ECLI:NL:RVS:2021:1645
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid weigering behandeling asielaanvraag wegens Dublinprocedure en interstatelijk vertrouwensbeginsel
De vreemdeling, Syrische nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in die door de staatssecretaris niet in behandeling werd genomen op grond van de Dublinverordening, waarbij Roemenië als verantwoordelijke lidstaat werd aangewezen. De rechtbank oordeelde dat het besluit gebreken vertoonde, met name dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feitelijke juistheid van de verklaringen van de vreemdeling over zijn eerdere verblijf in Roemenië en de stand van de asielprocedure aldaar.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde de uitspraken van de rechtbank en oordeelde dat de staatssecretaris terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure van Roemenië die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
De Raad van State wees erop dat de verklaringen van de vreemdeling niet voldoende aannemelijk maakten dat Roemenië zijn internationale verplichtingen schendt, mede gelet op objectieve landeninformatie zoals AIDA-rapporten. Ook werd geoordeeld dat de staatssecretaris niet verplicht was nader onderzoek te doen naar de feitelijke stand van de asielprocedure in Roemenië na overdracht, noch naar de mogelijkheid van feitelijke overdracht tijdens de coronapandemie.
Ten slotte faalden de beroepsgronden over onvoldoende gelegenheid tot verklaring over pushbacks en het beroep op gezinsleven. Het beroep werd ongegrond verklaard en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraken van de rechtbank worden vernietigd.