Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdelen 1 tot en met 4klagen over het oordeel (dat Dexia onvoldoende heeft betwist) dat Spaarkrediet Centrale vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [verweerder] .
Onderdeel 5bevat een veegklacht.
(i) dat de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select niets zegt over de vraag of in het geval van de afnemer sprake is geweest van een advies in de zin van het arrest
B/Dexia; en
(ii) dat de vaststelling dat de stellingen van de afnemer aansluiten bij de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select, zonder enige verdere staving aan de hand van stukken, niet als grondslag kan dienen voor het oordeel dat Dexia de stellingen van de Afnemer onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, waarbij er door het middel op werd gewezen (a) dat de beweerde gebruikelijke werkwijze van Spaar Select niet altijd is gevolgd, (b) deze in het geval van de afnemer niet is gevolgd nu bij hem geen sprake is van een Persoon Financieel Plan en planning en (c) dat sprake is van blote stellingen die de afnemer pas na 16 jaar voor het eerst naar voren heeft gebracht. [13]
subonderdelen 1.1 en 1.2en richt zich tegen rov. 4.10-4.13 en 4.14.
nr. 27van de procesinleiding) zijn de stellingen van [verweerder] duidelijk, maar is onduidelijk het in rov. 4.14 niet nader geduide oordeel dat de door [verweerder] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten bieden die de door [verweerder] beschreven gang van zaken bevestigen. Een verwijzing naar niet nader geduide producties is in elk geval onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel.
Onder verwijzing naar de door [verweerder] overgelegde producties overweegt het hof in rov. 4.14 voorts dat [verweerder] de stelling dat is geadviseerd voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Het hof heeft hiermee het oog op de in rov. 4.12 bedoelde producties waaruit het hof afleidt dat het de bedrijfsopzet van Dexia was om voor (in ieder geval een deel van) de distributie van haar effectenleaseproducten tussenpersonen in te zetten die hun klanten zouden adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Anders dan de klacht veronderstelt, is daarom geen sprake van niet nader geduide producties. Het subonderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. [14] Deze producties bieden volgens het hof voldoende aanknopingspunten die de gang van zaken zoals door [verweerder] beschreven, bevestigen. Hiermee brengt het hof tot uitdrukking dat de stellingen van [verweerder] over de advisering door de tussenpersoon in zijn geval aansluiten bij de door het hof bedoelde bedrijfsopzet van Dexia. Dit oordeel van hof is feitelijk van aard en behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.
in de eerste plaats(in
nrs. 28-32) dat het hof in rov. 4.10-4.16 onjuist althans ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat Dexia haar betoog dat in dit geval niet vergunningplichtig is geadviseerd, onvoldoende heeft onderbouwd.
Dexia heeft immers de gestelde vaste werkwijze van de tussenpersoon en dat in het geval van [verweerder] een gepersonaliseerde aanbeveling is gedaan, gemotiveerd betwist door uitdrukkelijk aan te voeren dat het afgenomen product niet is aanbevolen als geschikt voor [verweerder] en ook niet is aanbevolen op basis van een afweging van zijn financiële situatie en beleggingsdoelen (
nr. 28). Dexia heeft concreet weersproken dat Spaarkrediet Centrale een vaste werkwijze hanteerde (
nr. 31). [15] Dexia heeft erop gewezen dat [verweerder] heeft gesteld dat hem niet naar zijn financiële situatie en doelen is gevraagd (
nrs. 29, 30 en 31).
Anders dan het hof oordeelde in rov. 4.15, heeft Dexia zich dus niet beperkt tot het betoog dat de tussenpersoon veelvuldig een andere werkwijze hanteerde en dat het zich presenteren als adviseur onvoldoende is en tot een weerspreking van de maandoverzichten (
nr. 31). Dexia heeft aangeboden om die betwistingen te voorzien van tegenbewijs door het horen van [verweerder] als getuige, alsmede de bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken medewerker van Spaarkrediet Centrale. Niet valt in te zien wat er van Dexia in redelijkheid nog meer mocht worden verwacht (
nr. 32).
Het hof heeft in rov. 4.11 de door het subonderdeel bedoelde stellingen van Dexia – dat niet is komen vast te staan dat Spaarkrediet Centrale heeft geïnformeerd naar de financiële situatie en doelen van [verweerder] en dat geen sprake was van een vaste werkwijze − voorop gesteld.
