Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7807

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/09/678094 / HA ZA 25-18
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 3:15 BWArt. 3:37 lid 3 BWArt. 3:305a lid 2 BWArt. 6:109 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding wegens misbruik procesbevoegdheid door Loterijverlies

Staatsloterij vordert vergoeding van advocaat- en interne kosten die zij heeft gemaakt in een collectieve schadevergoedingsactie aangespannen door Loterijverlies. Eerder oordeelden rechtbank en hof dat Loterijverlies de waarheidsplicht schond en misbruik maakte van haar procesbevoegdheid. Staatsloterij stelt dat dit onrechtmatig is en eist schadevergoeding.

Loterijverlies betwist schade en stelt tegenvorderingen in wegens vermeend onrechtmatig handelen van Staatsloterij, waaronder het organiseren van een gratis trekking en het schenden van een onderhandelingsprotocol. De rechtbank wijst de vordering van Staatsloterij gedeeltelijk toe en wijst de tegenvorderingen van Loterijverlies af, omdat Loterijverlies niet bevoegd is om namens deelnemers te procederen.

De rechtbank oordeelt dat Loterijverlies onrechtmatig heeft gehandeld door misbruik van procesbevoegdheid en grove schending van de waarheidsplicht, wat leidt tot toerekenbaarheid van de schade. De gevorderde advocaatkosten worden geschat op €560.000 en interne kosten op €41.175. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 1 januari 2018. De proceskosten worden Loterijverlies opgelegd. De vorderingen van Loterijverlies worden afgewezen wegens gebrek aan procesbevoegdheid en onrechtmatigheid.

Uitkomst: Loterijverlies wordt veroordeeld tot betaling van €601.175 aan Staatsloterij wegens onrechtmatig handelen; tegenvorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/678094 / HA ZA 25-18
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
STAATSLOTERIJ B.V.te Den Haag,
eisende partij,
hierna te noemen: Staatsloterij,
advocaat: mr. J.W. Leedekerken,
tegen
LOTERIJVERLIES.NL B.V.te Guernsey,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Loterijverlies,
advocaat: mr. N.V.C. Haneveld.

1.De zaak in het kort

1.1.
In deze zaak vordert Staatsloterij vergoeding van de volledige proceskosten en interne kosten die zij heeft moeten maken in de collectieve schadevergoedingsactie die Loterijverlies tegen haar heeft aangespannen. In die collectieve schadevergoedingsactie hebben deze rechtbank op 13 december 2017 en het hof Den Haag op 8 oktober 2019 geoordeeld dat Loterijverlies de waarheidsplicht heeft geschonden en misbruik heeft gemaakt van haar (proces)bevoegdheid. Staatsloterij meent dat dit onrechtmatig is en begroot de schade die zij hierdoor heeft geleden (in de vorm van advocaat- en interne kosten) in totaal op € 723.055,42.
1.2.
Loterijverlies betwist dat Staatsloterij door onrechtmatig handelen van Loterijverlies schade heeft geleden en heeft tegenvorderingen ingesteld. Zij vordert – kort gezegd – dat de rechtbank voor recht verklaart dat Staatsloterij onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld, onder meer door een bijzondere (‘gratis’) trekking te organiseren voor onder meer klanten van Loterijverlies; het schenden van een met Staatsloterij gesloten onderhandelingsprotocol; het actief benaderen van klanten van Loterijverlies en het buiten Loterijverlies om sluiten van een collectieve overeenkomst die ook voor klanten van Loterijverlies gold. Ook stelt Loterijverlies dat Staatsloterij de waarheidsplicht schendt en het procesrecht misbruikt. Loterijverlies vordert een schadevergoeding van in totaal ruim 13 miljoen euro van Staatsloterij voor misgelopen
no cure no pay-vergoedingen en misgelopen vrijwillige bijdragen.
1.3.
In dit vonnis wijst de rechtbank de vordering van Staatsloterij toe tot een bedrag van € 601.175,-. De rechtbank wijst de tegenvorderingen van Loterijverlies af, omdat in de relatie tussen partijen vaststaat dat Loterijverlies niet bevoegd is om namens de deelnemers tegen Staatsloterij te procederen, zodat zij (ook) geen aanspraak kan maken op de gestelde vergoedingen en bijdragen. Loterijverlies wordt veroordeeld in de (op basis van het toepasselijke liquidatietarief begrote) kosten van deze procedure, inclusief het bevoegdheidsincident.

2.Opbouw van dit vonnis

1. De zaak in het kort
2. Opbouw van dit vonnis
3. De procedure
4. De feiten
5. Het geschil
6. De beoordeling in conventie
7. De beoordeling in reconventie
8. Proceskosten in de hoofdzaak en het bevoegdheidsincident
9. Uitvoerbaarheid bij voorraad
10. De beslissing

3.De procedure

3.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende documenten:
- de dagvaarding van 24 december 2024 met producties 1-17 en een USB stick met productie 1.2;
- de incidentele conclusie houdende oproeping in vrijwaring van Loterijverlies van 23 april 2025 met productie 1;
- de conclusie van antwoord in het incident tot vrijwaring van Staatsloterij van 7 mei 2025
- het vonnis in het incident tot vrijwaring van 4 juni 2025;
- de incidentele conclusie houdende onbevoegdheid/verwijzing tevens conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 2 juli 2025 met producties 1-84 en een USB stick met productie 83;
- de conclusie van antwoord in het incident tot onbevoegdheid/verwijzing van 16 juli 2025 van Staatsloterij met productie 18;
- de akte uitlaten eis in het incident tot onbevoegdheid/verwijzing van Loterijverlies van 20 augustus 2025;
- de antwoordakte in het incident tot onbevoegdheid/verwijzing van Staatsloterij van 3 september 2025 met productie 20;
- het vonnis in het incident tot onbevoegdheid/verwijzing van 17 september 2025;
- het verzoek om tussentijds appel tegen het incidentele vonnis te mogen instellen van Loterijverlies van 30 september 2025;
- de brief van Staatsloterij van 3 oktober 2025;
- het tussenvonnis van 29 oktober 2025, waarbij het verzoek om tussentijds appel te mogen instellen is afgewezen;
- de conclusie van antwoord in reconventie van Staatsloterij van 29 oktober 2025;
- de brief met bijlagen van Loterijverlies van 12 november 2025, houdende een verzoek tot verwijzing van de zaak naar een andere rechtbank;
- de e-mail van de Staatsloterij van 13 november 2025;
- het tussenvonnis van 19 november 2025 waarbij het verzoek tot verwijzing is afgewezen;
- het tussenvonnis van 19 november 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de e-mail van Loterijverlies van 4 december 2025 houdende een verzoek tot verplaatsing van de mondelinge behandeling;
- de e-mail van Staatsloterij van 4 december 2025 houdende bezwaar tegen verplaatsing van de mondelinge behandeling;
- het wrakingsverzoek van Loterijverlies van 16 december 2025 gericht tegen de zittingscombinatie;
- het wrakingsverzoek van Loterijverlies van 29 december 2025 gericht tegen de wrakingskamer;
- het verzoek van Staatsloterij om verlengde spreektijd van 29 december 2025;
- de akte nadere producties 86-110 van Loterijverlies ingekomen op 12 januari 2026;
- de akte overlegging producties 18-20 van Staatsloterij ingekomen op 16 januari 2026;
- de akte nadere producties 111-122 van Loterijverlies ingekomen op 18 januari 2026;
- de uitspraak van de wrakingskamer over de wraking van de wrakingskamer van 9 januari 2026, houdende afwijzing van het wrakingsverzoek en een wrakingsverbod;
- de uitspraak van de wrakingskamer over de wraking van de zittingscombinatie van 23 januari 2026, houdende afwijzing van het wrakingsverzoek;
- de beslissing om partijen verlengde spreektijd toe te staan van 23 januari 2026;
- het bericht houdende een hernieuwd verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling van Loterijverlies van 23 januari 2026;
- de beslissing van de rolrechter van 23 januari 2026 houdende afwijzing van het hernieuwde uitstelverzoek;
- het bericht houdende een hernieuwd verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling van Loterijverlies van 26 januari 2026;
- het bericht houdende een reactie op het hernieuwd verzoek om uitstel van Staatsloterij van 26 januari 2026;
- de beslissing van de rolrechter van 26 januari 2026 houdende afwijzing van het hernieuwde uitstelverzoek;
- de akte eiswijziging van Loterijverlies ingekomen op 26 januari 2026;
- de akte houdende productie 123 van Loterijverlies ingekomen op 26 januari 2026;
- de akte na bevel ex artikel 22 Rv Pro van Staatsloterij van 11 februari 2026 met producties 21.1-22.2;
- het bericht houdende verzoek om een proces-verbaal van Loterijverlies van 18 februari 2026;
- het bericht houdende een onderbouwing van het verzoek om een proces-verbaal van Loterijverlies ingekomen op 23 februari 2026;
- het bericht van de rechtbank van 24 februari 2026;
- de antwoordakte van Loterijverlies van 25 februari 2026.
3.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Partijen zijn verschenen, vergezeld door hun advocaten. Na de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat tegelijk met dit vonnis aan partijen wordt toegezonden.
3.3.
In de akte van 25 februari 2026 heeft Loterijverlies nieuwe stellingen betrokken over andere onderwerpen dan die waarop het bevel ex artikel 22 Rv Pro zag. Aan de stellingen die het onderwerp van het bevel te buiten gaan, gaat de rechtbank gelet op de eisen van een goede procesorde voorbij.
3.4.
Ten slotte is de datum bepaald waarop dit vonnis wordt gewezen.

