kennelijk geen reden gezien om te twijfelen aan de stellingen in de conclusie van antwoord nrs. 19-28. Dat is niet onbegrijpelijk. Zoals hiervoor (in 3.16) is vermeld, heeft het hof zich in rov. 4.10 gebaseerd op de stellingen van de [verweerder] in de conclusie van antwoord nrs. 19-28 (en dus niet op de stelling in de conclusie van antwoord nr. 98). De stelling in de conclusie van dupliek nr. 56 berust slechts op het in de conclusie van antwoord in nr. 21 reeds genoemde advies de inleg uit het salaris te betalen. [21]
3.29
Anders dan het onderdeel betoogt, is het recht van Dexia op een eerlijk proces niet geschonden. In de zaak Dombo/Nederland heeft het EHRM overwogen dat het in art. 6 EVRM Pro verankerde recht op een eerlijke proces impliceert dat elke partij een redelijke gelegenheid moet krijgen om zijn zaak, inclusief zijn bewijs, te presenteren onder omstandigheden die hem niet wezenlijk te benadelen ten opzichte van zijn wederpartij. [22] Het recht op een eerlijk proces impliceert als zodanig reeds dat de rechter de stellingen en bewijsaanbiedingen van een partij serieus neemt [23] en dus respondeert op een verzoek om tot bewijslevering te worden toegelaten. [24] Het recht op bewijs is echter niet absoluut of onvoorwaardelijk. Het is aan het nationale recht en de nationale rechter om regels te stellen aan de toelaatbaarheid van het bewijs en de wijze waarop het bewijs beoordeeld moet worden. [25] Op grond van art. 149 Rv Pro kan – ingeval een van de partijen (in dit geval [verweerder] ) aan zijn stelplicht heeft voldaan – pas aan (eventuele) bewijslevering worden toegekomen, indien de wederpartij (in dit geval Dexia) de naar voren gebrachte feiten voldoende gemotiveerd heeft betwist. [26] Van voldoende gemotiveerde betwisting aan de zijde van Dexia was volgens het hof geen sprake, zodat het hof aan de bewijslevering aan de zijde van Dexia niet is toegekomen. Daarom faalt ook de klacht (in
nr. 36) dat Dexia ter zake relevant tegenbewijs heeft aangeboden. [27]
Onderdeel 4
3.3
Onderdeel 4klaagt dat indien en voor zover zou moeten worden geoordeeld dat de bewijslast in dezen niet op [verweerder] , maar op Dexia zou rusten, het hof in rov. 4.10-4.16 heeft miskend dat Dexia voldoende heeft gesteld ter onderbouwing van haar stelling dat met hetgeen zij reeds aan [verweerder] had voldaan, [verweerder] geen vordering meer op Dexia had, om te worden toegelaten tot de bewijslevering, althans is het oordeel van het hof in dat opzicht onbegrijpelijk te noemen.
3.31
Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij uitgaat van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft niet geoordeeld dat de bewijslast in dezen op Dexia rust. Het hof heeft geoordeeld dat hetgeen Dexia in het kader van haar betwisting naar voren heeft gebracht, onvoldoende is in het licht van de gemotiveerde stellingname van [verweerder] .
Onderdeel 5; slotsom
3.32
De veegklacht van
onderdeel 5, inhoudende dat met het slagen van bovenstaande klachten ook rov. 4.21-4.24 en het daaraan ontleende dictum (rov. 5) geen stand kunnen houden, faalt in het spoor van bovenstaande klachten.
3.33
De slotsom is dat geen van de voorgestelde onderdelen doel treft, zodat het cassatieberoep dient te worden verworpen.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Plv.

Voetnoten

1.Zie HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, NJ 2017/9 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2016/274 m.nt. C.W.M. Lieverse (B/Dexia), rov. 5.7 en 6.2.3. Zie ook HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, NJ 2019/98 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2018/305 m.nt. C.W.M. Lieverse (T/Dexia), rov. 3.6.4.
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862, NJ 2022/342 m.nt. M. Haentjens, JOR 2022/177 m.nt. C.W.M. Lieverse, AB 2022/328 m.nt. R. Stijnen, rov. 2.10.13-2.10.16
3.HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:880, 884-886 en 889, rov. 3.2.1-3.2.3.
4.Zie hiervoor bijvoorbeeld procesinleiding nrs. 7 en 36, schriftelijke repliek nrs. 11 en 15-18.
5.Zie hiervoor bijvoorbeeld procesinleiding nrs. 18-20, schriftelijke repliek nrs. 3-5 en 25.
6.Vergelijk het vonnis van de rechtbank Limburg van 29 juni 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:3891, rov. 2.1-2.4.
