ECLI:NL:RVS:2025:717
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat minister discretionaire bevoegdheid Dublinverordening correct toepast bij asielaanvraag
De zaak betreft het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het besluit van de minister vernietigde om een asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister had de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening en had een verzoek tot terugname gedaan dat door Kroatië was aanvaard.
De rechtbank oordeelde dat de minister niet alle door de vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden voldoende had meegewogen bij de beoordeling van de discretionaire bevoegdheid onder artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank vond dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de overdracht niet van onevenredige hardheid getuigde.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat het aan de minister is om te beoordelen of bijzondere, individuele omstandigheden een onevenredige hardheid vormen en dat de rechter deze beoordeling terughoudend toetst. De Afdeling bevestigt dat de minister zijn besluit deugdelijk moet motiveren en dat omstandigheden die al bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel zijn betrokken, in beginsel ook de reden zijn om geen discretionaire bevoegdheid te gebruiken.
De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond, omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom hij de asielaanvraag niet onverplicht in behandeling neemt. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.