4.De feiten

Misleidende reclame Staatsloterij en het Loterijverlies-initiatief

4.1.
Staatsloterij exploiteert de Nederlandse Staatsloterij.
4.2.
In de periode van 2000 tot en met 2007 en éénmaal in 2008 trok Staatsloterij de winnende loten niet alleen uit verkochte loten, maar ook uit niet-verkochte loten.
4.3.
In reclame-uitingen van Staatsloterij leek het alsof de winnende loten alleen uit de verkochte loten werden getrokken. De heer [naam 1] (hierna:
[naam 1]) is in 2008 een initiatief gestart om schadevergoeding te krijgen voor deelnemers die waren misleid door de reclame van Staatsloterij. [1]
4.4.
[naam 1] begon het Loterijverlies-initiatief vanuit een eenmanszaak. Op enig moment heeft [naam 1] deze eenmanszaak ingebracht in Morand Juridische Bijstand BV (hierna:
Morand BV). Morand BV sloot overeenkomsten met deelnemers van Staatsloterij die zich voor het initiatief hadden aangemeld. De deelnemers betaalden eenmalig een inschrijfgeld van € 25 en zouden, als de procedure succesvol werd afgerond, vijftien procent van het voor hen geïncasseerde bedrag aan Morand BV moeten betalen. [naam 1] was indirect bestuurder en enig aandeelhouder van Morand BV.
4.5.
Op 26 juni 2008 heeft Morand BV Loterijverlies opgericht. Morand BV heeft diezelfde dag haar rechten en verplichtingen uit de met deelnemers gesloten overeenkomsten aan Loterijverlies overgedragen. Morand BV was bestuurder en enig aandeelhouder van Loterijverlies.
4.6.
Op 3 juli 2008 heeft Morand BV de Stichting Loterijverlies (hierna:
de Stichting) opgericht. De Stichting heeft als doel het in en buiten rechte vertegenwoordigen van de belangen van gedupeerden van kansspelen en het verrichten van alle handelingen die daarvoor dienstig kunnen zijn. Loterijverlies was tot 29 februari 2016 enig bestuurder van de Stichting.
4.7.
In totaal hebben zich sinds 2008 ruim 200.000 deelnemers bij het Loterijverlies-initiatief aangemeld via de website www.loterijverlies.nl (hierna:
de Deelnemers). In 2016 waren er nog ongeveer 194.000 Deelnemers aangesloten. Op de rechtsverhouding met de Deelnemers zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard; deze algemene voorwaarden zijn sinds 2008 regelmatig gewijzigd.
4.8.
Bij arrest van 28 mei 2013 heeft het gerechtshof Den Haag in een door de Stichting tegen Staatsloterij in 2008 aanhangig gemaakte collectieve actie in hoger beroep voor recht verklaard dat Staatsloterij gedurende de periode 2000 tot en met 2007 misleidende mededelingen heeft gedaan over het wel of niet gegarandeerd zijn van de prijzen, de winkansen en het aantal gewonnen prijzen en dat Staatsloterij hierdoor in strijd heeft gehandeld met artikel 6:194 (oud) BW. Daarnaast is voor recht verklaard dat Staatsloterij in 2008 misleidende mededelingen heeft gedaan over de hoogte van prijzen en hierdoor in strijd heeft gehandeld met artikel 6:194 (oud) BW. Bij arrest van 30 januari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:178) heeft de Hoge Raad zowel het door Staatsloterij ingestelde cassatieberoep als het door de Stichting ingestelde incidentele cassatieberoep verworpen.
Het Overlegprotocol
4.9.
Na het arrest van de Hoge Raad hebben de Stichting en Staatsloterij overleg gevoerd om tot een minnelijke regeling te komen. Om dit overleg in goede banen te leiden, hebben zij op 7 april 2015 een overlegprotocol ondertekend (hierna:
het Overlegprotocol).
4.10.
Bij brief van 3 november 2015 heeft de Stichting aan de staatssecretaris van Financiën bericht dat zij van Staatsloterij opeisbaar te vorderen heeft een bedrag van € 377.000.000, te vermeerderen met rente en kosten. Op 11 november 2015 heeft de Stichting niet alleen Staatsloterij en de Staat bij deurwaardersexploot voor dit bedrag aansprakelijk gesteld, maar ook de oud-bestuurders van Staatsloterij, de bestuurder, de leden van de raad van commissarissen en de controlerend accountant (in persoon). Staatsloterij heeft het Overlegprotocol daarop beëindigd.
De Collectieve regeling
4.11.
Op 3 april 2017 hebben Staatsloterij en de – van het Loterijverlies-initiatief losstaande – Stichting Staatsloterijschadeclaim.nl een vaststellingsovereenkomst gesloten. Die vaststellingsovereenkomst behelsde een collectieve regeling voor alle mensen die in de periode van 2000 tot en met 2007 en bij de Koninginnedagtrekking 2008 hebben meegespeeld met de Nederlandse Staatsloterij. Samengevat voorzag deze regeling in:
  • i) een bijzondere trekking van de Nederlandse Staatsloterij op 27 mei 2017, waaraan alle mensen die in de genoemde periode hadden meegespeeld konden deelnemen (hierna:
  • ii) een schenking van € 500.000 in totaal aan drie goede doelen;
  • iii) een vergoeding van € 40 per persoon voor deelnemers die waren aangesloten bij Stichting Staatsloterijschadeclaim.nl, de Stichting of Loterijverlies; en
  • iv) de instelling van een ombudsman/vrouw.
Deze regeling (hierna:
de Collectieve regeling) is op 10 april 2017 in een persconferentie aan het publiek gepresenteerd.
4.12.
Op 18 mei 2017 heeft Loterijverlies aan onder andere Staatsloterij een brief laten betekenen met daarbij, aldus het exploot, een lijst met 193.613 namen en diverse versies van de door haar en haar rechtsvoorgangers gehanteerde algemene voorwaarden. In die brief staat onder meer het volgende:
“Zoals u bekend is Loterijverlies met de deelnemers overeengekomen dat het aan Loterijverlies voorbehouden is met een bepaald schikkingsvoorstel (als door Staatsloterij B.V. gecommuniceerd) al dan niet akkoord te gaan. Deze voorwaarden zijn u tevens middels verschillende wegen kenbaar geworden (…) Als u bekend is Loterijverlies te nimmer akkoord met de betreffende schikking (…)
Uitdrukkelijk wordt hierbij dan ook nogmaals aangegeven dat het door u gecommuniceerde schikkingsvoorstel absoluut niet akkoord is voor de deelnemers van Loterijverlies en de belangen van de deelnemers in soortgelijke ofwel algemene zin die Loterijverlies behartigt en al ware zij in uw beleving iets aangegaan ter afdoening dan hebben zij onbevoegd gehandeld. (…)
Van een definitieve afwikkeling of iets dergelijks is dan ook geen enkele sprake voor wat betreft de deelnemers als u aantreft op bijgevoegde lijst en overigens geen enkel gevolg al ware u in de veronderstelling dat er sprake is van een afdoening in welke zin dan ook van onderliggend geschil. Voor zover nodig wordt dan ook een beroep gedaan op de onbevoegdheid van de deelnemers in deze en voor zover nodig wordt hierbij dan ook tevens de nietigheid cq. vernietigheid ten overvloede ingeroepen van de betreffende niet tot stand gekomen, althans niet rechtsgeldig tot stand gekomen overeenkomsten tot finale kwijtingen/afdoeningen.
Daarbij wordt verwezen naar de Algemene Voorwaarden van 2008, van juni 2008, van 4 juni 2013, van 6 augustus 2013, van 12 juni 2015, van 30 juni 2015, van 24 juli 2015, van 25 augustus 2016 en van 24 oktober 2016. Bijgevoegd zijn twee ongedateerde voorwaarden (blijkens de tekst in werking getreden op 1 april 2008, respectievelijk 26 juni 2008), alsmede Algemene Voorwaarden van 4 juni 2013, 6 augustus 2013, 5 december 2014, 30 januari 2015, 12 juni 2015, 24 juli 2016, 25 augustus 2016 en 24 oktober 2016.”
4.13.
De bijzondere trekking van de Nederlandse Staatsloterij als bedoeld in de Collectieve regeling heeft op 27 mei 2017 plaatsgevonden.
De Schadevergoedingsactie
4.14.
Bij dagvaarding van 26 augustus 2016 heeft Loterijverlies een bodemprocedure tegen Staatsloterij aanhangig gemaakt, waarin zij schadevergoeding vorderde namens de deelnemers die zich bij de Stichting (of haar rechtsvoorgangers) hadden aangemeld (hierna:
de Schadevergoedingsactie). Loterijverlies vorderde dat Staatsloterij haar de nominale waarde zou betalen van de loten die in de relevante periode door de Deelnemers waren gekocht.
4.15.
Op 12 oktober 2016 heeft Staatsloterij in die procedure een incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van Loterijverlies ingesteld.
4.16.
De Stichting is op 19 april 2017 in de Schadevergoedingsactie tussengekomen en heeft bij akte laten weten dat zij de opvatting van Staatsloterij over de niet-ontvankelijkheid van Loterijverlies deelde.
4.17.
Op 13 december 2017 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan. [2]
De rechtbank heeft Loterijverlies niet-ontvankelijk verklaard omdat zij van oordeel was dat Loterijverlies de procedure op oneigenlijke gronden was gestart. Daarbij wees de rechtbank onder meer op de rol van [naam 1] , die als directeur feitelijk aan het roer staat van Loterijverlies. De Schadevergoedingsactie was volgens de rechtbank alleen gestart omdat [naam 1] zijn feitelijke zeggenschap in de Stichting was kwijtgeraakt, nadat de door [naam 1] aangestuurde bestuurder van de Stichting door de rechtbank Noord-Holland was vervangen wegens vermoedens van financieel wanbeheer. De rechtbank vreesde – kort gezegd: op grond van de manier waarop [naam 1] met de betrokken rechtspersonen, de inleg van de Deelnemers en de procedure omging – dat de belangen van de Deelnemers in de procedure onvoldoende waren gewaarborgd. De rechtbank kwam tot de conclusie dat Loterijverlies onder de gegeven omstandigheden misbruik van bevoegdheid maakte en daarom niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
De rechtbank overwoog onder meer het volgende:
“5.11. De rechtbank is van oordeel dat Loterijverlies B.V. haar bevoegdheid om jegens Staatsloterij een schadevergoedingsactie in te stellen misbruikt als bedoeld in artikel 3:13 BW Pro in samenhang met artikel 3:15 BW Pro. Daartoe is het volgende redengevend.
5.12.
Sinds 2008 hebben zich in totaal ongeveer 194.000 personen bij het Loterijverlies-initiatief aangemeld. Op de rechtsverhouding met deze deelnemers zijn de Algemene Voorwaarden van toepassing, waarvan regelmatig nieuwe versies van toepassing zijn verklaard. In ieder geval vanaf de versie van 4 juni 2013 definiëren de Algemene Voorwaarden ‘Loterijverlies’ als zowel Loterijverlies B.V. als Stichting Loterijverlies. Van belang is verder dat Stichting Loterijverlies in het kader van de collectieve actie in 2008 een procedure tegen Staatsloterij aanhangig heeft gemaakt, Loterijverlies B.V. was hierin geen procespartij. Die procedure eindigde uiteindelijk op 30 januari 2015 met een verwerping door de Hoge Raad van het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 mei 2013, waarin het gerechtshof voor recht had verklaard dat (de rechtsvoorganger van) Staatsloterij gedurende de periode 2000 tot en met 2008 misleidende mededelingen heeft gedaan. Enkele dagen later zijn de Algemene Voorwaarden opnieuw gewijzigd. In de versies van 12 juni 2015 en 24 juli 2015 is toen onder meer opgenomen dat ‘Loterijverlies’ is gemachtigd om op haar eigen naam en met uitsluiting van de deelnemer alle maatregelen te nemen die nodig zijn, waaronder (onderstreping rechtbank)“
het voeren van onderhandelingen namens [deelnemer] en namens [deelnemer] akkoord te gaan met concrete voorstellen die naar de inschatting van Stichting Loterijverlies in [deelnemer’s] voordeel zijn” en “
alle andere (rechts)handelingen te verrichten die Stichting Loterijverlies in dit verband nuttig en/of nodig acht, waaronder het inschakelen van derden, zoals advocaten.” In dezelfde periode hebben de deelnemers aan het Loterijverlies-initiatief een Deelnemersformulier toegezonden gekregen. Dit formulier was (onder meer) bedoeld om deelnemers akkoord te laten gaan met de gewijzigde voorwaarden van 24 juli 2015. Het Deelnemersformulier, waarop het logo van Stichting Loterijverlies prijkt, verkondigt op meerdere plaatsen uitdrukkelijk dat Stichting Loterijverlies de gemachtigde partij is die (kort gezegd) ten behoeve van de deelnemers de verdere afwikkeling van de collectieve actie zal verzorgen en in dat verband jegens Staatsloterij zal optreden; Loterijverlies B.V. wordt in het formulier op geen enkele wijze als onderhandelings- of procespartij genoemd en is slechts als mede-afzender van het formulier vermeld.
5.13.
De verdere, feitelijke gang van zaken is in lijn met deze passages uit de Algemene Voorwaarden en het Deelnemersformulier. Kort na het arrest van de Hoge Raad van 30 januari 2015 heeft Stichting Loterijverlies een advertentie in landelijke media geplaatst die erop was gericht om meer deelnemers te werven. Ook heeft minnelijk overleg plaatsgevonden tussen Stichting Loterijverlies en Staatsloterij; blijkens het door de gesprekspartners ondertekende overlegprotocol van 7 april 2015 nam Loterijverlies B.V. hieraan geen deel. Het is ook Stichting Loterijverlies geweest die op 3 november 2015 bij de staatssecretaris van Financiën aanspraak heeft gemaakt op betaling van € 377 miljoen en op 11 november 2015 de Staatsloterij, haar oud bestuurders, de huidige bestuurder, de toenmalige leden van de raad van commissarissen, de controlerend accountant en de Staat (persoonlijk) aansprakelijk heeft gesteld voor een gelijk bedrag. Niet veel later, op 29 januari 2016, heeft Stichting Loterijverlies Staatsloterij in kort geding gedagvaard en daarbij onder meer betaling gevorderd van een voorschot van € 10 miljoen op de kosten van Stichting Loterijverlies. Vervolgens, in hoger beroep tegen het afwijzende kortgedingvonnis, heeft Stichting Loterijverlies haar eis gewijzigd en tevens een voorschot op de door de deelnemers geleden schade gevorderd, bestaande uit de aankoopbedragen van de Staatsloten in de relevante periode. Over haar eigen positie vermeldt haar appeldagvaarding dat Stichting Loterijverlies de belangen van de deelnemers behartigt en uitdrukkelijk gevolmachtigd is namens deze deelnemers een voorschot te vorderen op hun uiteindelijke kosten en schadevergoeding. Opnieuw, in eerste aanleg en in hoger beroep, was Loterijverlies B.V. geen (proces)partij.
5.14.
Uit het voorgaande volgt dat de deelnemers, overeenkomstig de met hen gevoerde correspondentie, in de gerechtelijke procedures en in de onderhandelingen met Staatsloterij feitelijk steeds alleen door Stichting Loterijverlies werden vertegenwoordigd en niet door Loterijverlies B.V. Voor Loterijverlies B.V. was al die tijd, naar Staatsloterij onweersproken heeft aangevoerd, weliswaar een rol weggelegd bij het innen van de inschrijfgelden van deelnemers en het daaruit financieren van de collectieve actie, maar in het nastreven van hun belangen zijn de deelnemers steeds door Stichting Loterijverlies vertegenwoordigd geweest. Anders gezegd: Loterijverlies B.V. was niet meer dan de portemonnee van Stichting Loterijverlies die de belangen behartigde van de deelnemers. Het gegeven dat Loterijverlies B.V. en Stichting Loterijverlies zich in de Algemene Voorwaarden op enig moment als een eenheid hebben gepresenteerd, doet aan die taakverdeling en overeenkomstige, bestendige, gang van zaken niet af. Dat bedoeld is om uitsluitend Stichting Loterijverlies namens de deelnemers te laten optreden past ook eerder bij het specifieke statutaire doel van Stichting Loterijverlies (“het behartigen in en buiten rechte van de belangen van gedupeerden van kansspelen”) dan bij het meer algemeen omschreven statutaire doel van Loterijverlies B.V. (“het verlenen van juridische bijstand aan gedupeerden van kansspelen”). Daar komt bij dat Loterijverlies B.V. naar haar aard (een besloten vennootschap) geen collectieve belangen zonder winstoogmerk behartigt. De rechtbank volgt daarom Staatsloterij in haar stelling dat zowel aangesloten deelnemers als wederpartij Staatsloterij ervan mochten uitgaan dat de belangen van de deelnemers exclusief werden behartigd door Stichting Loterijverlies.
