Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 4 juni 2014 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene was algemeen directeur van een vennootschap (B.V. 1) die in 2013 failliet werd verklaard. Hij verzocht het UWV om de betalingsverplichtingen van de vennootschap over te nemen op grond van de WW, maar dit werd afgewezen omdat hij niet als werknemer werd beschouwd. De rechtbank had dit besluit vernietigd en geoordeeld dat er sprake was van een gezagsverhouding en dus een dienstbetrekking.
In hoger beroep stelde het UWV dat betrokkene als directeur-grootaandeelhouder moest worden aangemerkt, waardoor geen sprake was van een dienstbetrekking. Betrokkene voerde aan dat hij geen statutair bestuurder was van de vennootschap en dat er wel degelijk een gezagsverhouding bestond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat betrokkene geen statutair bestuurder was van de vennootschap, maar van een andere vennootschap (B.V. 2) die statutair bestuurder was van B.V. 1. De Raad concludeerde dat betrokkene geen gezagsverhouding had ten opzichte van B.V. 1, omdat hij feitelijk de leiding had en beslissingen nam zonder toezicht of controle van de aandeelhoudersvergadering. Hierdoor was er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van de WW.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarmee het besluit van het UWV werd bekrachtigd. Betrokkene was niet verplicht verzekerd voor de WW en had geen recht op overname van betalingsverplichtingen.
Uitkomst: De aanvraag van betrokkene om de betalingsverplichtingen van de vennootschap over te nemen is terecht afgewezen omdat geen sprake is van een dienstbetrekking.