Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1963

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
LEE 25/660
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WWArt. 3 ZWArt. 8 Wet WIAArt. 7:610 BWArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herziening en terugvordering WW- en ZW-uitkering wegens ontbreken dienstbetrekking

Eiser was werkzaam als vervoersmanager bij een transportbedrijf en ontving na beëindiging van zijn dienstverband een WW- en ZW-uitkering. Het Uwv voerde onderzoek uit en concludeerde dat eiser geen privaatrechtelijke dienstbetrekking had en daardoor niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. Op basis hiervan herzag en vorderde het Uwv de uitkeringen met terugwerkende kracht terug.

Eiser voerde aan dat hij wel werknemer was, dat het Uwv onvoldoende inzicht gaf in het onderzoek, dat hij op grond van een toezegging van een arbeidsdeskundige recht had op een WIA-uitkering en dat het terugkomen op eerdere besluiten in strijd was met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat het Uwv voldoende had gemotiveerd waarom het onderzoek werd verricht en dat het ontbreken van een gezagsverhouding tussen eiser en zijn echtgenote aannemelijk was gemaakt.

De rechtbank verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat geen onvoorwaardelijke toezegging was gedaan en het Uwv nog geen besluit over de WIA-aanvraag had genomen. Het terugkomen op eerdere toekenningen was niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook waren er geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar eiser kreeg proceskostenvergoeding en griffierecht terug omdat het Uwv pas op de zitting inhoudelijk reageerde.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de WW- en ZW-uitkering en de weigering van de WIA-uitkering blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/660

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[naam uit woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.E. de Hoop),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv,
(gemachtigden: mr. D. de Jong en L. van Straaten).

Samenvatting

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WW-uitkering en ZW-uitkering van eiser met terugwerkende kracht heeft herzien en teruggevorderd, omdat hij geen werknemer was in de zin van de WW en de ZW en daarom niet verzekerd was voor deze wetten. Daarnaast ligt voor of het Uwv terecht geen WIA-uitkering aan eiser heeft toegekend, omdat hij niet verzekerd was voor de Wet WIA. Tot slot is het de vraag of het Uwv terecht geen dringende redenen heeft gezien om van herziening en terugvordering af te zien. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv een juist besluit op het bezwaar heeft genomen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Wel krijgt hij een vergoeding voor de in beroep gemaakte proceskosten en een vergoeding voor het betaalde griffierecht, omdat het Uwv pas op de zitting inhoudelijk heeft gereageerd op de bezwaargronden.