5.15.
Aan de hiervoor beschreven taakverdeling tussen de twee entiteiten en bestendige gang van zaken kwam medio 2016 abrupt een einde. Dit gebeurde kort nadat de rechtbank Noord-Holland met haar beschikking van 30 juni 2016 op verzoek van enkele bezorgde deelnemers een aan [A] gelieerde vennootschap, [naam 2] , als bestuurder van Stichting Loterijverlies had geschorst en nadat de door de rechtbank benoemde tijdelijke bestuurder [naam 3] op 19 augustus 2016 een vernietigend verslag had uitgebracht over de wijze waarop [naam 2] zich van haar bestuurstaken had gekweten. De rechtbank had in haar beschikking (die op 31 januari 2017 in hoger beroep is bekrachtigd door het gerechtshof Amsterdam) geoordeeld dat een reeks financiële transacties door Loterijverlies B.V. – waaronder substantiële betalingen aan EEL (een aan [A] gelieerde vennootschap) en de door Monticello (een eveneens aan [A] gelieerde vennootschap) aan [A] in privé verstrekte hypothecaire geldlening – reden gaven te vermoeden dat Loterijverlies B.V. de inleggelden van de deelnemers in strijd met het statutaire doel van Stichting Loterijverlies had besteed en dat [naam 2] nalatig was geweest in haar verplichtingen als bestuurder om de handelwijze van Loterijverlies B.V. - van welke vennootschap Stichting Loterijverlies geheel afhankelijk was - te controleren en daartegen actie te ondernemen. Vervolgens stelde de tijdelijke bestuurder van Stichting Loterijverlies in zijn verslag van 19 augustus 2016 vast dat (nagenoeg) het totale bedrag aan inleggelden door Loterijverlies B.V. was doorbetaald aan rechtspersonen waarin [A] geheel of gedeeltelijk belanghebbende was. Van enige rekening en verantwoording door Loterijverlies B.V., als beheerder van de inleggelden, aan Stichting Loterijverlies was de tijdelijke bestuurder bij zijn onderzoek niet gebleken. Nog geen week later, op 25 augustus 2016, werden de Algemene Voorwaarden weer gewijzigd, waarbij plotseling uitsluitend nog Loterijverlies B.V. – waarvan [A] sinds enkele weken weer (middellijk) bestuurder was geworden – als ‘Loterijverlies’ was gedefinieerd en ook elke andere vermelding van Stichting Loterijverlies uit de Algemene Voorwaarden was verwijderd. Eén dag later, op 26 augustus 2017, berichtte Loterijverlies B.V. digitaal aan deelnemers dat zij (eenzijdig) ‘het recht inroept’ om hen niet langer te laten vertegenwoordigen door Stichting Loterijverlies, zonder daarbij melding te maken van de reden om dat recht in te roepen, te weten de ontslagprocedure en de (voorlopige) uitkomst daarvan. Dezelfde dag heeft Loterijverlies B.V. Staatsloterij doen dagvaarden in de onderhavige bodemprocedure. In de daaropvolgende maanden (zie 2.30 e.v.) heeft Loterijverlies B.V. zich actief ingespannen om te bewerkstellingen (kort gezegd) dat deelnemers aan het Loterijverlies-initiatief iedere vertegenwoordiging door Stichting Loterijverlies zouden stopzetten ten gunste van een exclusieve vertegenwoordiging door Loterijverlies B.V., waarbij deelnemers werd voorgehouden dat zij geen keus hadden, nu Loterijverlies B.V. mocht beslissen wie hen vertegenwoordigde. Ook heeft Loterijverlies B.V. met een bestuursrechtelijk kort geding geprobeerd om de bijzondere trekking van de Staatsloterij van 27 mei 2017 te voorkomen, welke trekking was bedoeld als een collectieve en finale regeling voor alle deelnemers die in de periode 2000 tot en met 2007 en bij de Koninginnedagtrekking 2008 hadden meegespeeld met de Staatsloterij, met inbegrip van de deelnemers aan het Loterijverlies-initiatief.
5.16.
De hiervoor beschreven handelwijze van Loterijverlies B.V. vanaf 30 juni 2016 kan, gelet op al het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank niet worden losgezien van de persoonlijke en financiële belangen van haar (middellijk) bestuurder [A] en diens pogingen om zijn eigen belangen na de schorsing van de door hem aangewezen bestuurder bij Stichting Loterijverlies ( [naam 2] ) veilig te stellen. Op geen enkele wijze is komen vast te staan dat de belangen van de personen voor wie Loterijverlies B.V. zegt op te komen, bij haar voldoende zijn gewaarborgd. Integendeel, de beschikbare documentatie in deze zaak bevat met de gewraakte financiële transacties van Loterijverlies B.V., waaronder de substantiële betalingen aan EEL en de door Monticello aan [A] in privé verstrekte hypothecaire geldlening, concrete aanwijzingen dat [A] als feitelijk bestuurder van Loterijverlies B.V. (in ieder geval een deel van) de inleggelden van deelnemers aan het Loterijverlies-initiatief heeft doorgesluisd en deze inleggelden daarna heeft gebruikt om (onder meer) een dure villa in [plaats 2] te kopen. Deze aanwijzingen geven ernstige redenen te vermoeden dat (een deel van) de inleggelden niet zijn aangewend ter behartiging van de belangen van de deelnemers, maar dat [A] hierover heeft beschikt als ware het zijn eigen gelden. Loterijverlies B.V. heeft op geen enkele wijze deze vermoedens van financieel wanbeheer en belangenverstrengeling – die reeds zijn verwoord in de beschikkingen van de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2016 en van het gerechtshof Amsterdam van 31 januari 2017 – weggenomen. De vermoedens worden nog eens versterkt door de verklaring van [A] ter zitting dat Staatsloterij en andere betrokken partijen met hun opstelling proberen om ‘zijn’ geld te stelen.
5.17.
Aan het oordeel dat de belangen van de deelnemers bij Loterijverlies B.V. onvoldoende zijn gewaarborgd draagt verder bij dat Loterijverlies B.V. niet werkt volgens de beginselen van de op 1 juli 2011 in werking getreden Claimcode. (…)
5.18.
Uit niets blijkt dat Loterijverlies B.V. één of meer van de principes van de Claimcode naleeft. Integendeel, vaststaat dat Loterijverlies B.V. naar haar aard een winstoogmerk heeft en dat haar bestuur wordt gevormd door slechts één natuurlijk persoon ( [A] ) zonder dat op hem toezicht wordt gehouden door een onafhankelijke raad van toezicht of een ander toezichthoudend orgaan. Van belang is voorts dat Loterijverlies B.V. vanaf 2014 is gestopt met het publiceren van jaarrekeningen. Met Staatsloterij is de rechtbank daarom van oordeel dat, mede gelet op de concrete aanwijzingen voor financieel wanbeheer en belangenverstrengeling, gegronde redenen bestaan om ernstig te twijfelen aan de kwaliteit en integriteit van het bestuur en bedrijfsvoering van Loterijverlies B.V.
5.19.
Tot slot weegt mee dat Stichting Loterijverlies, die in de hoofdzaak is tussengekomen en die – zoals niet in geschil is – de deelnemers jarenlang heeft vertegenwoordigd, zich uitdrukkelijk verzet tegen de schadevergoedingsactie van Loterijverlies B.V. en zich voor wat betreft het niet-ontvankelijkheidsverweer integraal aan de zijde van Staatsloterij heeft geschaard.
5.20.
Al het voorgaande laat naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat Loterijverlies B.V. op 26 augustus 2016 om oneigenlijke motieven een collectieve actie heeft ingesteld tegen Staatsloterij en dat de belangen van de personen voor wie Loterijverlies B.V. zegt op te komen, bij haar onvoldoende zijn gewaarborgd. Voor zover Loterijverlies B.V. stelt op grond van de door haar bedoelde privatieve lastgevingen verplicht te zijn om deelnemers aan het Loterijverlies-initiatief in deze procedure of anderszins te vertegenwoordigen – hetgeen Staatsloterij uitdrukkelijk betwist – overweegt de rechtbank als volgt. Nog daargelaten dat de wijze waarop Loterijverlies B.V. stelt de privatieve last te hebben verkregen in het licht van de feiten discutabel is, volgt uit de bewoordingen van de door Loterijverlies B.V. gestelde privatieve last niet dat zij verplicht is een procedure te beginnen. Immers, volgens de tekst van de gestelde privatieve last wordt de B.V. in staat gesteld zo nodig een procedure te beginnen. Loterijverlies B.V. heeft dus de bevoegdheid gekregen een procedure te starten, maar is daartoe niet gehouden. De rechtbank is van oordeel dat Loterijverlies B.V. onder de gegeven omstandigheid misbruik maakt van de gestelde bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW Pro in samenhang met artikel 3:15 BW Pro. Derhalve kan in het midden blijven of de privatieve last ook daadwerkelijk rechtsgeldig is verkregen.”
4.18.
Loterijverlies is van dit vonnis in hoger beroep gekomen, onder aanvoering van twintig grieven. Ook heeft zij haar eis gewijzigd. Bij pleidooi heeft Loterijverlies de grondslag van haar eis nogmaals gewijzigd door voor een deel van de vordering een nieuwe grondslag aan te voeren (cessie).
4.19.
Bij arrest [3] van 8 oktober 2019 heeft het gerechtshof Den Haag Loterijverlies niet-ontvankelijk verklaard, omdat:
( i) niet was komen vast te staan dat Loterijverlies geldige lasten van deelnemers heeft verkregen, zodat zij niet procesbevoegd was;
(ii) Loterijverlies in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) had verklaard dat zij de vorderingen op grond van lastgeving door de Deelnemers instelde, wat misbruik van procesbevoegdheid opleverde;
(iii) ook op andere gronden sprake was van misbruik van procesbevoegdheid, onder meer omdat Loterijverlies niet voldeed aan de eisen van artikel 3:305a lid 2 BW en de Claimcode.
Aan de door Loterijverlies gestelde cessies ging het hof voorbij, omdat zij die pas tijdens het pleidooi en dus te laat had aangevoerd.
Het hof overwoog onder meer het volgende:
“37. Nu op geen van de door LV (
Loterijverlies, Rb) aangevoerde grondslagen kan worden aangenomen dat LV procesbevoegdheid had en heeft, dient zij al op die grond niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Misbruik van (proces)recht wegens handelen in strijd met de waarheidsplicht?
38. Voorts slaagt naar het oordeel van het hof het beroep van SL (
Staatsloterij, Rb) op artikel 21 Rv Pro.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is ervan uit te gaan dat door ondertekening van het deelnemersformulier 2015 door (vrijwel) alle in 2016 nog aangesloten deelnemers tot ten minste 21 december 2016 uitsluitend de Stichting een machtiging had om in eigen naam voor deze deelnemers op te treden. LV die voortdurend benadrukt dat zij het handelen van de Stichting bepaalde en de directie voerde over de acties van de Stichting, moet daarvan en van het begin 2016 door de Stichting tegen SL aanhangig gemaakte kort geding, waarin (in hoger beroep, in de AD (
appeldagvaarding, Rb) van 25 februari 2016) ten behoeve van dezelfde 194.000 deelnemers een voorschot op dezelfde kosten/schade werd gevorderd, op de hoogte zijn geweest toen zij op 26 augustus 2016 (kort na de schorsing van [naam 2] als bestuurder van de Stichting) de onderhavige procedure aanhangig maakte. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat LV de rechter bewust onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd toen zij in de ID (
inleidende dagvaarding, Rb) stelde dat zij in eigen naam optrad ten behoeve van dezelfde 194.000 deelnemers op grond van aan haar gegeven lasten/machtigingen en daarmee op grove wijze in strijd met de in artikel 21 Rv Pro neergelegde waarheidsplicht heeft gehandeld. Het hof is van oordeel dat LV door op deze wijze een procedure aanhangig te maken en voort te procederen misbruik van (proces)bevoegdheid maakt.
39. Met haar beroep op de deelnemersformulieren 2016 en de Algemene Voorwaarden van 24 oktober 2016 stelt LV dat uiteindelijk, tijdens de procedure en nadat de gestelde lastgevingen – terecht – door SL waren betwist, alsnog een deel van de 194.000 deelnemers haar middels ondertekening van de deelnemersformulieren 2016 in november/december 2016 heeft gemachtigd in eigen naam voor die deelnemers op te treden. Dit doet er niet aan af dat zij de rechter in de ID en ook nog in haar CvA-NO [4] bewust onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd. Dat een procespartij die krachtens lastgeving in eigen naam in rechte optreedt niet gehouden is te vermelden dat hij ter behartiging van de belangen van een ander optreedt, dat hij pas hoeft te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is om op eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden in het geval het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft en dat die lasthebber ook pas in hoger beroep kan meedelen dat hij ten behoeve van een ander optreedt, doet hier evenmin aan af. In die gevallen gaat het om de vraag wie vorderingsgerechtigde is. Dat kan en mag een ander (blijken te) zijn dan de formele procespartij, maar dat is geen vrijbrief om zich als formele procespartij in strijd met de waarheid te presenteren als lasthebber van concrete vorderingsgerechtigden en in die hoedanigheid een procedure tot inning van hun vorderingen te beginnen. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat het mogelijk is om middels een tijdens de procedure verleende last van de vorderingsgerechtigde aan de formele procespartij te voorkomen dat de vordering wordt afgewezen omdat de formele procespartij niet (langer) de vorderingsgerechtigde blijkt te zijn (HR 16 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2112), welke situatie hier niet aan de orde is. In die gevallen is sprake van herstel van een “onjuistheid of vergissing” met betrekking tot de vorderingsgerechtigdheid. In dit geval is echter steeds duidelijk geweest wie de vorderingsgerechtigden zijn (en waren) en heeft LV zich niet slechts gepresenteerd als formele procespartij, van wie onduidelijk kan en mag zijn ten behoeve van wiens belangen hij optreedt, maar heeft zij ook in strijd met de waarheid gesteld dat zij optrad ten behoeve van de vorderingsgerechtigden.
(…)
43. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat sprake is van misbruik van (proces)bevoegdheid en de daarvoor door de rechtbank gegeven gronden in rechtsoverwegingen 5.3 tot en met 5.20 van het bestreden vonnis, die het hof overneemt. In dit verband merkt het hof op dat de ook in hoger beroep vaststaande feiten waarop dit oordeel is gebaseerd niet zijn betwist en dat deze feiten ook naar het oordeel van het hof de conclusies kunnen dragen die hieruit zijn getrokken. Aan hetgeen de rechtbank ter onderbouwing van haar oordeel dat sprake is van misbruik van (proces)bevoegdheid heeft overwogen voegt het hof bovendien het volgende toe.
