Uitspraak
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst/MKB/kantoor Groningen, de inspecteur
Inleiding
Feiten
Naar aanleiding van uw verzoek heb ik met dagtekening 1 mei 2024 om nadere gegevens gevraagd. Hierop hebt u per mail kort gereageerd op 3 juni 2024 02:07 uur. U verwijst in uw mail naar de stukken die u hebt ingebracht in de beroepszaak tegen de afwijzing op het bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting over 2016 (aanslagnummer [nummer] .H.66.01). Ik heb deze stukken intern opgezocht en aan het dossier toegevoegd.”
Beoordeling door de rechtbank
.De inspecteur heeft daarom terecht vastgesteld dat het niet meer voor verwezenlijking vatbare kwijtgescholden gedeelte van de lening nihil is. Ook is de rechtbank van oordeel dat het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel niet zijn geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
- € 88.734. Hier komt bij dat onttrekkingen door de zoon van eiser en zijn partner boekhoudkundig nog niet waren verwerkt, waardoor het ondernemingsvermogen eigenlijk nog negatiever was. Het ondernemingsvermogen is daarna alleen maar toegenomen (minder negatief geworden) vanwege de kwijtschelding van de lening (boekhoudkundig in 2015). De aangiften IB/PVV van de zoon zijn door de inspecteur steeds gevolgd en er zijn telkens verliezen uit onderneming en verliesvaststellingsbeschikkingen vastgesteld. Ook wijst eiser op het feit dat zijn zoon een overstand had op zijn krediet bij de [bank] . De bank eiste volgens eiser dat hij zijn lening aan zijn zoon zou kwijtschelden, waardoor het eigen vermogen van de onderneming van de zoon met een gelijk bedrag zou toenemen. Als dit niet gebeurde, zou de bank de financiering stopzetten. Omdat eiser al deze omstandigheden heeft aangevoerd, moet volgens hem de bewijslast worden omgekeerd. Dit houdt volgens eiser in dat de inspecteur moet aangeven dat en waarom op het moment van de kwijtschelding nog wél verhaal mogelijk was.