ECLI:NL:RBDHA:2026:19647

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.23470 en NL26.23471
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 20 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening met Kroatië

Eiser, een Soedanese asielzoeker, diende op 6 februari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. De minister nam deze niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser had eerder asiel aangevraagd in Griekenland en Kroatië, maar vertrok met onbekende bestemming naar Nederland. De rechtbank oordeelt dat eiser nog steeds procesbelang heeft ondanks zijn vertrek.

De rechtbank toetst het beroep aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel en artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser stelde dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt, onder meer vanwege politiegeweld en slechte opvang. De rechtbank volgt de Afdelingsjurisprudentie en concludeert dat het vermoeden dat Kroatië adequaat handelt niet is weerlegd. Eiser heeft onvoldoende concrete en onderbouwde aanwijzingen geleverd voor een reëel risico op schending van fundamentele rechten.

Ook de hardheidstoets van artikel 17 is Pro door eiser niet geslaagd. De minister heeft de motivering adequaat gegeven en de persoonlijke omstandigheden van eiser zijn niet voldoende onderbouwd om overdracht aan Kroatië te weigeren. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.23470 (beroep)
NL26.23471 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 2004, van Soedanese nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 23 april 2026, waarin de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling heeft genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling. Ook wordt het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld.
1.1.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond en wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond en besluitvorming
4. Eiser heeft op 6 februari 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 4 juli 2025 Griekenland is binnengekomen. Eiser heeft hier op 1 september 2025 een asielaanvraag ingediend, welke is afgewezen. Hij is vervolgens doorgereisd en via Albanië, Montenegro en Bosnië, naar Kroatië gekomen. Hij is op 28 januari 2026 in Kroatië aangekomen, waar hij ook een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser stelt dat hij op 29 januari 2026 Kroatië heeft verlaten en is doorgereisd naar Nederland.
4.1
De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Dit staat in de Dublinverordening. [1] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland op 17 februari 2026 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid onder b, van de Dublinverordening. Kroatië heeft dit verzoek in eerste instantie afgewezen op 28 februari 2026. Vervolgens hebben de Nederlandse autoriteiten Kroatië op 18 maart 2026 gevraagd om nogmaals te kijken naar het terugnameverzoek. De autoriteiten van Frankrijk hebben vervolgens Nederland op 19 maart 2026 een verzoek om terugname gedaan, welke Nederland op 24 maart 2026 heeft afgewezen. Vervolgens zijn op 31 maart 2026 de Kroatische autoriteiten toch met het terugnameverzoek akkoord gegaan op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
Heeft eiser procesbelang?
5. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Eiser heeft tijdens deze procedure in Frankrijk asiel aangevraagd, waarna Frankrijk op 19 maart 2026 Nederland heeft verzocht om eiser over te nemen. De minister heeft op 29 juni 2026 meegedeeld dat hij op 27 maart 2026 een melding heeft gekregen dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Op de zitting van 30 juni 2026 heeft de gemachtigde van eiser medegedeeld dat hij op 29 juni 2026 nog contact had met eiser, maar dat hij sinds hij eiser via Whatsapp met de mob [3] -melding heeft geconfronteerd, geen contact meer met eiser heeft.
5.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. [4] Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. De bestuursrechter moet, in het licht van het fundamentele belang van het recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, voorzichtig omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een mob-melding. [5]
5.2.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser nog steeds procesbelang heeft bij de behandeling van zijn beroep en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Dit gelet op de feiten dat dat de bestuursrechter voorzichtig moet omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een mob-melding, de gemachtigde de dag voorafgaand aan de zitting nog contact had met eiser en het enkel in het buitenland verblijven onvoldoende is om aan te nemen dat iemand met onbekende bestemming is vertrokken. [6] De rechtbank ziet hierin onvoldoende concrete aanknopingspunten voor het niet hebben van procesbelang. De rechtbank zal daarom de zaak verder inhoudelijk behandelen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De minister heeft volgens eiser ondeugdelijk gemotiveerd dat ten aanzien van Kroatië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser onder ander naar het AIDA [7] -rapport Update 2024 van augustus 2025. Dit rapport is niet betrokken bij de Afdelingsuitspraken waar de minister naar verwijst. Nu de door de minister aangehaalde lagere uitspraken zijn gebaseerd op Afdelingsjurisprudentie, kan de minister zich niet zonder meer daarop beroepen zonder de relevante, nadien beschikbaar gekomen informatie te betrekken. Het AIDA-rapport Update 2024 bevestigt dat pushbacks nog steeds plaatsvinden. Ook blijkt hieruit dat Dublinterugkeerders het risico lopen om weer aangemerkt te worden als indieners van een opvolgende aanvraag. Verder heeft de Afdeling volgens eiser ten onrechte bepaald dat de Kroatische opvangvoorzieningen toereikend zijn. De Afdeling wijst naar een rapport van het Croatian Law Centre van 18 juli 2024, maar neemt ten onrechte niet mee dat hierin staat dat de bezetting van opvangcentra in Kroatië in 2023 aanzienlijk is toegenomen. Ook is eiser door de politie in Kroatië geslagen, in een rivier gegooid en hebben zij de telefoon van hem afgepakt.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling op 9 oktober 2024, [8] 6 maart 2025 [9] , 20 augustus 2025 [10] en 25 juni 2026 [11] heeft bevestigd dat de minister ten aanzien van Dublinclaimanten in Kroatië nog altijd kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
6.2.
Het vorenstaande betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 4 van Pro het Handvest [12] en artikel 3 van Pro het EVRM [13] . Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaring met het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Van een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM zal, als eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [14]