44. Met de rechtbank en de wetgever is het hof van oordeel dat het instellen van een collectieve actie om oneigenlijke motieven in bepaalde gevallen kan worden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid. Daarvan kan sprake zijn als de belangen van de personen voor wie wordt opgekomen door de claimorganisatie onvoldoende worden gewaarborgd. Artikel 3:305a, lid 2 BW kan als een concretisering van misbruik van procesbevoegdheid worden gezien (zie Kamerstukken II, 2011/12, 33126, nr 3, p. 13). Het aanhaken bij lid 2 van artikel 3:305a BW (en het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 3:305a BW en de Claimcode) voor de invulling van de algemeen, ook voor andere eisers dan stichtingen en verenigingen in een artikel 3:305a BW-procedure, geldende norm dat geen misbruik mag worden gemaakt van (proces) bevoegdheid in een geval waarin een (rechts)persoon een collectieve actie ten behoeve van een groep benadeelden instelt, acht het hof een juist uitgangspunt. Dezelfde belangen, zoals het (algemeen) belang dat wildgroei van claim-/belangenorganisaties met oneigenlijke motieven en met name ge-/misbruik van het collectief actierecht voor eigen commerciële doelen wordt voorkomen, verdienen ook dan bescherming. Anders dan LV stelt heeft ook de onderneming tegen wie zich een collectieve actie richt er belang bij dat de partij die voor de benadeelden optreedt ook daadwerkelijk de belangen van die benadeelden behartigt op een professionele en eerlijke wijze, ook al opdat een rechtvaardige oplossing kan worden bereikt. Overigens is het naar het oordeel van het hof een miskenning van de realiteit om in dit soort gevallen, waar het gaat om per individu geringe belangen, een strikt onderscheid te maken tussen het aansluiten van benadeelden bij een claimstichting om (al dan niet met een last of machtiging) hun belangen te behartigen en het geven van een last of machtiging door benadeelden aan een claimorganisatie om hun belangen te behartigen. De meeste benadeelden zal het onverschillig laten of zij al dan niet een last of machtiging geven omdat zij hun vordering toch niet zelf willen of kunnen innen. De enkele omstandigheid dat geprocedeerd wordt op grond van machtigingen of lasten is dan ook onvoldoende reden om te oordelen dat geen sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheid in dit soort gevallen. Het bovenstaande geldt te meer naarmate de aanhangig gemaakte procedure meer trekken heeft van een “3:305a BW-procedure”. In dit verband merkt het hof op dat LV enerzijds stelt op grond van lasten of machtigingen (of cessies) van individuele deelnemers te procederen, maar anderzijds verzuimt de gebundelde individuele zaken per individuele zaak afzonderlijk te behandelen. Bundeling van claims via lastgeving of een procesvolmacht van vele individuen is mogelijk, maar die gebundelde claims moeten in dat geval, anders dan in een procedure ex artikel 3:305a BW, worden beschouwd als een even groot aantal individuele vorderingen die in een reguliere civiele procedure worden afgewikkeld en zaak voor zaak individueel bekeken en onderbouwd moeten worden. SL heeft onbetwist gesteld dat individuele vorderingen zoals die van de deelnemers zich niet laten bundelen op een wijze zoals LV dat kennelijk thans voorstaat. Door dat toch te doen kiest LV zelf voor aansluiting bij (de voordelen van) artikel 3:305a BW.
45. Voorts acht het hof overigens nog van belang voor het oordeel dat LV misbruik van (proces)bevoegdheid maakt
a. de wijze waarop LV in 2016 machtigingen van (80.000) deelnemers heeft gekregen;
b. de eigen verantwoordelijkheid of verplichting van LV jegens de deelnemers om de inschrijfgelden ter behartiging van hun belangen te gebruiken;
c. het beroep van LV op onbevoegdheid van de deelnemers om in te stemmen met de SL-regeling (bijzondere trekking).
Ad a.
46. Zoals hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat (vrijwel) alle deelnemers medio 2015 een machtiging aan uitsluitend de Stichting hebben gegeven om maatregen tegen SL te nemen, waaronder het beginnen van een procedure tegen SL. Dat sloot ook aan bij de eerdere door de Stichting gevoerde 3:305a Rv-procedure en is in overeenstemming met de wens en/of de indruk van de meeste deelnemers, toen zij zich aansloten bij het Loterijverlies-initiatief. Immers, volgens de eigen stellingen van LV hebben ongeveer 180.000 deelnemers zich pas bij het Loterijverlies-initiatief aangesloten toen de Stichting in 2013 bij het hof Den Haag en in 2015 bij de Hoge Raad succesvol was gebleken in de procedure tegen de SL, deels na een door/onder het logo van de Stichting in 2015 geplaatste advertentie waarbij nieuwe deelnemers werden geworven. Daardoor is, de door de rechtbank in rechtsoverwegingen 5.13 en 5.14 van het bestreden vonnis genoemde omstandigheden mede in aanmerking nemende, bij de deelnemers de indruk gewekt en mochten de deelnemers ervan uitgaan dat hun belangen behartigd werden, althans voor hen jegens SL werd opgetreden door uitsluitend de Stichting, een claimorganisatie zonder winstoogmerk.
47. Nadat LV en [betrokkene] door het ontslag van [naam 2] als bestuurder van de Stichting geen (indirecte) zeggenschap meer hadden over de Stichting heeft LV/ [betrokkene] aan de deelnemers in de nieuwsbrief (52) van “Team Loterijverlies” van 26 augustus 2016 bericht dat LV het recht heeft om de deelnemers niet verder te laten vertegenwoordigen door de Stichting en dat zij hierbij dat recht inroept. Daarbij is geen melding gemaakt van voormelde procedure die tot het ontslag van [naam 2] heeft geleid. Ook al in informatiebrief 50 werd medegedeeld dat LV het recht heeft de vertegenwoordiging door de Stichting van de deelnemers per direct te herroepen (zie beschikking Rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2016, ro. 5.5; productie 11 SL). De deelnemers werd medegedeeld dat zij in het vervolg vertegenwoordigd zouden worden door LV. SL heeft betwist dat LV deze bevoegdheid had. Nu LV in reactie daarop de bevoegdheid, waarop zij zich in de nieuwsbrieven beriep niet heeft onderbouwd, gaat het hof ervan uit dat zij die bevoegdheid niet had en deze mededeling dus onjuist was en zij de deelnemers daardoor op het verkeerde been heeft gezet. Toen zij vervolgens de deelnemers door ondertekening van het deelnemersformulier 2016 liet verklaren dat zij elke rechtsrelatie met de Stichting opzegden en liet instemmen met nieuwe algemene voorwaarden, waarin zij LV machtigden, was, uitgaande van de eerdere mededeling dat die relatie al was beëindigd en LV hen inmiddels vertegenwoordigde, geen sprake van een reële keuze. Het formulier bevatte bovendien de onjuiste, althans onvolledige mededeling: “ondergetekende blijft vertegenwoordigd door Loterijverlies.nl BV”, terwijl op dat moment alleen de Stichting gemachtigd was (in eigen naam) ten behoeve van de deelnemers maatregelen tegen SL te nemen en te procederen. Toen de deelnemers het deelnemersformulier 2016 ter tekening voorgelegd kregen was LV bovendien al een procedure ten behoeve van die deelnemers gestart. Dat er voor de deelnemers die de actie tegen SL wilden voortzetten geen reële andere keuze was dan het deelnemersformulier 2016 te tekenen en in te stemmen met de Algemene Voorwaarden en de daarin vermelde machtiging van LV, geldt te meer nu de Stichting, zoals LV zelf stelt, niet over de inschrijfgelden kon beschikken en dus geen middelen had om voort te procederen of andere maatregelen te nemen.
Daarbij komt dat uit de tekst van het deelnemersformulier niet (duidelijk) blijkt dat (via instemming met nieuwe algemene voorwaarden) een machtiging aan LV wordt gegeven en dat het ‘overstappen’ van de Stichting naar een B.V. een wezenlijke verandering inhoudt voor de deelnemers: een stichting heeft een uitkeringsverbod en geen winstoogmerk terwijl een besloten vennootschap juist wel een commerciële rol in het handelsverkeer speelt. De doelstellingen van deze twee rechtspersonen, waarbij de Stichting in en buiten rechte de belangenbehartiging van gedupeerden in kansspelen nastreeft en LV ten doel heeft a) het verlenen van juridische bijstand aan gedupeerden van kansspelen, b) het onder meer besturen, deelnemen en zekerheid stellen voor andere belangengemeenschappen ongeacht doel of rechtsvorm alsmede c) het verstrekken van geldleningen en financieringen aan andere ondernemingen en personen, is eveneens wezenlijk anders. De daadwerkelijke belangenbehartiging is immers verworden tot het enkel verlenen van juridische bijstand en de doelen van LV onder b en c hebben geen direct verband met de voorgestane belangenbehartiging. De deelnemers zijn over deze wijzigingen in hun rechtspositie op geen enkele wijze geïnformeerd.
Het gebruik maken door LV van de op deze wijze verkregen (proces)bevoegdheid, waarbij de deelnemers onvoldoende zijn geïnformeerd over wijzigingen die van belang zijn voor hun rechtspositie, acht het hof een reden te meer om aan te nemen dat sprake is van misbruik van (proces)bevoegdheid.
Ad b
48. Zoals hiervoor overwogen mochten de deelnemers ervan uitgaan dat de Stichting zonder winstoogmerk hun belangen behartigde, althans namens hen hun vermeende vorderingen op SL zou innen, zo nodig door te procederen. Dat LV de inschrijfgelden inde doet daar niet aan af. Nog daargelaten dat dat de meeste deelnemers niet zal zijn opgevallen, blijkt daarvan pas nadat de deelnemer zich heeft aangesloten en de overeenkomst is gesloten. Bovendien doet de omstandigheid dat een gelieerde vennootschap het inschrijfgeld (naar buiten toe voor de Stichting) int niet af aan de indruk dat de Stichting de belangen behartigde. Dat geldt ook voor de overige betrokkenheid van LV/ [betrokkene] bij het Loterijverlies-initiatief, bestaande uit het verrichten van administratieve en juridische werkzaamheden ten behoeve van de actie/de Stichting. Dat de deelnemers ervan mochten uitgaan dat de Stichting hun belangen behartigde brengt mee dat zij er ook van mochten uitgaan dat hun inschrijfgelden zouden worden gebruikt ter behartiging van hun belangen en dat er geen sprake was van een winstoogmerk bij de voor hen optredende Stichting. Onder de gegeven omstandigheden, te weten
- dat, naar eigen stellingen van LV, zij/ [betrokkene] als ‘ultimate beneficial owner’ (UBO) steeds bepaalde wat de Stichting deed – zelfs toen [naam 2] (met (werknemers van) een trustmaatschappij als bestuurder) bestuurder van de Stichting was geworden in februari 2016 –,
- dat de Stichting financieel van LV afhankelijk was omdat alleen LV over de inschrijfgelden kon beschikken en
- dat LV zelf heeft gekozen voor deze constructie,
moet worden aangenomen dat ook LV een (eigen) verantwoordelijkheid of verplichting jegens de deelnemers had om de inschrijfgelden te gebruiken ter behartiging van hun belangen. Wellicht zou daarover anders geoordeeld kunnen worden als LV de ware motieven van [betrokkene] bij deze actie (een verdienmodel voor [betrokkene] met primair zijn eigen financiële gewin) aan de deelnemers duidelijk zou hebben gemaakt. Dat dat gebeurd is, is niet gesteld of gebleken. Integendeel, naar SL onbetwist heeft gesteld (punt 8.2 C-NO), was LV financieel niet transparant en is zij gestopt met het publiceren van jaarrekeningen.
49. Dat uit de inschrijfgelden met de inning van de vorderingen en de procedures gemoeide kosten, waaronder de kosten van werkzaamheden van [betrokkene] , betaald moesten worden is niet in strijd met de verplichting de inschrijfgelden te gebruiken ter behartiging van de belangen van de deelnemers. [betrokkene] heeft in zoverre een gerechtvaardigd commercieel belang bij de actie dat hij voor door hem verrichte werkzaamheden een redelijke vergoeding mag ontvangen. LV betoogt echter dat de inschrijfgelden aan haar/ [betrokkene] toekomen en dat zij/hij daarover vrijelijk mag beschikken en niet gehouden is deze (slechts) te gebruiken ter behartiging van de belangen van de deelnemers, zolang de deelnemers de beloofde juridische bijstand wordt verleend, waarbij overigens LV blijkens de Algemene Voorwaarden, zonder inspraak of overleg met de deelnemers, kan bepalen wat die bijstand inhoudt. Daarmee handelt zij (wel) in strijd met haar (eigen) verplichting de inschrijfgelden ter behartiging van de belangen van de deelnemers aan te wenden. Dat zij daarmee in strijd handelt blijkt niet alleen uit haar eigen stellingen, maar ook uit door LV/ [betrokkene] verrichte (rechts)handelingen, zoals het aangaan van de EEL-afspraak en het door LV/ [betrokkene] gedane beroep op onbevoegdheid van de deelnemers om in te stemmen met de SL-regeling. Op grond van de EEL-afspraak betaalde zij een, naar zij ook zelf stelt (punt 61 PA LV), (veel) te hoog bedrag voor (formeel) door EEL verrichte administratieve werkzaamheden (bij pleidooi in hoger beroep heeft SL gesteld dat het bedrag 15 maal te hoog was), terwijl [betrokkene] aandeelhouder was van EEL en een trustmaatschappij optrad als bestuurder. De stelling van LV dat zij dat tevoren niet kon weten en het door haar afgesproken vaste bedrag toen redelijk leek, is niet erg geloofwaardig nu opdrachtnemer en opdrachtgever uiteindelijk dezelfde UBO hadden – namelijk [betrokkene] – en LV heeft erkend dat het afgesproken bedrag (veel) te hoog was.
Dat LV ook een (eigen) verantwoordelijkheid of verplichting had om de inschrijfgelden te gebruiken ter behartiging van de belangen van de deelnemers, maakt de conclusie dat de belangen van de deelnemers onvoldoende zijn gewaarborgd, des te kwalijker en zwaarwegender.
Ad c
50. Dat LV de belangen van de deelnemers onvoldoende heeft gewaarborgd volgt ook uit de omstandigheden
- dat in haar Algemene Voorwaarden is neergelegd dat LV mag bepalen of cliënt met een schikkingsvoorstel akkoord dient te gaan;
- dat de in de oudere Algemene Voorwaarden voorkomende zin “raadpleging van de cliënt zal te allen tijde voorafgaand aan een dergelijk besluit (om met een schikkings-voorstel al dan niet akkoord te gaan) plaatsvinden” en artikel G2 (waarin er kennelijk van wordt uitgegaan dat cliënt uiteindelijk bepaalt of hij met een schikkingsvoorstel akkoord gaat) in de Algemene Voorwaarden vanaf 12 juni 2015 zijn geschrapt en
- dat LV op grond daarvan bij (betekende) brief aan SL d.d. 18 mei 2017 namens 193.613 deelnemers heeft medegedeeld dat niet met de SL-regeling akkoord wordt gegaan, dat eventuele instemming daarmee onbevoegd is geschied en dat de nietigheid of vernietigbaarheid daarvan wordt ingeroepen (productie 82 SL);
- dat niet gesteld of gebleken is dat de deelnemers op de hoogte zijn gesteld van deze actie van LV; indien zij op de hoogte zouden zijn gesteld hadden zij de mogelijkheid gehad om de relatie met LV op te zeggen.
LV, die zelf stelt (in punten 350 en 351 AD) dat haar eigen belang bij instemming met de SL-regeling werd geschaad omdat zij op basis van no cure no pay werkt en geen reële vergoeding op basis van gratis verstrekte loten kon krijgen, heeft zich hier laten leiden door haar eigen commerciële motieven en niet door de kennelijke wens van de deelnemers die met de SL-regeling hebben ingestemd. Het hof gaat ervan uit dat een aanzienlijk aantal deelnemers met de SL-regeling heeft ingestemd. In haar pleitnota (punt 27) schrijft LV dat het gros van de deelnemers heeft meegedaan aan de bijzondere trekking. Ter zitting heeft [betrokkene] dit vervolgens ingetrokken, stellende dat SL weliswaar heeft aangegeven dat 65.000 deelnemers hebben meegedaan met de bijzondere trekking, maar dat hij thans van oordeel is dat geen enkele deelnemer (rechtsgeldig, begrijpt het hof) met de SL-regeling heeft ingestemd.”
4.20.
Tegen het arrest van het hof in de Schadevergoedingsactie is geen cassatieberoep ingesteld, zodat het in kracht van gewijsde is gegaan.

