Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16024

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
NL26.15675 en NL26.15676 en NL26.15677 en NL26.15678
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen buitenbehandelingstelling asielaanvragen op grond van Dublinverordening Kroatië

Eisers hebben op 10 december 2025 asielaanvragen ingediend in Nederland, maar deze zijn buiten behandeling gesteld omdat Kroatië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Nederland heeft Kroatië verzocht de aanvragen over te nemen, wat Kroatië op 2 januari 2026 heeft geaccepteerd.

Eisers betwisten het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië en wijzen op rapporten en eigen ervaringen van slechte behandeling, waaronder geweld, slechte detentieomstandigheden en vernieling van eigendommen. De rechtbank overweegt dat eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigen dat het vertrouwensbeginsel nog steeds geldt en dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij een reëel risico lopen op een schending van fundamentele rechten bij overdracht.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van onredelijke hardheid op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro en dat de standaardvoornemens voldoende zijn gemotiveerd. De beroepen worden ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De beroepen tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.15675 (beroep)
NL26.15676 (voorlopige voorziening)
NL26.15677 (beroep)
NL26.15678 (voorlopige voorziening)
V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag 1] 1994, van onbekende nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser),
alias:
[alias 1]
en

[eiseres],

geboren op [geboortedag 2] 1999, van onbekende nationaliteit, eiseres en verzoekster (hierna: eiseres),
alias:
[alias 2]
mede namens hun minderjarige kind:
[minderjarige]
geboren op [geboortedag 3] 2024, van onbekende nationaliteit,
alias:
[alias 3]
tezamen hierna te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. C.A. van Es).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de beroepen van eisers tegen de bestreden besluiten van 20 maart 2026, waarin de minister de asielaanvragen van eisers niet in behandeling heeft genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Ook beoordeelt de rechtbank de verzoeken van eisers om een voorlopige voorziening die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op hun beroepen is beslist.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, tolk H. Ball-Ponne in de (Palestijns-Jordaans) Arabische taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de buiten behandeling stelling van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.
3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming besluit
4.1.
Eisers hebben op 10 december 2025 beide een asielaanvraag in Nederland ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eisers in Kroatië verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend.
4.2.
De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Dit staat in de Dublinverordening. [1] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië verzoeken om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening. Kroatië heeft de verzoeken op 2 januari 2026 geaccepteerd.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5.1.
Eisers kunnen zich niet verenigen met de bestreden besluiten en voeren daartoe aan dat ten opzichte van Kroatië niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In de uitspraak [3] van de Afdeling [4] van 9 oktober 2024, waar de minister zich in de bestreden besluiten op beroept, is het door eisers aangehaalde AIDA [5] -rapport van augustus 2025 niet betrokken. Eisers verwijzen daarnaast naar een uitspraak [6] van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 27 maart 2024. Uit deze uitspraak volgt dat de minister uit eigen beweging, ongeacht de beroepsgronden, ambtshalve moet nagaan of er een risico bestaat dat de vreemdeling na overdracht geconfronteerd zal worden met tekortkomingen in de asiel- en opvangprocedure. Verder lopen Dublinterugkeerders in Kroatië het risico om beschouwd te worden als indieners van een opvolgende aanvraag en krijgen zij onmiddellijk bij aankomst het verzoek om de luchthaven te verlaten. Dit volgt uit het AIDA-rapport, update 2024, van 18 augustus 2025 en uit meldingen van CPS [7] . Verder heeft de organisatie Dokters van de Wereld vastgesteld dat de psychische problemen van veel Dublinterugkeerders verergerden of ontstonden na de Dublinoverdracht. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers toegevoegd dat uit het AIDA rapport, update 2024, blijkt dat het voor vreemdelingen onduidelijk is of zij in Kroatië een klacht kunnen indienen of waar zij dit kunnen doen.
5.2.
Verder zijn eisers in Kroatië slecht behandeld. Zo hielden Kroatische agenten bij de grens een vuurwapen tegen het hoofd van eiser. Ook werd eiseres hardhandig geduwd toen zij spullen voor haar baby wilde pakken waardoor zij hard op haar rug viel. Daarvan ervaart zij nu nog steeds pijnklachten. De politie heeft daarnaast de telefoon van eiser afgepakt en opzettelijk kapotgeslagen om bewijsmateriaal te vernietigen. Verder werden eisers opgesloten in een ijskoude garage zonder verwarming die vol lag met hondenpoep en urine. Ook weigerde de politie hen toegang tot een warme plek of voedsel. Eiseres mocht haar dochter niet verschonen in deze garage waardoor de dochter ernstige huiduitslag en infecties opliep. De dochter heeft ook geen eten gekregen van de autoriteiten en overleefde enkel dankzij borstvoeding. Tenslotte werden eisers gedwongen documenten te ondertekenen zonder deze te mogen lezen en werden hun vingerafdrukken onder dwang afgenomen.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling op 9 oktober 2024, [8] 6 maart 2025 [9] en op 20 augustus 2025 [10] heeft bevestigd dat de minister ten aanzien van Dublinclaimanten in Kroatië nog altijd kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