Inleiding en procesverloop

1. Bij haar beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Eiser is op 1 januari 2020 in dienst getreden bij [bedrijf 1] B.V. ( [afkorting bedrijf 1] ) [1] in de functie van vervoersmanager. Het dienstverband is vanaf
1 januari 2021 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd [2] in dezelfde functie voortgezet bij [afkorting bedrijf 1] .
1.2.
Eiser heeft op 28 januari 2022 na beëindiging van het dienstverband een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Met het besluit van 1 februari 2022 heeft het Uwv hem vanaf 3 januari 2022 een WW-uitkering toegekend. Met een brief van 25 februari 2022 heeft het Uwv hem laten weten dat zijn WW-uitkering op 2 april 2022 stopt.
1.3.
Op 29 maart 2022 heeft eiser zich vanuit de WW ziekgemeld. Met het besluit van 11 april 2022 heeft het Uwv hem vanaf 4 april 2022 een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW).
1.4.
Met het besluit van 4 mei 2022 heeft het Uwv de WW-uitkering van eiser per
3 april 2022 beëindigd (lees: ingetrokken).
1.5.
Nadat eiser op 7 januari 2024 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arbeidsdeskundige heeft in het rapport van 12 februari 2024 gesteld dat eiser voldoet aan de voorwaarden voor een vereenvoudigde beoordeling [3] en dat recht bestaat op een WIA-uitkering.
1.6.
Met het besluit van 26 februari 2024 heeft het Uwv de ZW-uitkering van eiser beëindigd per 26 maart 2024.
1.7.
In het kader van een controle op de juistheid van de gegevens in de polisadministratie heeft de afdeling Handhaving van het Uwv in juli 2023 onderzoek [4] gedaan naar (het bestaan van) de dienstbetrekking tussen eiser en [afkorting bedrijf 1] . In dat kader heeft een gesprek plaatsgevonden met een voormalig bestuurder van [afkorting bedrijf 1] [5] , eiser [6] en een getuige
(ex-werknemer) [7] . Verder zijn onder meer salarisstrookjes en bankafschriften bij eiser opgevraagd. [8] Ook heeft het Uwv Suwinet en het register van het Kadaster geraadpleegd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het onderzoeksrapport [9] van 17 april 2024. Daarin is het Uwv tot de conclusie gekomen dat eiser niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam is geweest en daardoor niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen.
1.8.
Met het besluit van 1 mei 2024 (besluit 1) heeft het Uwv eiser laten weten dat het besluit van 1 februari 2022 komt te vervallen en wordt vervangen door een nieuw besluit. Het nieuwe besluit houdt in dat eiser vanaf 3 januari 2022 geen WW-uitkering krijgt, omdat uit onderzoek is gebleken dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen hem en [bedrijf 2] B.V. Daardoor was eiser niet verzekerd voor de WW.
1.9.
Met het besluit van 2 mei 2024 (besluit 2) heeft het Uwv eiser geen WIA-uitkering toegekend, omdat hij op 29 maart 2022 geen dienstverband of een WW-uitkering had en daarom niet verzekerd was voor de Wet WIA. Met het besluit van 27 mei 2024 (besluit 3) heeft het Uwv eiser vanaf 29 maart 2022 geen ZW-uitkering toegekend, omdat hij geen recht heeft op een WW-uitkering en daardoor niet verzekerd is voor de ZW.
1.10.
Met het besluit van 28 mei 2024 (besluit 4) heeft het Uwv de ZW-uitkering van eiser over de periode van 4 april 2022 tot en met 25 maart 2024 teruggevorderd. Hij moet een brutobedrag van € 55.537,79 aan het Uwv terugbetalen aan onverschuldigd betaalde ZW-uitkering. Met een afzonderlijk besluit van 28 mei 2024 (besluit 5) heeft het Uwv de WW-uitkering van eiser over de periode van 3 januari 2022 tot en met 2 april 2022 teruggevorderd. Eiser moet een brutobedrag van € 6.816,08 aan het Uwv terugbetalen aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering. In totaal moet hij een brutobedrag van
€ 62.353,87 aan het Uwv terugbetalen.
1.11.
Met de besluiten van 2 juni 2024 (besluiten 6 en 7) heeft het Uwv bepaald dat eiser de onverschuldigd betaalde ZW-uitkering en WW-uitkering binnen zes weken terug moet betalen.
1.12.
Met het besluit van 30 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van eiser tegen de besluiten 1 tot en met 7 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat geen sprake was van een feitelijke gezagsverhouding tussen eiser en [afkorting bedrijf 1] . Dat hij een arbeidsovereenkomst had met [afkorting bedrijf 1] maakt niet dat er ook feitelijk sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Tussen eiser en zijn echtgenote bestaat feitelijk een arbeidsrelatie en uit het onderzoek is niet gebleken dat er sprake was van een gezagsverhouding tussen hen. Eiser kan niet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen en er bestond geen recht op een WW-uitkering. Hij was daarom ook niet verzekerd voor de ZW en de Wet WIA. De aan eiser onverschuldigd betaalde WW- en ZW-uitkeringen moeten daarom met terugwerkende kracht worden herzien en teruggevorderd. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is het Uwv niet gebleken. Nu eiser niet verzekerd is voor de WW en de ZW, bestaat ook geen recht op een WIA-uitkering. Dat hij heeft gehandeld naar de informatie die door de arbeidsdeskundige is verstrekt, is niet gebleken. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet, aldus het Uwv.
1.13.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 20 juni 2025 heeft hij de gronden van het beroep aangevuld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een (aanvullend) verweerschrift. Eiser heeft op 27 november 2025 een verklaring van zijn psychotherapeut ingezonden.
1.14.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het Uwv deelgenomen. Eiser heeft de rechtbank bericht dat hij vanwege zijn mentale gezondheid niet bij de zitting aanwezig kan zijn.