5.Het geschil

In conventie

5.1.
Staatsloterij vordert – samengevat – om Loterijverlies bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van:
1. een vergoeding aan Staatsloterij voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Loterijverlies tijdens de Schadevergoedingsactie bij deze rechtbank en het Hof Den Haag, bestaande uit in totaal € 723.055,42 aan advocaatkosten en interne kosten die Staatsloterij heeft gemaakt in verband met de Schadevergoedingsactie (minus de al door de rechtbank en het hof toegewezen forfaitaire bedragen), te vermeerderen met de wettelijke rente sinds 26 augustus 2016 of een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum; en
2. de kosten van dit geding, vermeerderd met de wettelijke rente daarover als niet binnen 14 dagen na betekening wordt betaald.
5.2.
Loterijverlies voert verweer. Loterijverlies concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Staatsloterij, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Staatsloterij, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Staatsloterij in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente daarover als niet binnen 14 dagen na betekening wordt betaald.
In reconventie
5.3.
Loterijverlies vordert, na wijziging van eis:
PRIMAIR
I. Te verklaren voor recht dat Staatsloterij zich onrechtmatig heeft gedragen jegens Loterijverlies;
II. Te verklaren voor recht dat Staatsloterij misbruik van recht heeft gemaakt;
III. Te verklaren voor recht dat Staatsloterij in strijd heeft gehandeld met artikel 21 Rv Pro;
IV. Staatsloterij te veroordelen tot vergoeding van de door Loterijverlies geleden schade en nog te lijden schade ten gevolge van onder andere het organiseren van de gratis trekking, het schenden van het onderhandelingsprotocol en het (actief) benaderen van klanten van Loterijverlies en een overeenkomst buiten Loterijverlies om te hebben gesloten met schade ten gevolge ten bedrage van € 13.077.969,15, althans een bedrag door de rechtbank te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2017 voor wat betreft het bedrag van € 7.357.476,56 (
component B) en ter zake het bedrag van € 5.720.492,59 (
component A) betreffende de misgelopen donaties per jaar bepaald op telkens 2 juli van een betreffend jaar als beginpunt vanaf het jaar 2019 tot en met 2025 de rente vanaf 2 juli per jaar, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening
V. Staatsloterij te veroordelen tot vergoeding van de door Loterijverlies geleden schade, bestaande uit gederfde vrijwillige bijdragen, nader op te maken staat;
SUBSIDIAIR
VI. Te verklaren voor recht dat Staatsloterij onrechtmatig jegens Loterijverlies heeft gehandeld en deswege jegens Loterijverlies aansprakelijk is voor de ten gevolge van dit onrechtmatig handelen geleden schade, op te maken bij staat,
PRIMAIR EN SUBSIDIAIR
met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Staatsloterij in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente daarover als niet binnen 14 dagen na betekening wordt betaald.
5.4.
Staatsloterij voert verweer. Staatsloterij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Loterijverlies, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Loterijverlies in de kosten van de procedure in reconventie, vermeerderd met de wettelijke rente daarover als niet binnen 14 dagen na betekening wordt betaald.
5.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

