Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2017 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
.De verschuldigde IB/PVV over 2005 bedroeg € 62.558.
“3. Onderwerp van deze vaststellingsovereenkomst
€ 34.373 (€ 10.148) (2004), € 47.485 (€ 13.933) (2005) en € 48.224 (€ 14.053) (2006). De volgens de aangiften verschuldigde bedragen aan IB/PVV over deze jaren (zie onderdeel 3) zijn gelet op deze correcties verhoudingsgewijs aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting. Voorts is het bedrag van de belasting dat als gevolg van het gebrek in de aangifte niet zou zijn geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank acht ook aannemelijk dat eiser bij het doen van de aangiften wist of zich ervan bewust moet zijn geweest dat een aanzienlijk bedrag niet werd aangegeven. Dit een en ander brengt mee dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan (vgl. HR 9 november 2012, 11/04578, ECLI:NL:HR:2012:BY2665, BNB 2013/26).
Beslissing
mr. G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. drs. K.M.E. de Moor, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2017.