Standpunten van partijen

2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Het Uwv heeft geen inzicht gegeven in de redenen voor het doen van onderzoek naar zijn dienstbetrekking bij [afkorting bedrijf 1] . Aan eiser is door het Uwv zonder voorbehoud onherroepelijk en definitief een WW- en ZW-uitkering toegekend. De arbeidsdeskundige heeft een onvoorwaardelijke toezegging gedaan dat eiser per einde wachttijd in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Hij heeft er op mogen vertrouwen dat hij als werknemer is aangemerkt en recht heeft op een WIA-uitkering. De weigering van de WIA-uitkering aan eiser is in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Het ten nadele van hem terugkomen van de eerdere besluiten en de toezegging over de WIA-uitkering, zijn belastende besluiten waarbij het Uwv de bewijslast heeft. Het Uwv heeft niet aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van werknemerschap en dat eiser niet verzekerd was voor de WW, de ZW en de Wet WIA. Verder heeft het Uwv ten onrechte gesteld dat feitelijk tussen eiser en zijn echtgenote een arbeidsrelatie bestaat en dat niet is gebleken van een feitelijke gezagsverhouding. Daarnaast is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd, omdat het Uwv niet is ingegaan op de gronden van bezwaar. Als de rechtbank tot het oordeel komt dat eiser niet als werknemer kan worden aangemerkt, dan heeft het Uwv op basis van de Beleidsregels [10] de WW- en de ZW-uitkering niet met terugwerkende kracht kunnen herzien. Het kon eiser ten tijde van het indienen van de aanvragen voor een WW- en ZW-uitkering redelijkerwijs niet duidelijk zijn dat hij later niet als werknemer aangemerkt zou worden. Verder zijn er dringende redenen om van herziening en terugvordering van de WW- en de ZW-uitkering af te zien. De (financiële) gevolgen van de terug- en invordering zijn voor eiser onevenredig groot en disproportioneel. Ook heeft de terug- en invordering gevolgen voor zijn gezondheid. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar de verklaring van zijn psychotherapeut van 27 november 2025.
3. Het Uwv stelt dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en een arbeidsverhouding waarbij eiser werkzaam was onder het gezag van een werkgever. Het algemene beeld is dat eiser tezamen met zijn echtgenote [naam 2] , onder de vlag van [afkorting bedrijf 1] , actief was als transportondernemer en dat hij niet was onderworpen aan werkgeversgezag. Het Uwv mag, als er geen sprake is van een dienstverband, met toepassing van de Beleidsregels met terugwerkende kracht de eerdere WW- en ZW-uitkering herzien, als de uitkering ten onrechte is toegekend. Het Uwv stelt dat geen sprake is van een onvoorwaardelijke gedane toezegging door de arbeidsdeskundige inhoudende dat eiser in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Bij de beoordeling van de aanvragen voor een WW- en de ZW-uitkering was er verder geen concreet signaal om op dat moment al onderzoek te doen naar de aard van de arbeidsverhouding van eiser bij [afkorting bedrijf 1] . De overgelegde verklaring van [naam 3] van 9 augustus 2024 stelt het Uwv ter discussie, omdat niet duidelijk is wat zijn positie is. Het Uwv ziet in het door eiser aangevoerde geen reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Toetsingskader

4. Uit de wet volgt dat iemand verzekerd moet zijn voor de WW, de ZW en de WIA om in aanmerking te komen voor een WW-, ZW- en WIA-uitkering. Dat is het geval als de aanvrager als werknemer kan worden beschouwd in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW, artikel 3, eerste lid, van de ZW en artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA. Daarbij is het de vraag of sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 7:610 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van (1) een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, (2) een gezagsverhouding en (3) een verplichting tot het betalen van loon. [11]
4.1.
Als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding geldt of kan worden gezegd dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de werkgever en dat de werkgever bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en de resultaten van het werk. [12]