6.De beoordeling in conventie

Misbruik van recht en schending van artikel 21 Rv Pro; gezag van gewijsde

6.1.
Het arrest van het hof in de Schadevergoedingsactie van 8 oktober 2019 is in kracht van gewijsde gegaan. Dit staat in deze procedure niet ter discussie.
6.2.
Staatsloterij beroept zich in deze procedure op het gezag van gewijsde van de beslissingen die het hof in dit arrest heeft genomen over schending van de waarheidsplicht en misbruik van (proces)bevoegdheid door Loterijverlies in de Schadevergoedingsactie.
6.3.
Loterijverlies ontkent niet dat de beslissingen van het hof voor wat betreft schending van de waarheidsplicht en misbruik van (proces)bevoegdheid door Loterijverlies in de Schadevergoedingsactie tussen partijen gezag van gewijsde hebben gekregen.
6.4.
Op grond van artikel 236 Rv Pro staat in deze procedure dus vast dat Loterijverlies in de Schadevergoedingsactie:
  • op grove wijze in strijd met de in artikel 21 Rv Pro neergelegde waarheidsplicht heeft gehandeld door de rechters in eerste aanleg en appel bewust onjuist en onvolledig te informeren en te stellen dat zij optrad ten behoeve van de vorderingsgerechtigden;
  • misbruik heeft gemaakt van haar (proces)bevoegdheid door op die manier een procedure aanhangig te maken en voort te procederen;
  • ook misbruik heeft gemaakt van haar (proces)bevoegdheid omdat zij de Schadevergoedingsactie om oneigenlijke motieven heeft aangespannen.
6.5.
Hieruit volgt dat het partijdebat in deze procedure louter nog kan gaan over de schade die Staatsloterij daardoor lijdt; hierover heeft het hof niet geoordeeld.
Onrechtmatige daad; toerekening; causaal verband; relativiteit
6.6.
Loterijverlies heeft in conventie betwist dat sprake is van onrechtmatig handelen en van toerekenbaarheid van schade aan Loterijverlies. Ook heeft zij het bestaan van een causaal verband tussen de opgevoerde kosten/schade van Staatsloterij en het handelen van Loterijverlies betwist en stelt zij dat de relativiteit tussen de gestelde schade van Staatsloterij en de gesteld geschonden norm ontbreekt. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.
6.7.
Het hof heeft onder meer vastgesteld dat Loterijverlies haar bevoegdheid om de Schadevergoedingsactie aanhangig te maken en hoger beroep in te stellen heeft gebruikt met een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. In de overwegingen waarin het hof oordeelt dat Loterijverlies de rechters ‘bewust onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd’ (rechtsoverwegingen 38 en 39), dat Loterijverlies de procedure om ‘oneigenlijke motieven’ heeft aangespannen (rechtsoverwegingen 43 en 44) en dat Loterijverlies haar bevoegdheid om te procederen heeft ‘misbruikt’ (rechtsoverwegingen 38, 43, 44, 47 en 52), ligt besloten dat naar het oordeel van het hof sprake was van kwade trouw aan de zijde van Loterijverlies.
6.8.
Het misbruiken van de bevoegdheid om te procederen is in strijd met artikel 3:13 BW Pro en in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daarmee is het een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Gelet op de door de rechtbank en het hof in de Schadevergoedingsactie vastgestelde kwade trouw aan de zijde van Loterijverlies kan deze onrechtmatigheid en de daaruit voortvloeiende schade haar ook worden toegerekend.
6.9.
Een wederpartij die zich moet verweren in een op oneigenlijke gronden aanhangig gemaakte collectieve procedure die ook nog eens op oneigenlijke wijze wordt gevoerd – namelijk met ‘grove schending’ van de waarheidsplicht – zal advocaatkosten moeten maken en tijd en moeite aan het verweer moet spenderen. Daarmee is het causaal verband tussen de door Staatsloterij voor de Schadevergoedingsactie gemaakte advocaatkosten en de interne kosten voor het voeren van deze procedure in beginsel gegeven. Wel zal de rechtbank hierna nog moeten vaststellen welke van de door Staatsloterij gevorderde bedragen voortkomen uit het onrechtmatig indienen en voeren van de Schadevergoedingsactie.
6.10.
Het verbod op het maken van misbruik van (proces)bevoegdheid is mede bedoeld om wederpartijen te behoeden voor onnodige kosten en moeite. Ook aan de relativiteitseis van artikel 6:163 BW Pro is daarom in beginsel voldaan.
6.11.
Nu vaststaat dat Loterijverlies (onrechtmatig) misbruik heeft gemaakt van haar procesbevoegdheid, geldt een uitzondering op de hoofdregel dat de verliezende partij in een civiele procedure haar wederpartij slechts een forfaitair bedrag aan proceskostenvergoeding hoeft te betalen. Staatsloterij kan Loterijverlies daarom, in weerwil van de artikelen 6:96 BW en 237 e.v. Rv, aanspreken voor de vergoeding van de werkelijke proceskosten die zij heeft gemaakt om de Schadevergoedingsactie te voeren. [5]
6.12.
De omvang van de gevorderde schadeposten zal de rechtbank hierna apart beoordelen, na de beoordeling van het door Loterijverlies gevoerde verjaringsverweer.
Verjaring
Verjaring: standpunten van partijen
6.13.
Loterijverlies stelt dat zij na het arrest van het hof op 8 oktober 2019 niets meer van Staatsloterij heeft vernomen. In elk geval, zo stelt Loterijverlies, had Staatsloterij nog geen vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad tegen haar ingesteld tot zij op 24 december 2024 het bericht ontving dat Staatsloterij schadevergoeding van haar verlangt. Volgens Loterijverlies heeft Staatsloterij deze vordering niet eerder kenbaar gemaakt en heeft Staatsloterij deze vordering ook niet gestuit. Staatsloterij heeft weliswaar als productie 17 een stuitingsbrief van 8 juli 2021 overgelegd, maar Loterijverlies betwist dat zij deze brief heeft ontvangen en stelt dat zij deze brief niet eerder heeft gezien. Loterijverlies meent dat een stuiting pas werkt nadat de ontvanger die heeft ontvangen én gelezen.
6.14.
Nadat Loterijverlies dit verjaringsverweer had gevoerd, heeft Staatsloterij een e-mailbericht van haar advocaat van 8 juli 2021 overgelegd (
productie 18 SL) waaruit blijkt dat de stuitingsbrief is gestuurd aan twee e-mailadressen van Loterijverlies, met een ontvangstbevestiging van de Hotmail-server voor die e-mail (
productie 19 SL) en een leesbevestiging van de loterijverlies.nl-server voor die e-mail (
productie 20 SL).
6.15.
Loterijverlies heeft daarop aangevoerd dat de ontvangst- en leesbevestiging nog niet betekenen dat zij de e-mail ook daadwerkelijk heeft geopend en gelezen. Loterijverlies stelt dat zij haar e-mail in die periode niet opende en dat de e-mail(s) van 8 juli 2021 door het bereiken van de maximumgrootte van haar inbox op enig moment automatisch zijn gewist zonder dat zij deze heeft gelezen. Loterijverlies heeft informatie overgelegd van hoe dit werkt voor Gmail-accounts.
Verjaring: oordeel van de rechtbank
6.16.
De rechtbank is van oordeel dat Staatsloterij de vordering heeft gestuit met de brief van 8 juli 2021, en wel op grond van het volgende.
6.16.1.
Loterijverlies miskent dat de stuitingsbrief van 8 juli 2021 haar heeft ‘bereikt’ in de zin van artikel 3:37 lid 3 BW Pro als de e-mails van Staatsloterij waarbij deze stuitingsbrief was gevoegd de servers van één van haar inboxen heeft bereikt. [6] Het gaat immers om inboxen die Loterijverlies nog steeds gebruikt en van waaruit zij met Staatsloterij heeft gecommuniceerd.
6.16.2.
Vanaf het moment dat de berichten van Staatsloterij op de servers van de door haar gebruikte e-mailproviders waren aangekomen, lag het in de risicosfeer van Loterijverlies of de systemen van haar provider en haar eigen systemen werkten én of Loterijverlies ervoor koos de berichten te lezen. Om te kunnen zeggen dat de stuitingsbrief Loterijverlies heeft ‘bereikt’, is het daarom niet nodig dat zij die brief daadwerkelijk heeft gelezen: het niet lezen van berichten in haar inbox is een keuze die voor haar risico komt. [7]
6.16.3.
Loterijverlies heeft niet ontkend dat de twee e-mails die de advocaat van Staatsloterij haar op 8 juli 2021 heeft gestuurd haar beide inboxen hebben bereikt. Dit blijkt overigens ook uit de door Staatsloterij overgelegde ontvangst- en leesbevestigingen. Loterijverlies heeft gezegd dat zij de e-mails niet heeft geopend en dat haar e-mailprovider ze op enig moment heeft gewist. Maar als dit zo is, komt dat voor haar risico.
6.16.4.
Daarbij komt nog dat Staatsloterij de stuitingsbrief ook door de deurwaarder heeft laten betekenen conform artikel 55 Rv Pro. Dit betekent dat de stuitingsbrief aan het Parket is gezonden met het verzoek de brief door te zenden aan het adres van Loterijverlies in Guernsey, op de wijze voorgeschreven in het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken (
Trb. 1966, 91). Verder heeft de deurwaarder in het door Staatsloterij als productie 17 overgelegde exploot op ambtseed verklaard dat hij de stuitingsbrief ook zelf naar het adres van Guernsey heeft gezonden en dat de brief naar twee e-mailadressen van Loterijverlies is gemaild. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 55 Rv Pro.
6.16.5.
Loterijverlies heeft nog gesteld dat Staatsloterij de stuitingsbrief niet naar haar adres in Guernsey, maar naar het adres van haar bestuurder [naam 1] had moeten sturen, omdat dit adres in Nederland is en ontvangst dan zekerder was dan bij betekening aan het bedrijfsadres in Guernsey. Staatsloterij was daartoe echter niet verplicht, omdat de brief aan de rechtspersoon Loterijverlies was gericht en niet aan [naam 1] in privé. Daar komt bij dat Staatsloterij de stuitingsbrief niet alleen heeft laten betekenen, maar ook langs andere wegen aan Loterijverlies heeft verzonden.
6.17.
Het voorgaande betekent dat het verjaringsverweer faalt, zodat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering van Staatsloterij.
Geen schending waarheidsplicht door Staatsloterij
6.18.
Loterijverlies stelt dat Staatsloterij de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro heeft geschonden, onder meer omdat zij de rechtbank ‘niet heeft geïnformeerd over haar eigen schuld, het innemen van tegengestelde stellingen en onwaarheden’. Staatsloterij zou proberen te voorkomen dat de rechtbank tot een heroverweging van ‘de genomen eindbeslissing’ zou kunnen overgaan. Loterijverlies acht het zeer goed mogelijk dat het ‘gestelde misbruik van recht’ bij een heroverweging niet langer wordt vastgesteld.
6.19.
Staatsloterij heeft aangevoerd dat zij de redenering van Loterijverlies niet kan volgen. Zij meent dat sprake is van allerlei suggestieve, ondeugdelijke, en/of in het geheel niet gemotiveerde aannames en dat Loterijverlies op vrijwel alle relevante punten de stelplicht verzuimt.
6.20.
De rechtbank constateert dat een deel van dit verweer van Loterijverlies berust op de aanname dat deze rechtbank kan terugkomen op de ‘eindbeslissing’ van het hof in de Schadevergoedingsactie. Daarmee miskent Loterijverlies zowel het gesloten stelsel van rechtsmiddelen als het gezag van gewijsde: deze rechtbank kan het oordeel van het hof dat Loterijverlies de waarheidsplicht heeft geschonden en misbruik van (proces)bevoegdheid heeft gemaakt niet tenietdoen. Als zij het met het oordeel van het hof niet eens was, had Loterijverlies cassatieberoep tegen het arrest moeten instellen.
6.21.
Daarbij begrijpt de rechtbank uit het – wijdlopige en niet altijd goed te volgen – betoog van Loterijverlies dat zij wenst dat deze rechtbank vaststelt dat Staatsloterij de waarheidsplicht in andere procedures heeft geschonden. De waarheidsplicht is echter een plicht die partijen in een procedure hebben, waarop zij elkaar en de rechter hen beiden lopende die procedure kan aanspreken. Wanneer de procedure is geëindigd, kan een oordeel over het wel of niet naleven van de waarheidsplicht in die procedure alleen door een (gewoon of buitengewoon) rechtsmiddel worden gewijzigd.
6.22.
Dat volgens Loterijverlies sprake is van eigen schuld aan de zijde van Staatsloterij, maar volgens Staatsloterij niet, is een inhoudelijk verschil van inzicht en geen schending van de waarheidsplicht. Daar komt nog bij dat Loterijverlies niet duidelijk heeft gemaakt op welke wijze sprake is van eigen schuld van Staatsloterij, noch hoe dit voor de in deze procedure te nemen beslissing relevant is: veel stellingen zien namelijk op andere procedures dan de Schadevergoedingsactie. Loterijverlies heeft dit niet toegelicht en ook tijdens de zitting niet kunnen uitleggen.
Omdat Staatsloterij geen feiten heeft achtergehouden die voor de in deze procedure gevraagde beslissing relevant zijn, gaat de rechtbank voorbij aan het beroep van Loterijverlies op artikel 21 Rv Pro.
Omvang schade
6.23.
Staatsloterij vordert in totaal € 723.055,42, bestaande uit (i) € 686.493,42 aan advocaatkosten en (ii) € 41.175,- aan interne kosten, onder aftrek van de forfaitaire proceskostenvergoedingen die de rechtbank (€ 1.749,-) en het hof (€ 716,- en € 2.148,-) in de Schadevergoedingsactie hebben toegewezen. De rechtbank zal deze posten hierna afzonderlijk behandelen.
Advocaatkosten
6.24.
Staatsloterij had de uren die haar advocaten aan de zaak hadden besteed in eerste instantie geschat als percentage van alle door haar gemaakte advocaatkosten in kwesties met Loterijverlies, de Stichting, individuele loterijdeelnemers en andere claimorganisaties, op basis van:
  • de facturen die zij in de periode van augustus 2016 tot en met oktober 2019 van haar advocaten heeft ontvangen;
  • de tijdlijn van de Schadevergoedingsactie en de acties die daarvoor nodig waren;
  • de advocaatkosten die zij in de relevante periode per jaar/maand maakte.
Staatsloterij wijst op de grote aantallen procedures en kwesties die gedurende de looptijd van de Schadevergoedingsactie liepen – niet alleen die van Loterijverlies en de Stichting maar ook die van individuele loterijdeelnemers en andere claimorganisaties. Haar advocaten splitsten deze kwesties niet uit, maar verantwoordden hun uren in één doorlopend dossier. Staatsloterij wijst erop dat de Gedragsregels advocatuur (hierna:
de Gedragsregels) niet vereisen dat voor elke kwestie een apart dossier wordt aangemaakt, maar alleen dat in rekening gebrachte kosten op een voor de cliënt (Staatsloterij dus) inzichtelijke wijze worden verantwoord.
6.25.
Loterijverlies maakt bezwaar tegen de manier waarop de advocaten van Staatsloterij de gevorderde kosten hebben onderbouwd. Zij wijst erop dat schade in beginsel concreet berekend moet worden en dat dat in dit geval ook goed mogelijk was geweest. Loterijverlies meent dat zij geen genoegen hoeft te nemen met een schatting omdat advocaten gehouden zijn om hun werkzaamheden te specificeren, opdat deze op juiste wijze gedeclareerd kunnen worden. Loterijverlies meent dat de advocaten van Staatsloterij aparte dossiers hadden moeten aanmaken om die afzonderlijk te declareren. Door dat niet te doen, is niet alleen de door Staatsloterij aan haar advocaat verstrekte opdracht onduidelijk, maar ook de omvang daarvan en is door toedoen van Staatsloterij zelf onduidelijk wat haar schade is. Staatsloterij voldoet daarom niet aan haar stelplicht, aldus Loterijverlies.
Verder stelt Loterijverlies dat niet Staatsloterij, maar de Staat de advocaten heeft betaald, zodat Loterijverlies de schade niet zelf heeft geleden.
Volgens Loterijverlies had Staatsloterij, tot slot, de advocaatkosten ook moeten maken als de (wel bevoegde) Stichting de Schadevergoedingsactie aanhangig zou hebben gemaakt. Ook om die reden is volgens Loterijverlies geen sprake van schade.
6.26.
Voor het geval dat de rechtbank wel aan begroting van de schade van Staatsloterij toekomt, stelt Loterijverlies dat het door Staatsloterij in de Schadevergoedingsactie ingediende processtuk exclusief citaten 38.648 woorden telt en inclusief citaten 47.157 woorden, verdeeld over 115 bladzijden. Loterijverlies schat dat dit gemiddeld tussen de 76 en 152 uur werk is. Als die uren worden weggezet tegen een uurtarief van ongeveer € 300,- per uur, zou Loterijverlies een vergoeding van hooguit € 45.600,- aan advocaatkosten niet meer dan logisch vinden.
6.27.
De rechtbank heeft Staatsloterij op grond van artikel 22 Rv Pro bevolen de facturen van haar advocaten waarvan zij (deels) vergoeding vraagt in het geding te brengen, met bewijzen dat zij die facturen heeft betaald.
6.28.
De rechtbank acht op basis van de nader ingediende documenten bewezen dat Staatsloterij advocaatkosten heeft moeten maken als gevolg van het onrechtmatig handelen van Loterijverlies en schat deze kosten op € 560.000,-.
6.28.1.
Het argument dat Staatsloterij de advocaatkosten ook had moeten maken als Loterijverlies op basis van een cessie of machtiging had geprocedeerd, gaat voorbij aan de vaststelling van het hof dat Loterijverlies de Schadevergoedingsactie voor een ander doel aanhangig heeft gemaakt dan waarvoor zij was bedoeld. Ook met een cessie of machtiging van de Deelnemers blijft dit onrechtmatig.
6.28.2.
Voor het voeren van verweer in een civiele procedure bij team handel van de rechtbank is professionele rechtsbijstand verplicht; ditzelfde geldt voor het voeren van verweer in hoger beroep. Het was voor Loterijverlies dus voorzienbaar dat zij Staatsloterij door het aanhangig maken van de Schadevergoedingsactie en het instellen van hoger beroep tot het maken van advocaatkosten zou dwingen.
6.28.3.
Loterijverlies heeft bovendien lijvige processtukken ingediend, met daarin veel stellingen, producties, incidenten en vorderingen die uit meerdere onderdelen bestaan. Het lezen van de processtukken en procedurele verzoeken van Loterijverlies in eerste aanleg [8] en hoger beroep; [9] het opstellen van de eigen processtukken; het reageren op de procedurele verzoeken van Loterijverlies en het bespreken van de beslissingen van de gerechten vergde van de advocaten van Staatsloterij voorzienbaar overleg met (verschillende stakeholders binnen) Staatsloterij en schrijftijd. De werkzaamheden in het kader van de Schadevergoedingsactie hebben dus uit veel meer bestaan dan alleen het indienen van één processtuk van 47.157 woorden (inclusief citaten).