Het hof heeft in rov. 4.12 overwogen dat het de bedrijfsopzet van Dexia was om voor (in ieder geval een deel van) de distributie van haar effectenleaseproducten tussenpersonen in te zetten die hun klanten zouden adviseren een effectenleaseproduct af te nemen; dat in voldoende mate blijkt dat Dexia wist dan wel behoorde te begrijpen dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers regelmatig niet slechts in het algemeen over deze producten informeerden, maar de producten ook onderdeel lieten zijn van een specifiek op de persoon toegesneden advies; en dat Dexia hier geen of onvoldoende concrete feiten of omstandigheden tegenover heeft gezet die het oordeel rechtvaardigen dat dit beeld niet overeenkomt met de werkelijke gang van zaken van destijds. Het hof heeft hieraan in rov. 4.13 het oordeel verbonden dat het aan Dexia was om te waarborgen dat zij aan de eisen van onder meer artikel 41 NR Pro 1999 zou voldoen, door na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was. Voor zover Dexia destijds niet heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon, komen de gevolgen van dit nalaten voor haar rekening en risico, aldus het hof.
In het licht van deze overwegingen heeft het hof in rov. 4.15 geoordeeld dat het op de weg van Dexia lag om – tegenover de eerder door het hof beoordeelde stellingen van [verweerder] − (meer) concreet toe te lichten dat in het onderhavige geval desondanks niet vergunningplichtig is geadviseerd. Voor zover Dexia destijds niet heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningplichtig advies door de tussenpersoon, komen de gevolgen van dit nalaten voor rekening en risico van Dexia, waaronder het feit dat Dexia in deze zaak kennelijk niet in staat is om gemotiveerd te onderbouwen dat de tussenpersoon aan [verweerder] geen beleggingsadvies heeft verstrekt, aldus het hof.
Blijkens rov. 4.10 heeft het hof zich voor wat betreft de stellingen van [verweerder] over de bemiddeling door Spaarkrediet Centrale gebaseerd op de stellingen van [verweerder] in diens eerste processtuk in eerste aanleg onder het kopje “Advisering door de tussenpersoon”. Dit zijn de stellingen in de conclusie van antwoord nrs. 19-28. Het hof heeft deze stellingen samengevat weergegeven in rov. 4.10 en in rov. 4.1.4 geoordeeld dat uit deze stellingen, indien deze komen vast te staan, volgt dat de tussenpersoon heeft geadviseerd.
heeft in de conclusie van antwoord nr. 98, waarnaar de klacht verwijst, [17] betoogd dat Dexia in strijd met art. 41 NR Pro heeft gehandeld doordat de niet-bevoegde tussenpersoon een specifiek beleggingsadvies heeft gegeven. [verweerder] heeft daaraan toegevoegd, kort gezegd, dat het advies ondeugdelijk was omdat niet was geïnformeerd naar zijn risicobereidheid en de adviezen niet waren afgestemd op de financiële positie, doelstelling, beleggingservaring en risicobereidheid van [verweerder] .
Dexia beroept zich in cassatie op die toevoeging, maar de kwaliteit van het advies is niet relevant voor de vraag of (voldoende is gesteld dat) is geadviseerd (zie de hiervoor in 3.2.1 bedoelde arresten van de Hoge Raad van 9 juni 2023, rov. 3.2.3). Het hof behoefde daar dus niet afzonderlijk op in te gaan.
in de tweede plaats(in
nrs. 33-34) dat rechtens onjuist is dat het hof de omvang van de betwistplicht van Dexia heeft ingevuld op basis van informatie waarover zij niet daadwerkelijk beschikt, maar volgens het hof zou hebben beschikt als zij aan een bepaalde (en vermeende) materiële rechtsplicht uitvoering had gegeven, namelijk om destijds bij Spaarkrediet Centrale onderzoek te doen naar hetgeen was voorgevallen in het verkeer met [verweerder] . Bij beantwoording van de vraag of een partij de stellingen van haar wederpartij voldoende gemotiveerd betwist heeft, mag volgens de klacht slechts belang toekomen aan de informatie waarover eerstgenoemde partij daadwerkelijk of beschikt of moet beschikken, dat laatste in die zin dat het niet anders kan dan dat die partij over die informatie beschikt.
Het nalaten van het destijds inwinnen van dergelijke informatie wordt door het hof bestraft met het voor waar aannemen van de stellingen van [verweerder] . Dit verzuim behoort volgens de klacht niet tot gevolg te hebben dat een procespartij het recht wordt ontzegd de ware toedracht boven water te halen.
Indien en voor zover Dexia al gehouden zou zijn om het door het hof in rov. 4.15 en 4.20 bedoelde onderzoek naar de aard van de betrokkenheid van Spaarkrediet Centrale te doen, dan ligt voor de hand dat Dexia te horen zou hebben gekregen dat niet is gevraagd naar de financiële situatie en doelen van [verweerder] en er geen gepersonaliseerde aanbeveling is gedaan. Dexia had dan ook niet anders of meer kunnen doen dan de door [verweerder] gestelde feiten te betwisten op de wijze waarop zij dat thans heeft gedaan. Daarmee was de betwis-ting voldoende, aldus het subonderdeel.