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht de WW- en de ZW-uitkering van eiser met terugwerkende kracht heeft herzien en teruggevorderd, omdat hij niet als werknemer was verzekerd voor de WW en de ZW. Zij beoordeelt verder of het Uwv terecht geen WIA-uitkering aan eiser heeft toegekend. Tot slot beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht geen dringende redenen heeft gezien om van herziening en terugvordering van de WW- en ZW-uitkering af te zien. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser, die hierna afzonderlijk zullen worden besproken en beoordeeld.
Reden voor het doen van onderzoek5.1. In artikel 55a van de Wet SUWI [13] is bepaald dat met het toezicht op de naleving van de in de artikelen 30, eerste lid, en 32d bedoelde wet- en regelgeving, zijn belast de door het Uwv bij besluit aangewezen, onder hem ressorterende personen.
5.2.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het Uwv geen inzicht heeft gegeven in de redenen van het door de afdeling Handhaving verrichte onderzoek naar de aard van zijn dienstbetrekking bij [afkorting bedrijf 1] . Het Uwv heeft in het verweerschrift deugdelijk gemotiveerd dat het onderzoek is gedaan in het kader van een controle op de juistheid van de gegevens in de polisadministratie en dat hierbij door de afdeling Handhaving risicogericht wordt gewerkt. In dit verband heeft het Uwv van belang geacht dat een wijziging van code 17 (DGA; niet verzekerd) naar code 15 (verzekerd werknemer) wordt gezien als een verhoogd risico op een onjuiste registratie in de polisadministratie. Daarbij heeft het Uwv gesteld dat het ging om een themaonderzoek, waarbij uitvoering is gegeven aan de in artikel 55a van de Wet SUWI neergelegde toezichtstaak. Verder heeft het Uwv op de zitting toegelicht dat het ging om een gewone aanvraag voor een WW- en ZW-uitkering en dat er op dat moment geen indicatie was om onderzoek te doen naar de dienstbetrekking van eiser bij [afkorting bedrijf 1] . De rechtbank volgt het Uwv hierin en in wat het daarover in het verweerschrift heeft uiteengezet. Dat er bij de WW- en ZW-aanvraag geen concreet signaal was om onderzoek te doen naar de aard van de arbeidsrelatie van eiser met [afkorting bedrijf 1] , maakt niet dat het Uwv niet meer de bevoegdheid heeft om op een later moment alsnog onderzoek te doen. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de rechtszekerheid in het geding is. In wat de gemachtigde van eiser op de zitting heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het Uwv in 2020 bij de wijziging naar code 15 al onderzoek had moeten doen naar de dienstbetrekking van eiser bij [afkorting bedrijf 1] . Zoals het Uwv op de zitting heeft aangegeven, was er toen nog geen concreet signaal of een melding dat er iets niet klopte ten aanzien van de uitkeringen van eiser.
Gezagsverhouding – familierelatie
5.3.
Niet in geschil is dat eiser arbeid heeft verricht en hiervoor loon heeft ontvangen. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of er een gezagsverhouding bestond tussen hem en [afkorting bedrijf 1] en tussen hem en zijn echtgenote.
5.4.
Bij besluiten tot herziening en terugvordering van een WW- en ZW-uitkering, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. [14] Dit brengt in dit geval mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking/gezagsverhouding bestond tussen eiser en [afkorting bedrijf 1] en tussen hem en zijn echtgenote. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser geen dienstbetrekking als hiervoor vermeld heeft vervuld, dan ligt het op de weg van eiser de onjuistheid daarvan met tegenbewijs aannemelijk te maken.
5.5.
Het bestaan van een familierelatie, zoals bij eiser en zijn echtgenote, betekent niet zonder meer dat geen sprake kan zijn van een gezagsverhouding. Ook bij een dergelijke arbeidsverhouding geldt als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding of aangenomen kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van degene met wie de overeenkomst is aangegaan. Ook in die situatie kan een gezagsverhouding blijken uit het feit dat – in dit geval – de echtgenote van eiser bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. De familierelatie is wel een element dat daarbij betrokken moet worden. [15]
5.6.