6.28.4.
Staatsloterij heeft met de bewijsstukken bij en nadere toelichting in haar akte van 11 februari 2026 aangetoond dat het kantoor waarbij haar advocaten werkzaam zijn facturen heeft gezonden voor werkzaamheden die zijn uitgevoerd in de perioden dat proceshandelingen werden verricht in de Schadevergoedingsactie (in eerste aanleg en in hoger beroep). Deze facturen zijn betaald door het administratiekantoor van de groep ondernemingen waartoe Staatsloterij behoort. Uit het openbare jaarverslag van dit administratiekantoor blijkt dat deze betalingen intern zijn doorbelast aan Staatsloterij. Haar (herhaalde) stelling dat niet Staatsloterij maar de Staat de facturen van de advocaten van Staatsloterij heeft betaald, heeft Loterijverlies op geen enkele manier onderbouwd. Gelet op de uitgebreide, concrete en met stukken onderbouwde toelichting van Staatsloterij gaat de rechtbank aan de blote stelling van Loterijverlies voorbij.
6.28.5.
Het feit dat de advocaten van Staatsloterij alle werkzaamheden voor verschillende door het Loterijverlies-initiatief ingestelde procedures, klachten en vorderingen op één dossiernummer hebben gedeclareerd, is achteraf bezien onhandig. Anders dan Loterijverlies stelt, dwingen de Gedragsregels er evenwel niet toe dat advocaten voor elke procedure een apart dossiernummer aanmaken. Gedragsregel 17 dwingt advocaten ertoe ervoor te zorgen dat zij bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken maken over hun honorarium, de doorbelasting van kosten en de wijze van declareren. Ook moeten advocaten hun declaraties op grond van deze gedragsregel zo inrichten, dat de cliënt eenvoudig kan vaststellen hoeveel wordt gerekend voor honorarium, verschotten en omzetbelasting en in hoeverre voorschotten worden verrekend. Het honorarium moet deugdelijk worden gespecificeerd door opgave van tarief en tijdsbesteding of een andere overeengekomen grondslag. Het gaat er dus om dat de advocaat
voor zijn cliëntvoldoende inzichtelijk maakt welke kosten en werkzaamheden hij declareert.
6.28.6.
Door de hoofdregel dat proceskosten forfaitair worden vergoed, ook als een partij volledig in het gelijk wordt gesteld, was er voor Staatsloterij geen aanleiding om haar advocaatkosten zodanig te (doen) administreren dat ten aanzien van specifiek de Schadevergoedingsactie inzichtelijk was welke uren daaraan werden besteed. Staatsloterij hoefde er immers geen rekening mee te houden dat zij de werkelijke proceskosten zou kunnen vorderen omdat Loterijverlies in twee instanties misbruik van procesrecht zou maken.
6.28.7.
Wel leidt het feit dat Staatsloterij de gemaakte uren niet met precisie kan onderbouwen ertoe dat de rechtbank niet kan controleren of alle opgevoerde werkzaamheden inderdaad (alleen) ten behoeve van de Schadevergoedingsactie zijn verricht. Omdat wel aannemelijk is dat Staatsloterij door de manier waarop Loterijverlies heeft geprocedeerd (veel) advocaatkosten heeft moeten maken, zal de rechtbank de gemaakte kosten schatten op de voet van artikel 6:97 BW Pro. De rechtbank zal daarbij, gelet op de eigen keuze van (de advocaten van) Staatsloterij voor de wijze van administreren als gevolg waarvan haar schade niet concreet begroot kan worden, terughoudendheid betrachten.
6.28.8.
In de procespraktijk is het gebruikelijk dat procedures met het maatschappelijk belang en de omvang van de Schadevergoedingsactie door minimaal twee advocaten op minimaal medior-niveau worden behandeld (of door een partner en een gevorderde advocaat-stagiair); de rechtbank gaat daarom uit van een gemiddeld uurtarief van € 350,-. Gelet op de in voetnoten 9 en 10 opgesomde proceshandelingen die in de Schadevergoedingsactie zijn verricht en dus ook met Staatsloterij besproken moesten worden, schat de rechtbank in dat met het behandelen van de Schadevergoedingsactie in totaal ten minste 1.600 advocaat-uren gemoeid zijn geweest. De rechtbank schat de door Staatsloterij in redelijkheid gemaakte advocaatkosten daarom op (1.600 x € 350,- =) € 560.000,-.
Interne kosten Staatsloterij
6.29.
Staatsloterij heeft op basis van de tijdlijn van de Schadevergoedingsactie en de proceshandelingen die daarin hebben plaatsgevonden een inschatting gemaakt van het aantal uren dat zij intern aan elke proceshandeling heeft besteed (
productie 16 SL). Staatsloterij heeft toegelicht dat zij in verband met het voeren van verweer in de Schadevergoedingsactie processtukken van Loterijverlies heeft moeten bestuderen, overleggen daarover heeft moeten voeren met haar advocaat, intern onderzoek heeft moeten doen naar aanleiding van de stellingen van Loterijverlies, input heeft moeten leveren op de door haar advocaat opgestelde concept-processtukken en zittingen heeft moeten bijwonen. Ook heeft zij overleg met haar stakeholders moeten voeren over de kwestie. Hoeveel tijd dit alles heeft gekost, heeft Staatsloterij gereconstrueerd op basis van de agenda’s van en correspondentie tussen de intern betrokkenen en de advocaat.
Het aantal uren dat Staatsloterij op die manier aan de verschillende proceshandelingen toeschrijft, komt op 247,5 uur in totaal over de jaren 2016 tot en met 2019. Dit aantal uren heeft zij vermenigvuldigd met € 150,-, zijnde het gemiddelde uurtarief van de CFO (€ 200,- per uur) en de Manager Strategie & Strategische projecten (€ 100,- per uur) die zich met de kwestie hebben moeten bezighouden.
Zo komt Staatsloterij op het bedrag van € 41.175,- aan interne kosten.
6.30.
Loterijverlies betwist productie 16 van Staatsloterij. Zij meent dat nergens uit blijkt dat de CFO en Manager Strategie & Strategische projecten de gestelde uren aan het verweer hebben besteed. De medewerkers van Staatsloterij ontvangen loon en geen uurtarief; de gevorderde kosten zou Staatsloterij dus ook zonder de Schadevergoedingsactie hebben gemaakt. De gestelde werkzaamheden zouden bovendien ook nodig zijn geweest als Loterijverlies op basis van een cessie of machtiging had geprocedeerd. De gevorderde kosten zijn volgens Loterijverlies verder exorbitant hoog; Loterijverlies meent dat zij een dergelijk hoge vordering nooit had hoeven verwachten. Omdat hetgeen Staatsloterij vordert zo ver afstaat van wat redelijk en betamelijk is, zou Staatsloterij in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard wegens misbruik van procesrecht.
6.31.
De rechtbank begroot de interne kosten van Staatsloterij als gevolg van de door Loterijverlies gepleegde onrechtmatige daad op het gevorderde bedrag van € 41.175,-.
6.31.1.
Staatsloterij heeft intern geen systeem van urenschrijven. Anders dan binnen de advocatuur en consultancy is dit in haar branche ook niet gebruikelijk. Tijdens de Schadevergoedingsactie had Staatsloterij ook geen reden om de kosten voor het voeren van verweer te administreren op een manier die nodig is om een schadeclaim te kunnen onderbouwen; zij hoefde niet te voorzien dat Loterijverlies onrechtmatig jegens haar zou handelen. Het is dus niet aan Staatsloterij te wijten dat er geen concretere informatie over de interne kosten voorhanden is, zodat de omvang van deze schadepost zal worden geschat.
6.31.2.
Staatsloterij heeft een berekening gemaakt die is gebaseerd op de proceshandelingen die in de Schadevergoedingsactie hebben plaatsgevonden. Zij heeft aangegeven welke werkzaamheden daartoe zijn verricht en hoeveel tijd die hebben gevergd. Dit maakt het mogelijk om de redelijkheid van de gevorderde uren af te meten aan het in de Schadevergoedingsactie gevoerde verweer. Processtukken moeten per procedure worden voorbereid, gelezen en besproken en proceshandelingen moeten per procedure worden verricht. Ook als er op dat moment nog andere procedures liepen, zullen personen binnen Staatsloterij zich met de processtukken en proceshandelingen in de Schadevergoedingsactie bezig hebben moeten houden. Gelet op het hoge bedrag aan schadevergoeding dat Loterijverlies vorderde, is aannemelijk dat dit ook personen in het hoger management van Staatsloterij zijn geweest. De door hen aan de Schadevergoedingsactie bestede uren zijn wel degelijk als schade te vorderen kosten. Zonder de Schadevergoedingsactie hadden de daarbij betrokken personen binnen Staatsloterij immers andere werkzaamheden kunnen uitvoeren. Het argument dat Staatsloterij de kosten ook had moeten maken als Loterijverlies op basis van een cessie of machtiging had geprocedeerd, gaat voorbij aan de vaststelling van het hof dat Loterijverlies de Schadevergoedingsactie voor een ander doel aanhangig heeft gemaakt dan waarvoor zij was bedoeld. Ook met een cessie of machtiging van de Deelnemers zou het entameren van de Schadevergoedingsactie dus onrechtmatig zijn geweest.
6.31.3.
Over de inhoud en het verloop van de Schadevergoedingsactie, die geheel is afgerond en het onderwerp van deze procedure is, heeft Loterijverlies geen concreet verweer gevoerd. Zij heeft veel stellingen ingenomen over verwikkelingen in andere, deels nog lopende procedures, maar volstaat ten aanzien van de inhoud en het verloop van de Schadevergoedingsactie met algemene betwistingen en stellingen die in het voorgaande al zijn besproken en verworpen. De rechtbank gaat bij de schatting van het werk dat uit de Schadevergoedingsactie is voortgevloeid daarom uit van de beschrijving van het procesverloop zoals dat blijkt uit de uitspraken van de rechtbank en het hof.
Wettelijke rente
6.32.
Staatsloterij vordert wettelijke rente vanaf 26 augustus 2016; de dag waarop Loterijverlies de dagvaarding in de Schadevergoedingsactie heeft doen uitbrengen. Staatsloterij meent dat dit de dag is waarop de onrechtmatige daad werd gepleegd en zij schade leed.
6.33.
Loterijverlies meent dat de wettelijke rente niet eerder kan ingaan dan per de datum van het vonnis, omdat dan pas duidelijk is of er schade is en zo ja, hoe die moet worden begroot.
6.34.
De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 1 januari 2018 en licht dat als volgt toe.
6.34.1.
Op grond van artikel 6:119 lid 1 BW Pro is Loterijverlies wettelijke rente verschuldigd over de door haar aan Staatsloterij te betalen schadevergoeding voor de periode dat zij met de betaling daarvan in verzuim is geweest.
6.34.2.
Een verbintenis tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad ontstaat op het moment dat de schade wordt geleden. In dit geval is dat op het moment dat Staatsloterij de kosten daadwerkelijk heeft gemaakt, alleen zijn deze kosten verspreid gemaakt in de periode 2016-2019. De interne kosten zijn naar hun aard ook niet op een vaste (factuur)datum in rekening gebracht.
6.34.3.
De aard van de onrechtmatige daad die Loterijverlies heeft gepleegd brengt ook mee dat op het moment dat Staatsloterij de kosten maakte nog niet aan de orde was dat zij ze op enig moment zou kunnen terugvorderen. Het niet voorhanden zijn van een preciezere administratie van de kosten en betalingsdata komt vanwege de aard van de onrechtmatige daad daarom mede voor risico van Loterijverlies (zie ook rechtsoverwegingen 6.28.6 en 6.31.1).
6.34.4.
Het leeuwendeel van de kosten is volgens de opgave van Staatsloterij gemaakt in de jaren 2016 en 2017; Loterijverlies heeft dit niet weersproken en de opgave strookt met de data waarop de in voetnoten 9 en 10 genoemde proceshandelingen zijn verricht.
6.34.5.
Gelet op dit alles stelt de rechtbank de ingangsdatum voor de wettelijke rente vast op 1 januari 2018.
Voordeelsverrekening
6.35.
Loterijverlies stelt, zoals eerder genoemd, dat Staatsloterij voordeel heeft genoten van de werkzaamheden die zijzelf en haar advocaten in de Schadevergoedingsactie hebben verricht, omdat delen uit de conclusie van antwoord in andere procedures konden worden ‘geknipt en geplakt’.
6.36.
Het beroep op voordeelsverrekening faalt om de volgende redenen.
6.36.1.
Loterijverlies heeft niet aangeduid in welke procedures Staatsloterij welke passages van de conclusie van antwoord zou hebben kunnen hergebruiken, zodat volstrekt onduidelijk is op welk voordeel zij doelt. Dit is al voldoende grond om aan dit verweer voorbij te gaan.
6.36.2.
Daar komt echter nog bij dat de Schadevergoedingsactie in de ontvankelijkheidsfase is blijven steken, omdat Loterijverlies niet bevoegd was om voor de vorderingsgerechtigden op te treden. Deze complicatie zou zich in een procedure tegen een vertegenwoordigingsbevoegde partij niet voordoen.
6.36.3.
Bovendien ziet de conclusie van antwoord van Staatsloterij in de Schadevergoedingsactie uitsluitend op redenen waarom Loterijverlies niet-ontvankelijk was, op het feit dat Loterijverlies haar recht om te procederen had misbruikt en dat Loterijverlies de waarheidsplicht had geschonden. Gelet op de uitkomst in beide instanties van de Schadevergoedingsactie had Staatsloterij op al deze punten gelijk. Als Staatsloterij inderdaad passages uit deze processtukken in andere procedures kan hergebruiken, komt Loterijverlies gelet op de aard van de verweten gedragingen geen beroep op voordeelsverrekening toe (
nemo auditur propriam turpitudinem allegans).
Geen misbruik van recht door Staatsloterij
6.37.
Loterijverlies heeft ook betoogd dat de rechtbank Staatsloterij niet-ontvankelijk moet verklaren of haar vorderingen moet afwijzen, omdat Staatsloterij misbruik maakt van de informatieachterstand waarin Loterijverlies verkeert. Loterijverlies stelt dat Staatsloterij de rechtbank niet naar waarheid heeft geïnformeerd over de werkzaamheden die zij in haar ‘Loterijverliesdossier’ heeft verricht. Loterijverlies meent dat Staatsloterij achter een waas van schimmigheid € 800.000,- probeert te bemachtigen voor het voeren van een bevoegdheidsincident en ondertussen probeert Loterijverlies monddood te maken. Loterijverlies meent dat zij bescherming verdient, omdat zij een kleine partij is.
6.38.
Staatsloterij stelt deze procedure aanhangig te hebben gemaakt vanwege de vele procedures die Loterijverlies direct en indirect tegen haar heeft ingediend en blijft indienen, hoewel rechters door het hele land Loterijverlies vrijwel steeds in het ongelijk hebben gesteld. Staatsloterij wijst erop dat in meerdere procedures is vastgesteld dat Loterijverlies heeft geprobeerd om de rechter op het verkeerde been te zetten. Het steeds maar weer moeten ontrafelen van een brij aan onwaarheden kost Staatsloterij veel tijd en geld; zij hoopt dat Loterijverlies hiermee stopt.
6.39.
De rechtbank is van oordeel dat Staatsloterij haar bevoegdheid om schadevergoeding van Loterijverlies te vorderen niet misbruikt en dat niet is gebleken dat Staatsloterij de waarheidsplicht heeft geschonden. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.
6.39.1.
In deze procedure staat vast dat Loterijverlies in de Schadevergoedingsactie zowel in eerste aanleg als in hoger beroep haar (proces)bevoegdheid heeft misbruikt en de waarheidsplicht grovelijk heeft geschonden. Hiervoor is al geoordeeld dat dit een onrechtmatige daad is op grond waarvan Staatsloterij Loterijverlies in beginsel mag aanspreken tot vergoeding van de schade die zij daardoor lijdt.
6.39.2.
Staatsloterij heeft in haar processtukken verwezen naar andere procedures waarin rechters hebben geoordeeld dat Loterijverlies of andere aan het Loterijverlies-initiatief verbonden (rechts)personen in procedures de waarheidsplicht hebben geschonden [10] of documenten hebben vervalst en andere vormen van fraude hebben gepleegd. [11] Loterijverlies bestrijdt ook niet dat die rechters dit hebben geoordeeld, maar is van mening dat die rechters dit ten onrechte hebben gedaan.
6.39.3.
Staatsloterij heeft verder als productie 13 een e-mail van een oud-Deelnemer aan de griffie van de rechtbank Oost-Brabant overgelegd, waarin deze gedetailleerd verklaart dat Loterijverlies op zijn naam een procedure aanhangig heeft gemaakt hoewel hij aan de toenmalige advocaat van Loterijverlies meermaals expliciet had aangegeven dit niet te willen. Loterijverlies heeft niet ontkend dat dit zo is gegaan.
6.39.4.
Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat Staatsloterij haar recht om te procederen misbruikt als zij met deze procedure mede hoopt te bereiken dat Loterijverlies ophoudt met het instigeren en voeren van procedures tegen haar, op de hiervoor beschreven oneigenlijke manieren.
Matiging
6.40.
Ten slotte doet Loterijverlies ook een beroep op matiging.
6.41.
Voor matiging van de schadevergoeding is alleen plaats wanneer volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden – waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht – tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden (artikel 6:109 BW Pro). De rechter moet van zijn bevoegdheid tot matiging met terughoudendheid gebruikmaken.
6.42.
Gelet op de aard en ernst van de onrechtmatige gedragingen van Loterijverlies die tot haar schadeplichtigheid hebben geleid, faalt haar beroep op matiging. Het argument dat Loterijverlies een kleine partij is die bescherming verdient – wat daar ook van zij –, gaat voorbij aan de aard en de ernst van de door het hof vastgestelde onrechtmatige daad die Loterijverlies tegenover Staatsloterij heeft gepleegd.
Conclusie in conventie
6.43.
De rechtbank wijst de vordering van Staatsloterij gedeeltelijk toe, en wel voor het bedrag van € 560.000,- aan advocaatkosten en € 41.175,- aan interne kosten.
De proceskostenveroordeling staat in hoofdstuk 8 van dit vonnis.

