ECLI:NL:HR:1998:AA2429
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van Brunschot
- Meij
- Van Vliet
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over belastingaanslag en kwijtschelding vordering bij ontbinding vennootschap
Belanghebbende was tot 31 december 1990 vennoot in een vennootschap onder firma met zijn broer. In juni 1990 werd besloten de vennootschap te ontbinden, wat schriftelijk werd vastgelegd in een overeenkomst van 20 november 1990. In deze overeenkomst werd ook een restantschuld van f 33.273,-- die belanghebbende aan de vennootschap had, kwijtgescholden.
De Inspecteur rekende deze kwijtschelding tot de winst van belanghebbende voor het jaar 1990, wat door het hof werd bevestigd. Belanghebbende stelde dat de kwijtschelding reeds in juni 1990 had plaatsgevonden en dus niet tot de winst behoorde.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de kwijtschelding pas op 31 december 1990 definitief was. De feiten wezen uit dat de broer van belanghebbende de vordering al in juni 1990 had prijsgegeven. De zaak werd vernietigd en verwezen naar het hof te Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van deze overwegingen.
Daarnaast werden proceskosten toegewezen aan belanghebbende voor het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling over de fiscale behandeling van de kwijtschelding.