Zelfs al zou eiser moeten worden gevolgd in zijn standpunt dat er tussen hem en [afkorting bedrijf 1] sprake was van een gezagsverhouding, dan is de rechtbank van oordeel dat het Uwv met de onder 1.7. vermelde onderzoeksbevindingen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen gezagsverhouding bestond tussen eiser en zijn echtgenote. In het bestreden besluit heeft het Uwv toereikend gemotiveerd dat de omstandigheid dat eiser een arbeidsovereenkomst had met [afkorting bedrijf 1] niet maakt dat er ook feitelijk sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. In dit verband heeft het Uwv gesteld dat de echtgenote van eiser enig aandeelhoudster was van [stichting] B.V., die op haar beurt weer enig aandeelhouder is van [bedrijf 3] B.V en dat [bedrijf 3] B.V. enig aandeelhouder was van [afkorting bedrijf 1] . Op de zitting heeft het Uwv hierover toegelicht dat er feitelijk tussen eiser en zijn echtgenote een arbeidsrelatie bestaat en dat uit het onderzoek niet is gebleken dat er sprake was van een gezagsverhouding tussen hem en zijn echtgenote. Daarbij heeft het Uwv van belang geacht dat eiser en zijn echtgenote vrij waren in de invulling van de werkzaamheden en de tijdstippen waarop deze werden uitgevoerd. Daarnaast heeft het Uwv in het verweerschrift omstandigheden genoemd die duiden op een verstrengeling van persoonlijke en zakelijke belangen en een zekere mate van verwevenheid met andere vennootschappen, waarbij eiser of zijn echtgenote (in)direct betrokken is. De rechtbank volgt het Uwv hierin en in wat het daarover in het verweerschrift heeft uiteengezet. De stelling van eiser dat zijn echtgenote directeur/bestuurder is van de Stichting en geen aandeelhoudster en dat zij niet zelf de aandelen bezit, leidt niet tot een ander oordeel. Het niet bezitten van aandelen wil nog niet zeggen dat er ten tijde van belang sprake was van een gezagsverhouding tussen eiser en zijn echtgenote. Daarbij is van belang dat het Uwv in het aanvullend verweerschrift heeft gesteld dat [bedrijf 3] B.V. in de periode van 23 september 2016 tot 15 juni 2020 de enige bestuurder was van [afkorting bedrijf 1] en dat de echtgenote van eiser in die periode niet alleen via het uitoefenen van haar stemrecht zeggenschap had over [afkorting bedrijf 1] , maar ook (indirect) als bestuurder van [afkorting bedrijf 1] . De rechtbank volgt het Uwv hierin en acht het aannemelijk dat er geen gezagsverhouding bestond tussen eiser en zijn echtgenote. Eiser heeft hiertegen vervolgens te weinig aangevoerd om aan te nemen dat dit anders is. Omdat het Uwv terecht heeft gesteld dat er geen gezagsverhouding bestond tussen eiser en zijn echtgenote behoeven de beroepsgronden die zien op de gezagsverhouding tussen hem en [afkorting bedrijf 1] , geen bespreking meer.
Motivering van het bestreden besluit
5.7.
Over het standpunt van eiser dat het Uwv in het bestreden besluit niet op alle gronden is ingegaan, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft in de gronden van het bezwaar van 17 oktober 2024 aangevoerd dat niet duidelijk is wat de redenen waren voor de start van het onderzoek naar het bestaan van de dienstbetrekking van eiser bij [afkorting bedrijf 1] . Hij heeft in zijn bezwaarschrift ook gesteld dat door het Uwv op geen enkele wijze is aangetoond dat er feitelijk geen sprake is van een gezagsverhouding en dat het Uwv ten onrechte aanneemt dat geen sprake is van een arbeidsrechtelijke relatie als bedoeld in artikel 3 van Pro de WW. Dit terwijl de bewijslast wel op het Uwv rust, aldus eiser. De rechtbank stelt vast dat – zoals op de zitting aan de orde is gesteld – het Uwv in het bestreden besluit inderdaad niet op alle bezwaargronden van eiser is ingegaan. Zij ziet echter aanleiding dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb [16] te passeren, omdat aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek zich niet had voorgedaan, zou namelijk een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Van belang hierbij is dat de gemachtigde van eiser op de zitting inhoudelijk heeft kunnen reageren op het standpunt van het Uwv daarover en dat ook heeft gedaan.
Toezegging arbeidsdeskundige – vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel
5.8.
Voor wat betreft het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van de WIA-uitkering, overweegt de rechtbank als volgt. Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen kan slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan (in deze zaak: het Uwv) uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. [17] Daarvan is de rechtbank niet gebleken. Het Uwv heeft op de zitting erkend dat door de arbeidsdeskundige is toegezegd dat eiser 80 tot 100% arbeidsongeschikt is en dat hij per einde wachttijd in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Het Uwv stelt echter dat eiser aan deze toezegging van de arbeidsdeskundige niet de gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen ontlenen dat hij die uitkering zou krijgen. Er is namelijk geen sprake geweest van een zodanige onvoorwaardelijke toezegging door de arbeidsdeskundige dat het Uwv gehouden was eiser een WIA-uitkering toe te kennen. In dit verband heeft het Uwv op de zitting toegelicht dat eiser in een e-mail van 19 januari 2024 is gevraagd om in het kader van het onderzoek informatie aan te leveren. Ook heeft hij op
