ECLI:NL:CRVB:2025:36
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering uitkeringen wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellant werkte van december 2016 tot augustus 2017 bij een kinderdagverblijf dat failliet ging. Het Uwv kende hem uitkeringen toe op grond van WW, ZW en TW, maar startte later een onderzoek wegens vermoeden van een gefingeerd dienstverband. Na uitgebreid onderzoek concludeerde het Uwv dat appellant niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond en beëindigde, introk en vorderde het de uitkeringen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk en oordeelde dat het Uwv een zorgvuldig onderzoek had verricht en aannemelijk had gemaakt dat geen dienstbetrekking bestond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het Uwv een onzorgvuldig onderzoek deed, dat de toeslagenaffaire gevolgen had en dat de bewijslastverdeling moest worden aangepast.
De Raad overwoog dat het Uwv terecht feiten heeft aangedragen om het ontbreken van een dienstbetrekking aannemelijk te maken en dat de bewijslastverdeling niet is veranderd door de toeslagenaffaire. De nieuwe verklaring van appellant was onvoldoende om het oordeel te wijzigen. Ook de belangenafweging rond terugvordering voldeed aan de eisen van behoorlijk bestuur. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking, terugvordering en invordering van de uitkeringen blijven in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de intrekking en terugvordering van uitkeringen terecht zijn en het hoger beroep wordt verworpen.