7.Hof ’s-Hertogenbosch 10 december 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3922 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
8.De inhoud van nrs. 3.2.1-3.5 is overgenomen uit de nrs. 3.3.1 e.v. van mijn conclusies (ECLI:NL:PHR:2024:332 en 333) voor HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:715 en 716.
9.HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:880, 884-886 en 889 (Afnemers/Dexia), rov. 3.2.1-3.2.3 (voetnoten weggelaten). Zie reeds HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862, NJ 2022/342 m.nt. M. Haentjens, JOR 2022/177 m.nt. C.W.M. Lieverse, AB 2022/328 m.nt. R. Stijnen, rov. 2.10.13-2.10.16 (Dexia/Y). Voor een meer uitgebreide weergave van het juridisch kader verwijs ik naar mijn conclusies van 24 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:236-240, nrs. 3.2-3.8.
10.Zie HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 (
11.Zie HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:880, 884-886 en 889, rov. 3.3.
12.Zie de conclusie voor het arrest Dexia/T (ECLI:NL:PHR:2023:241) onder 3.7.2.
13.Zie de conclusie voor het arrest Dexia/T (ECLI:NL:PHR:2023:241) onder 3.10 en 3.12.
14.Hierop wordt ook gewezen in de schriftelijke toelichting namens [verweerder] nr. 8.
15.Zie de procesinleiding nr. 22 voor verwijzingen naar vindplaatsen in de processtukken.
16.Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/157; A.E.H. van der Voort Maarschalk, ‘De toetsing in cassatie’, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, 2020, nr. 68-69.
17.Zie hiervoor ook nog de procesinleiding nrs. 18-19 en 22 met verwijzing naar de conclusie van antwoord nrs. 20, 96 en 98 en de conclusie van dupliek nrs. 30, 32, 47, 54, 56 en 58 voor de stellingen van [verweerder] en de conclusie van repliek nrs. 28. 29, 31, 33 en 35 en de memorie van grieven nrs. 18, 34 en 51 voor de stellingen van Dexia.
18.Vgl. V. van den Brink, ‘Stellen, betwisten, bewijzen – een handleiding, TvPP 2008/4, par. 4.1-4.2; M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis 2020, par. 3.4.2, 3.4.4, 3.5.2 en 11.7.1; B.T.M. van der Wiel, in: H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk 2025, p. 86-93; D.J. Beenders, T&C Rv, art. 149 Rv Pro, aant. 2c (actueel tot en met 1 oktober 2025); G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 149 Rv Pro, aant. 3 (actueel t/m 16-01-2026). Zie voorts de conclusie van A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2020:453 onder 3.5-3.8.
19.Vgl. ook mijn conclusie nrs. 3.17.2 en 3.19.2 voor HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:715.
20.Hierop wordt ook gewezen in de schriftelijke toelichting namens [verweerder] nr. 8.
21.De klacht verwijst ook naar andere delen van de conclusie van dupliek, maar die delen doen niet toe of af aan het gestelde in de hoofdtekst. In die delen van de conclusie van dupliek stelt [verweerder] dat een onderzoeksplicht is geschonden (nr. 30), dat hij zijn financiële positie en doelstelling kenbaar heeft gemaakt (nr. 47), betwist hij dat slechts sprake was van aanprijzen van een product (nr. 54) en stelt hij dat irrelevant is of betaald is voor het advies (nr. 57).
22.Zie onder meer EHRM 27 oktober 1993, nr. 14448/88,
23.Zie onder meer EHRM 19 april 1994, nr. 16034/90, NJ 1995/462 m.nt. E.A. Alkema (Van de Hurk/Nederland), rov. 59; EHRM 12 juni 2003, no. 35968/97, EHRC 2003/61 m.nt. J.H. Gerards (Van Kück/Duitsland), rov. 48.
24.Vgl. EHRM 3 mei 2007, nr. 7577/02 (Bochan/Oekraïne), rov. 82.
25.Zie onder meer EHRM 12 juli 1988, nr. 10862/84, NJ 1988.851 m.nt. E.A. Alkema (Schenk/Zwitserland), rov. 46; EHRM 21 januari 1999, nr. 30544/96, JB 1999/42 m.nt. A.W. Heringa (Garcia Ruiz/Spanje), rov. 28; EHRM 1 juni 2023, nr. 19750/13 (Grosham/Tsjechië), rov. 131-134.
26.Zie ook P. Smits, Artikel 6 EVRM Pro en de civiele procedure;, 2008, p.132-133.
27.Hierop wordt ook gewezen in de schriftelijke toelichting namens [verweerder] nr. 12. Het bewijsaanbod wordt weergeven in de procesinleiding nr. 23 en de schriftelijke repliek nr. 7.