22 januari 2024 een gesprek gehad met onderzoekers van de afdeling Handhaving. Daarbij heeft het Uwv van belang geacht dat op het moment van de toezegging van de arbeidsdeskundige het onderzoek naar het bestaan van de dienstbetrekking – en dus naar de vraag of eiser wel was verzekerd voor de WW, ZW en WIA – nog niet was afgerond en dat eiser daarvan op de hoogte was. De rechtbank volgt het Uwv hierin. Daaraan voegt zij toe dat, hoewel de arbeidsdeskundige bevoegd is om een toezegging te doen, [18] het Uwv nog geen besluit op de WIA-aanvraag van eiser had genomen. Dat eiser na het gesprek met de arbeidsdeskundige op 8 februari 2024 in de veronderstelling verkeerde dat hij een WIA-uitkering zou krijgen, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Hij wordt dan ook niet gevolgd in zijn standpunt dat het niet toekennen van een WIA-uitkering in strijd is met het vertrouwensbeginsel en/of het rechtszekerheidsbeginsel.
Terugkomen op de eerdere toekenningsbesluiten – rechtszekerheidsbeginsel
5.9.
In artikel 22a, eerste lid, van de WW en artikel 30a, eerste lid, van de ZW is bepaald dat het Uwv verplicht is om de WW- en de ZW-uitkering met terugwerkende kracht te herzien, indien de uitkering ten onrechte is toegekend. Bij het terugkomen van eerdere besluiten tot het toekennen van de WW- en de ZW-uitkering ten nadele van eiser met terugwerkende kracht past het Uwv de Beleidsregels toe. In artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels is bepaald dat indien door toedoen van de verzekerde ten onrechte een uitkering is verstrekt, herziening van de uitkering plaatsvindt met terugwerkende kracht.
5.10.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht de WW- en de ZW-uitkering van eiser met terugwerkende kracht heeft herzien. In het bestreden besluit heeft het Uwv toereikend gemotiveerd dat die uitkeringen met terugwerkende kracht zijn herzien, omdat die aan hem zijn betaald zonder dat hij daar recht op had. Daarbij is door het Uwv gesteld dat ook als het onderzoek naar de rechtmatigheid twee jaar na de toekenning van de WW- en de ZW-uitkering heeft plaatsgevonden, de uitkeringen met terugwerkende kracht kunnen worden herzien. Het Uwv heeft in het verweerschrift uitgelegd dat het verplicht is de uitkeringen met terugwerkende kracht te herzien als deze ten onrechte zijn toegekend. In dit verband heeft het Uwv op de zitting gesteld dat uit onderzoek is gebleken dat eiser geen werknemer was en hij daarmee niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. Daarbij heeft het Uwv op de zitting gesteld dat bij de aanvraag voor een WW-uitkering er niet direct reden was om onderzoek te doen en dat het onderzoek niet voortkomt uit een concreet signaal of een melding, zoals hiervoor reeds is overwogen. De rechtbank volgt het Uwv hierin en in wat het daarover in het verweerschrift heeft uiteengezet. Dat de gemachtigde van eiser op de zitting heeft gesteld dat het eiser ten tijde van het ontvangen van de uitkeringen redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat hij daarop – achteraf gezien – geen recht had, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dat geldt ook voor het standpunt van eiser dat het Uwv niet terug kan komen van een eenmaal toegekende WW- en ZW-uitkering. Anders dan eiser stelt, is het terugkomen van de eerdere toekenningsbesluiten niet in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.
Terugvordering – dringende redenen
5.11.
Artikel 36, eerste lid, van de WW en artikel 33, eerste lid, van de ZW verplichten het Uwv om terug te vorderen wat onverschuldigd is betaald. De bevoegdheid om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien is op grond van het zesde lid van deze artikelen beperkt tot situaties waarin dringende redenen aanwezig zijn.
5.12.
In zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 [19] heeft de CRvB zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De CRvB ziet het begrip dringende reden voortaan als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
