ECLI:NL:RBNHO:2024:7331
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navorderingsaanslagen inkomstenbelasting wegens qat-handel en hawala-diensten
De rechtbank Noord-Holland behandelde het beroep tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en Zvw over de jaren 2014 tot en met 2017, opgelegd na een strafrechtelijk onderzoek en veroordeling van eiser voor handel in qat en het verrichten van geldtransacties zonder vergunning.
De kern van het geschil betrof de vraag of eiser een bron van inkomen had uit de handel in qat en het verrichten van hawala-diensten. De rechtbank achtte op basis van het strafrechtelijk dossier, waaronder tapgesprekken, getuigenverklaringen en een uitgebreide administratie, aannemelijk dat eiser in alle jaren betrokken was bij deze activiteiten en daaruit inkomsten genoot. Eisers ontkenning en stelling dat hij slechts leningen ontving, werden niet geloofd.
De rechtbank oordeelde dat eiser met deze activiteiten deelnam aan het economisch verkeer met het oogmerk en de verwachting van voordeel. De schattingen van het inkomen door verweerder werden als aannemelijk beoordeeld. Daarnaast wees de rechtbank de beroepen ongegrond, kende eiser een immateriële schadevergoeding van €3.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn toe en veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen worden ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding en proceskosten.