Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
€ 19.057.190. Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft verweerder € 437.582 heffingsrente in rekening gebracht.
€ 386.995 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 19.057.190. De heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd tot € 220.155 en de revisierente van
€ 624.406 is gehandhaafd.
Overwegingen
€ 3.219.872 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.693.201. Verweerder heeft daarbij zijn correctie van € 3.122.130 aan loon uit een vroegere dienstbetrekking en een winstuitdeling van [Y] B.V. aan eiser tot een bedrag van
€ 1.727.418 gehandhaafd.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de aanslag ib/pvv 2009 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 97.742 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.693.201 en bepaalt dat de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd wordt;
- vernietigt de navorderingsaanslag ib/pvv 2009, de beschikking revisierente en de bijbehorende heffingsrentebeschikking;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 10.156;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 344;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.
mr. M.E. Kiers, leden, in aanwezigheid van mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.