Uitspraak
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 17 april 2024 in de zaak tussen
[bedrijf 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , eiseres
de inspecteur van de Douane, kantoor Groningen, verweerder.
Inleiding
Feiten
Geschil
Beoordeling van het geschilJuridisch kader11.Artikel 103, eerste lid en tweede lid, van het DWU luiden, voor zover van belang, als volgt:
“1. De mededeling van een douaneschuld aan de schuldenaar vindt plaats binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan.
2. Wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was, wordt de in lid 1 vastgestelde termijn van drie jaar in overeenstemming met het nationaal recht verlengd tot minimaal vijf en maximaal 10 jaar.”
“1. No customs debt shall be notified to the debtor after the expiry of a period of three years from the date on which the customs debt was incurred.
2. Where the customs debt is incurred as the result of an act which, at the time it was committed, was liable to give rise to criminal court proceedings, the three-year period laid down in paragraph 1 shall be extended to a period of a minimum of five years and a maximum of 10 years in accordance with national law.”
“1. Onder de bij deze afdeling vastgestelde voorwaarden wordt overgegaan tot terugbetaling of kwijtschelding van bedragen aan invoer- of uitvoerrechten, om elk van de volgende redenen:
a) invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht;
(…)
4. Met inachtneming van de bevoegdheidsregels gaan de douaneautoriteiten, indien zij binnen de in artikel 121, lid 1, bedoelde termijnen tot de vaststelling komen dat een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten overeenkomstig de artikelen 117, 119 of 120 voor terugbetaling of kwijtschelding in aanmerking komt, op eigen initiatief tot terugbetaling of kwijtschelding over.
(…)”
“1. In andere dan de in artikel 116, lid 1, tweede alinea, en in de artikelen 117, 118 en 120 genoemde gevallen, wordt een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten terugbetaald of kwijtgescholden wanneer, als gevolg van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, het met de oorspronkelijk meegedeelde douaneschuld overeenkomende bedrag lager was dan het verschuldigde bedrag, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de schuldenaar had de vergissing redelijkerwijze niet kunnen ontdekken; en
“Wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die, indien deze in Nederland zou zijn verricht, strafrechtelijk vervolgbaar was, kan de toezending van het aanslagbiljet geschieden binnen vijf jaren nadat de douaneschuld is ontstaan.”
Doeltreffendheidsbeginsel
was liable to give rise to criminal court proceedings”. Ook leidt zij dit af uit de toepassing van de navorderingstermijn door andere lidstaten.
vervolgbaar” en in de Engelse versie van artikel 103, tweede lid, van het DWU staat: “
was liable to give rise to criminal court proceedings”. Uit zowel de Nederlandse als de Engelse versie van artikel 103, tweede lid, van het DWU, volgt derhalve dat het een mogelijkheid tot strafvervolging betreft. Dat bij het feitelijk niet strafrechtelijk vervolgen de navorderingstermijn niet zou mogen worden verlengd, volgt niet uit de Nederlandse versie en ook niet uit de Engelse versie van artikel 103, tweede lid, van het DWU. Een indicatie dat in artikel 103, tweede lid, van het DWU een onderscheid tussen het opzettelijk en niet opzettelijk doen van onjuiste aangifte dient te worden gemaakt ontbreekt. Het Unierecht geeft niet meer rechten dan de rechten die voortvloeien uit het Nederlandse recht met betrekking tot de navorderingstermijn. Uit het Unierecht vloeit dan ook niet voort dat aanspraak kan worden gemaakt op een termijn van drie jaar indien een onjuiste aangifte het gevolg is van een vergissing. Het voorgaande betekent dat het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel niet is geschonden.
De afwijzing van het verzoek om terugbetaling
De rechtbank zal aan de hand van alle feiten beoordelen of eiseres de vergissing redelijkerwijs kon ontdekken en te goeder trouw heeft gehandeld [11] . Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU dient te worden gelet op de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken ondernemer en de mate van de door hem betrachte zorgvuldigheid [12] . De tekst van de bevinding en waarneming van de fysieke controle is onvoldoende concreet dat eiseres had moeten begrijpen dat hetgeen de controleur in de bevinding en waarneming van de fysieke controle opschreef niet juist was. Eiseres was, zo heeft haar gemachtigde ter zitting verklaard, in de veronderstelling dat de kniebeschermers orthopedische producten waren, die geschikt zijn voor zowel mensen met gewrichtsproblemen als ter voorkoming van gewrichtsproblemen. Eiseres werd door de bevinding en waarneming van de fysieke controle waarin staat: “
Kniebeschermers voor personen met gewrichtsproblemen in de knieën”, in plaats van kniebeschermers voor personen ter voorkoming van gewrichtsproblemen, in haar eigen vergissing bevestigd [13] . Uitdrukkelijk is in de bevinding en waarneming bevestigd dat de onjuiste tariefindeling juist was (“
vak 31, 33 conform”). Gelet op het voorgaande en op het feit dat eiseres in al haar aangiften en dus reeds jaren de (onjuiste) tariefindeling heeft toegepast, kon zij de vergissing van de douaneautoriteiten redelijkerwijs niet ontdekken [14] . Ook de beroepservaring van [bedrijf 2] , die aan eiseres moet worden toegerekend leidt niet tot de conclusie dat eiseres de vergissing redelijkerwijs had kunnen ontdekken, nu de controlerend ambtenaar in zijn controleverslag heeft vastgelegd dat het gaat om kniebeschermers voor personen met gewrichtsproblemen en hieruit niet zonder meer voortvloeit dat de indeling in GN-onderverdeling 9021 1010 niet juist kon zijn. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder het verzoek om terugbetaling ten onrechte afgewezen.