5.13.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen. Het Uwv heeft geen aanleiding hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Niet is gebleken dat het Uwv een aandeel heeft gehad in de oorzaak van de terugvordering dan wel dat de vordering door toedoen van het Uwv is opgelopen. Daarvoor is van belang dat het Uwv in juli 2023 onderzoek heeft gedaan naar de aard van de dienstbetrekking van eiser bij [afkorting bedrijf 1] en dat dit onderzoek heeft geleid tot het onderzoeksrapport van 17 april 2024. Zoals hiervoor onder 5.2. is overwogen, was er voor het Uwv geen aanleiding om eerder dan in juli 2023 onderzoek te doen. De oorzaak van de terugvordering is gelegen in het feit dat eiser bij het indienen van de aanvragen voor een WW- en ZW-uitkering had moeten melden dat hij als ondernemer optrad. Dit heeft het Uwv in het verweerschrift gesteld en op de zitting toegelicht. Omdat eiser niet heeft gemeld dat hij als ondernemer optrad, is aan hem achteraf bezien ten onrechte een WW- en ZW-uitkering toegekend. De oorzaak van de terugvordering ligt dus bij eiser en niet bij het Uwv.
5.14.
Wat betreft de financiële gevolgen van de terugvordering voor eiser is van belang dat hij momenteel niets terug hoeft te betalen aan het Uwv. Het Uwv heeft daarmee voldoende rekening gehouden met de financiële gevolgen van de terugvordering. Dat eiser ernstige psychische klachten heeft, levert geen dringende reden op om van terugvordering af te zien. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat bij zijn behandeling de diagnose PTSS is gesteld en dat de kans klein is dat hij in de toekomst nog werkzaamheden kan verrichten. De rechtbank voegt daaraan het volgende toe. Het Uwv heeft op de zitting gesteld dat in de verklaring van de psychotherapeut van 27 november 2025 een concrete diagnose mist en dat het feitelijke ziekteverloop niet voldoende concreet is. De rechtbank is met het Uwv van oordeel dat er op dit moment onvoldoende informatie aanwezig is over de psychische klachten van eiser om aan te kunnen nemen dat er dringende redenen aanwezig zijn. In dit verband heeft het Uwv op de zitting aangegeven dat als er een diagnose gesteld wordt en het ziekteverloop geconcretiseerd wordt én er daarbij een relatie is met de besluitvorming, dit mogelijk gevolgen kan hebben voor de hoogte van de terugvordering en dit mogelijk zou kunnen leiden tot matiging van de terugvordering. Hiermee heeft het Uwv eiser op de zitting de mogelijkheid gegeven om te komen met nadere medische informatie. Het is aan eiser om deze nadere medische informatie naar het Uwv te sturen, waarna het aan het Uwv is om deze informatie te beoordelen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de herziening en terugvordering van de WW- en ZW-uitkering en de weigering van een WIA-uitkering in stand blijven.
7. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb aanleiding het Uwv te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Daarnaast moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
  • bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 53,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. A.S. Broere, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.[afkorting bedrijf 1] is opgericht bij akte van 27 mei 2015 en een transportbedrijf, gericht op containervervoer. Op 30 december 2021 is de statutaire naam van [afkorting bedrijf 1] B.V. gewijzigd in [bedrijf 2] B.V.
2.De arbeidsovereenkomst is gesloten voor de duur van twaalf maanden en eindigt van rechtswege op
3.Op grond van de maatregel vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling 60+ (de 60-plusmaatregel).
4.Het gaat om een themaonderzoek, waarbij inhoud is gegeven aan de in artikel 55a van de Wet SUWI neergelegde toezichtstaak.
5.Zie het gespreksverslag van 24 oktober 2023.
6.Zie de gespreksverslagen van 22 februari 2024 en 12 maart 2024.
7.Zie het gespreksverslag van 19 maart 2024.
8.Met een e-mail van 25 januari 2024 heeft eiser de salarisstrookjes en bankafschriften gestuurd.
9.Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek.
10.Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Stcrt. 2006, 230).
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:445.
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2882.
13.Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
14.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:36.
15.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:252.
16.Algemene wet bestuursrecht.
17.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559, en meer recent de uitspraak van 29 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1576.
18.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 30 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1678.