In rov. 4.20 heeft het hof naar deze overwegingen verwezen. Het hof heeft daaraan toegevoegd dat er geen of onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht waaruit volgt dat Dexia niet heeft kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven, indien zij de aard en betrokkenheid van de tussenpersoon zou hebben onderzocht. Voor zover zij dit niet wist, komt dit voor haar rekening, aldus het hof..
Het hof heeft ook geen oordeel gegeven over wat Dexia te horen zou hebben gekregen indien zij destijds navraag had gedaan bij Spaarkrediet Centrale. Het hof heeft slechts overwogen (in rov. 4.20) dat er geen of onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht waaruit volgt dat Dexia niet heeft kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven, indien zij de aard en betrokkenheid van de tussenpersoon zou hebben onderzocht.
Hetgeen de klacht op deze punten aanvoert, mist feitelijke grondslag in de bestreden uitspraak.
subonderdeel 1.2slagen niet.
onderdeel 1dat het hof in rov. 4.14-4.16 onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat [verweerder] een gepersonaliseerde aanbeveling is gedaan en dat hij vergunningplichtig is geadviseerd.
nrs. 36-39) dat het hof in rov. 4.10-4.16 ten onrechte en/of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat Dexia niet toekomt aan het leveren van (nader) bewijs omdat zij geen of onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.
Dexia heeft immers gemotiveerd betwist dat er geen vaste werkwijze van de tussenpersoon was en Dexia heeft ter zake relevant tegenbewijs aangeboden door het horen van [verweerder] en de betrokken medewerker van Spaarkrediet Centrale. Niet valt in te zien wat Dexia in redelijkheid nog meer zou moeten aanvoeren ter onderbouwing van haar betwistingen van de stellingen van [verweerder] dat het door hem afgenomen product specifiek is aangeboden op basis van zijn financiële situatie en doelen (
nr. 36).
nrs. 37-38).
nr. 39).
nr. 36aanvoert dat Dexia gemotiveerd heeft betwist dat er geen vaste werkwijze van de tussenpersoon was, faalt de klacht op de gronden die zijn besproken bij
subonderdeel 1.2.
nrs. 37-38bedoelde tournure in het standpunt van [verweerder] .
In de conclusie van antwoord nr. 21 stelt [verweerder] dat hij in het gesprek aangaf een “appeltje voor de dorst” te willen opbouwen, en dat de adviseur aangaf een geschikte constructie voor [verweerder] te hebben om zijn wensen realiseren (de Direct Rendement Effect overeenkomst) en adviseerde om maandelijks in te leggen in het product uit zijn salaris. In de conclusie van antwoord nr. 98 stelt [verweerder] dat de adviezen niet waren
afgestemdop zijn financiële positie, doelstelling, beleggingservaring en risicobereidheid.
In de conclusie van dupliek nr. 56 bestrijdt [verweerder] de stelling van Dexia dat zijn persoonlijke financiële situatie niet in kaart is gebracht. Daartoe wijst hij erop dat de adviseur hem heeft geadviseerd de inleg te betalen uit zijn salaris. Daaraan verbindt hij onder verwijzing naar de conclusie van antwoord de conclusie dat de adviseur heeft geadviseerd op basis van zijn persoonlijke financiële situatie en wensen.
Zoals hiervoor (in 3.16) is vermeld, heeft het hof zich in rov. 4.10 gebaseerd op de stellingen van de [verweerder] in de conclusie van antwoord nrs. 19-28. [20] Het hof heeft in door de klacht bedoelde delen van de conclusie van antwoord en de conclusie van dupliek kennelijk geen reden gezien om te twijfelen aan de stellingen in de conclusie van antwoord nrs. 19-28. Dat is niet onbegrijpelijk. Zoals hiervoor (in 3.16) is vermeld, heeft het hof zich in rov. 4.10 gebaseerd op de stellingen van de [verweerder] in de conclusie van antwoord nrs. 19-28 (en dus niet op de stelling in de conclusie van antwoord nr. 98). De stelling in de conclusie van dupliek nr. 56 berust slechts op het in de conclusie van antwoord in nr. 21 reeds genoemde advies de inleg uit het salaris te betalen. [21]
nr. 36) dat Dexia ter zake relevant tegenbewijs heeft aangeboden. [27]
onderdeel 5, inhoudende dat met het slagen van bovenstaande klachten ook rov. 4.21-4.24 en het daaraan ontleende dictum (rov. 5) geen stand kunnen houden, faalt in het spoor van bovenstaande klachten.