6.3.
Eiser is niet geslaagd om dit vermoeden te weerleggen. De Afdeling heeft bij de hiervoor aangehaalde uitspraak van 9 oktober 2024 onder meer het AIDA-rapport van 10 juli 2024, update 2023, betrokken. In deze uitspraak heeft de Afdeling, kort samengevat overwogen dat uit de in die zaak overgelegde informatie niet blijkt dat Dublinclaimanten betrokken zijn bij pushbacks en dat uit het AIDA rapport van 10 juli 2024 volgt dat er in beginsel geen obstakels voor Dublinclaimanten zijn om toegang tot de Kroatische asielprocedure te krijgen na overdracht. Het AIDA-rapport, update 2024, van augustus 2025, geeft in dit opzicht geen wezenlijk ander beeld dan het eerdere AIDA rapport, update 2023. Verder heeft de Afdeling in de uitspraak van 9 oktober 2024 overwogen dat er op een aantal momenten sprake was van overbezetting in de opvang, maar dat de Kroatische autoriteiten zich vervolgens actief hebben ingezet om te voorzien in de essentiële levensbehoeften en binnen enkele dagen alsnog in slaapplekken hebben voorzien. Hieruit blijkt niet dat Kroatië onverschillig staat tegenover incidentele tekorten in de opvang. Het door eiser aangehaalde AIDA-rapport update 2024, geeft in dat opzicht geen wezenlijk ander beeld dan het AIDA-rapport update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de omstandigheden die hij aanvoert in het AIDA-rapport update 2024, ten opzichte van update 2023 in relevante mate zijn gewijzigd. In het AIDA-rapport update 2024 wordt anders dan in de update van 2023 ten aanzien van Dublin-terugkeerders genoemd dat er meldingen zijn van politiegeweld door handhavers van andere landen tijdens overdrachten en het rapport geeft ten aanzien van Dublin-terugkeerders anders dan in de update van 2023 een zorgelijk beeld waar het gaat om (de medische overdracht van) personen met psychische problemen. Eiser heeft afgezien van zijn stelling dat hij door de Kroatische politie is geslagen en in een rivier is gegooid niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg daarvan psychische problemen heeft noch dat hij daarvoor niet zal worden behandeld in Kroatië. Voorts is van belang dat de Kroatische overheid met het claimakkoord garandeert dat eiser als Dublin-terugkeerder zal worden behandeld overeenkomstig de Europese richtlijnen. In het geval de Kroatische autoriteiten zich niet aan de Europese richtlijnen houden, is het aan eiser om hierover aldaar te klagen. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestaat.
6.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser met zijn gestelde individuele omstandigheden, zoals de mishandeling door de politie, ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling of dat er structurele tekortkomingen zijn in de asielprocedure in Kroatië. Eiser heeft namelijk niet verklaard bij de Kroatische autoriteiten te hebben geklaagd over deze situatie en dat mag wel van hem verwacht worden. Niet is gebleken dat klagen voor eiser niet mogelijk was of bij voorbaat zinloos is. De verklaring van eiser over de door hem ervaren slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten gaat bovendien over de wijze waarop hij bij eerste aankomst in Kroatië is behandeld en niet over de situatie dat eiser als Dublinclaimanten aan Kroatië zal worden overgedragen. [15] Over dit laatste kan eiser ook niet verklaren, nu hij niet eerder als Dublinclaimanten is overgedragen aan Kroatië. Deze grond slaagt niet.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
7. De minister heeft volgens eiser ook ondeugdelijk gemotiveerd waarom de overdracht aan Kroatië niet leidt tot onevenredige hardheid. De minister koppelt de motivering van artikel 17 van Pro de Dublinverordening ten onrechte uitsluitend aan de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, terwijl de hardheidstoets een bredere toetsing vergt dan enkel dit beginsel. Hoewel de Afdeling een dergelijke motivering in beginsel voldoende acht, volgt daaruit niet dat omstandigheden die verband houden met eerdere ervaringen van de vreemdeling in de verantwoordelijke lidstaat per definitie buiten beschouwing mogen blijven bij de beoordeling van de hardheidsbepaling. Integendeel, uit recente jurisprudentie [16] volgt dat de minister zijn besluit deugdelijk dient te motiveren en daarbij expliciet moet ingaan op hetgeen de vreemdeling in dit verband heeft aangevoerd. Eiser heeft in de zienswijze naar voren gebracht dat de Kroatische politie zijn telefoon heeft afgepakt, hem heeft geslagen en in de rivier heeft gegooid. Eiser stelt dat de minister afzonderlijk had moeten motiveren waarom zijn ervaringen in Kroatië niet hebben geleid tot toepassing van de hardheidsbepaling. Dit geldt temeer nu eiser zijn eerdere ervaringen, waaronder de mishandeling in Kroatië en de daaruit voortvloeiende psychische gevolgen, uitdrukkelijk heeft aangevoerd.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor de overdracht van eiser aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft dit ook deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank benadrukt daarbij dat de algemene omstandigheden in Kroatië en eisers gestelde persoonlijke ervaringen zien op de onderwerpen die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en niet van betekenis zijn voor de afweging om al dan niet toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. [17] De minister heeft een beoordeling gemaakt of voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en heeft daarin de door eiser gestelde ervaringen betrokken. Deze beoordeling zou niet voldoende als er sprake zijn van ernstige gevolgen na de persoonlijke ervaringen in Kroatië, maar die zijn door eiser niet onderbouwd. De beroepsgrond slaagt dus ook niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand blijft.
9. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank, in zaaknummer: NL26.23470:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in zaaknummer: NL26.23471:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604.2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Met onbekende bestemming.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4049.
7.Asylum Information Database.
12.Handvest van de gronderechten van de Europese Unie.
13.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
14.Zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
15.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645, en het arrest van het Hof van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64.
16.Zoals de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717