7.De beoordeling in reconventie

7.1.
Loterijverlies vordert – kort gezegd en na wijziging van eis – een verklaring voor recht dat Staatsloterijverlies onrechtmatig tegenover Loterijverlies handelt, in strijd met de waarheidsplicht handelt en misbruik maakt van haar bevoegdheden. Staatsloterijverlies heeft deze procedure volgens Loterijverlies alleen maar aanhangig gemaakt om Loterijverlies “lam te kunnen leggen”. Loterijverlies verwijst hiervoor naar de stellingen die zij in conventie heeft ingenomen. Ook zou Staatsloterij onrechtmatig hebben gehandeld door de gratis trekking te organiseren, te handelen in strijd met het Onderhandelingsprotocol, te voorkomen dat tegen de gratis trekking bezwaar en beroep ingesteld kon worden en door actief vaststellingsovereenkomsten aan te gaan met Deelnemers.
7.2.
Staatsloterij voert verweer.
7.3.
De stelling dat Staatsloterijverlies deze procedure alleen aanhangig heeft gemaakt om Loterijverlies “lam te kunnen leggen” c.q. ‘monddood te maken’, heeft de rechtbank in conventie al beoordeeld en onjuist bevonden (zie rechtsoverwegingen 6.39-6.39.4).
7.4.
Voor zover Loterijverlies een beroep doet op het Overlegprotocol, geldt dat Staatsloterij dit protocol al had beëindigd voordat zij de Collectieve regeling sloot, te weten in het najaar van 2015 (zie rechtsoverweging 4.10). Artikel 3.2, op grond waarvan Staatsloterij de Deelnemers niet mocht benaderen, gold slechts zolang het Overlegprotocol van kracht was.
7.5.
Voor het overige berusten alle vorderingen van Loterijverlies op de aanname dat zij gerechtigd was om namens de Deelnemers tegen Staatsloterij te procederen en daarvoor vergoedingen te innen.
Het hof heeft in de Schadevergoedingsactie echter geoordeeld:
- dat Loterijverlies niet bevoegd was om voor de Deelnemers tegen Staatsloterij te procederen [12] en
- dat – voor zover zij daartoe al bevoegd was – Loterijverlies die bevoegdheid misbruikte voor eigen gewin en dat Loterijverlies de belangen van de Deelnemers onvoldoende had gewaarborgd. [13]
Deze beslissingen hebben tussen partijen gezag van gewijsde.
7.6.
Nu tussen partijen vaststaat dat Loterijverlies niet bevoegd is om voor de Deelnemers tegen Staatsloterij te procederen, kan zij tegenover Staatsloterij ook geen aanspraak maken op de
no cure no pay-afspraak of andere bijdragen aan de door haar voor de Deelnemers tegen Staatsloterij gevoerde procedures.
Nog los van de vraag of het sluiten van de Collectieve regeling en het organiseren van de bijzondere trekking onrechtmatig waren, kan dus niet worden gezegd dat Loterijverlies daardoor geraakt is in rechtens te respecteren belangen.
7.7.
Voor zover Loterijverlies zich verzet tegen het gebruik van de persoonsgegevens van haar Deelnemers om hen deelgenoot te maken van de Collectieve regeling, waaronder de bijzondere trekking, geldt dat Loterijverlies niet heeft toegelicht op welke grond zij de Deelnemers op dit punt kan vertegenwoordigen. Anders dan het in rechtsoverweging 7.6 al beoordeelde belang, heeft Loterijverlies ook niet toegelicht welk eigen belang zij bij dit deel van haar vordering heeft.
7.8.
Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank de vorderingen van Loterijverlies afwijst.

8.Proceskosten in de hoofdzaak en het bevoegdheidsincident

Kosten hoofdzaak in conventie en reconventie

8.1.
Loterijverlies is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
8.2.
De proceskosten van Staatsloterij worden in conventie begroot op:
- kosten van de dagvaarding
115,84
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
9.307,50
(2,5 punten [14] × [Tarief VII = € 3.723,00])
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
16.473,34
8.3.
Loterijverlies is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Staatsloterij worden begroot op 2,5 punten [15] van Tarief VIII (à € 4.631), dus op € 11.577,50.
Kosten tweede bevoegdheidsincident
8.4.
Staatsloterij vordert ook veroordeling van Loterijverlies in de werkelijke kosten van het (tweede) bevoegdheidsincident, omdat gelet op de regel van artikel 128 lid 3 Rv Pro op voorhand duidelijk was dat de daarin gedane verzoeken zouden worden afgewezen.
8.5.
Loterijverlies is in het bevoegdheidsincident in het ongelijk gesteld en zal daarom in de kosten van het incident worden veroordeeld.
Het instellen van de incidentele vordering – hoewel ongegrond – haalt de hoge drempel [16] voor misbruik van procesrecht niet. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM Pro.
8.6.
De proceskosten van Staatsloterij in het tweede incident tot onbevoegdheid worden begroot op 1 punt van Tarief VII, dus op € 3.723,-.
Wettelijke rente
8.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

9.Uitvoerbaarheid bij voorraad

9.1.
Loterijverlies verzoekt de rechtbank de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad af te wijzen. Loterijverlies meent dat zij er recht en belang bij heeft dat Staatsloterij niet tot executie kan overgaan totdat het gerechtshof Den Haag heeft beslist in het hoger beroep van de procedure over buitengerechtelijke kosten, waarin deze rechtbank uitspraak heeft gedaan op 20 augustus 2023. [17] Staatsloterij verzet zich hiertegen.
9.2.
Uitgangspunt bij de beoordeling is dat een partij belang heeft bij uitvoerbaarheid bij voorraad als haar vordering strekt tot betaling van een geldsom. [18]
9.3.
Staatsloterij heeft voldoende belang bij toewijzing van de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. Dit belang is daarin gelegen dat zij niet op het haar op grond van de veroordeling toekomende bedrag hoeft te wachten tot die veroordeling onherroepelijk is geworden.
9.4.
De door Loterijverlies daartegenover gestelde belangen zijn van onvoldoende gewicht om de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad af te wijzen. De omstandigheid dat het om een groot bedrag gaat, is daarvoor op zichzelf niet voldoende: dit geldt immers in gelijke mate voor Staatsloterij.

10.De beslissing

De rechtbank
In conventie
10.1.
veroordeelt Loterijverlies tot betaling aan Staatsloterij van een schadevergoeding van € 601.175,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 januari 2018 tot de dag van volledige betaling,
In reconventie
10.2.
wijst de vorderingen van Loterijverlies af;
In conventie en reconventie
10.3.
veroordeelt Loterijverlies in de proceskosten van € 31.773,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Loterijverlies niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
10.4.
veroordeelt Loterijverlies tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
10.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
10.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg, mr. M. Dam en mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
2565

Voetnoten

1.Destijds nog de rechtsvoorganger van Staatsloterij: Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij (SENS). De rechtsovergang speelt in deze zaak geen rol; de rechtbank noemt daarom alleen Staatsloterij.
2.Rechtbank Den Haag 13 december 2017 (MK), ECLI:NL:RBDHA:2017:14512, r.o. 5.11-5.21.
3.Gerechtshof Den Haag 8 oktober 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3289.
4.Conclusie van antwoord in het niet-ontvankelijkheidsincident tevens conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst.
5.HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, r.o. 5.1 en 5.2; HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366, r.o. 3.5.2.
6.Hof Arnhem-Leeuwarden 7 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2015:7691, r.o. 3.8.
7.HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, r.o. 3.3.2; HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:178, r.o. 3.1.4.
8.- de dagvaarding van 26 augustus 2016, tevens houdende een provisionele vordering tot afgifte van documenten op grond van artikel 843a Rv;
9.- de appeldagvaarding van 18 december 2017 met producties 50-82 en 20 grieven;
10.Rb Den Haag (Civiel MK) 30 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:18992.
11.Rb Overijssel (Straf MK Zwolle) 27 december 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4857.
12.Zie rechtsoverwegingen 21-37 van het hof.
13.Zie rechtsoverwegingen 38-52 van het hof.
14.Dagvaarding; Antwoord in eerste incident onbevoegdheid; mondelinge behandeling.
15.Antwoord in reconventie; brief van 3 oktober 2025; mondelinge behandeling (want afzonderlijk onderwerp).
16.HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.
17.Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2023:18992.
18.Vaste rechtspraak, zie o.m. HR 17 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5169 en HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688.