6.2.
Het vorenstaande betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eisers zal nakomen en dat de behandeling van eisers in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 4 van Pro het Handvest [11] en artikel 3 van Pro het EVRM [12] . Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eisers om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico lopen op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kunnen zij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over hun eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Van een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM zal, als eisers aannemelijk maken dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [13]
6.3.
Eisers zijn daarin niet geslaagd. De Afdeling heeft bij de hiervoor aangehaalde uitspraak van 9 oktober 2024 onder meer het AIDA-rapport van 10 juli 2024, update 2023, betrokken. Het AIDA-rapport, update 2024, van augustus 2025, geeft geen wezenlijk ander beeld dan het eerdere AIDA rapport, update 2023. De enkele verwijzing naar meldingen van CPS dat Dublinterugkeerders onmiddellijk het verzoek kregen om de luchthaven te verlaten, en naar vaststellingen van Dokters van de Wereld dat de psychische problemen van veel Dublinterugkeerders na de overdracht verergerden of er nieuwe psychische problemen ontstonden, leidt niet tot een ander oordeel over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat Dublinterugkeerders zouden worden weggestuurd van het vliegveld betekent verder nog niet dat zij geen opvang krijgen wanneer zij zich bij daarvoor bestaande organisaties melden.
6.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat eisers met hun verklaringen over wat zij zelf in Kroatië hebben meegemaakt niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij overdracht
aan Kroatië een reëel risico lopen op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling of dat er structurele tekortkomingen zijn in de asielprocedure in Kroatië. Eisers hebben weliswaar in hun beroepsgronden gesteld dat zij door de Kroatische autoriteiten in onmenselijke omstandigheden in detentie zijn gesteld, te maken hebben gehad met geweld en intimidatie, eisers eigendommen zijn vernield en dat de baby verwaarloosd, maar eisers hebben niet verklaard dat zij hebben geprobeerd om over hun situatie te klagen bij de Kroatische autoriteiten om zo hun situatie te verbeteren. Dit laatste mag wel van hen verwacht worden. Niet is gebleken dat klagen voor eisers niet mogelijk was of bij voorbaat zinloos is. De verklaringen van eisers over de door hen ervaren slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten gaan bovendien over de wijze waarop zij bij eerste aankomst in Kroatië zijn behandeld en niet over de situatie dat eisers als Dublinclaimanten aan Kroatië zullen worden overgedragen. [14] Over dit laatste kunnen eisers ook niet verklaren, nu zij niet eerder als Dublinclaimanten zijn overgedragen aan Kroatië.
6.5.
Tot slot hebben de Kroatische autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvragen van eisers zullen behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Deze grond slaagt niet.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
7. Eisers stellen dat de minister aanleiding had moeten zien om artikel 17 van Pro de Dublinverordening op hen toe te passen. Daarbij wijzen eisers op de uitspraak [15] van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 10 december 2024 en op hetgeen eisers is overkomen. Indien de minister niet van mening is dat sprake is van onredelijke hardheid, had hij dit specifiek moeten beoordelen. De enkele overweging dat overdracht niet in strijd is met het interstatelijk vertrouwensbeginsel maakt nog niet dat gemotiveerd is ingegaan op het beroep op artikel 17, tweede lid, van de Dublinverordening.
8. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor de overdracht van eiser aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft dit ook deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank benadrukt daarbij dat de algemene omstandigheden in Kroatië en eisers gestelde persoonlijke ervaringen zien op de onderwerpen die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en niet van betekenis zijn voor de afweging om al dan niet toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. [16] De minister heeft een beoordeling gemaakt of voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en heeft daarin de door eisers gestelde ervaringen betrokken. Daarnaast heeft de minister een separate beoordeling gemaakt of er aanleiding bestaat eisers asielaanvragen onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eisers beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 10 december 2024 slaagt niet. In de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025 is deze uitspraak vernietigd. [17] De beroepsgrond slaagt eveneens niet.
Standaardvoornemen
9. Eisers stellen dat de minister bij beiden ten onrechte gebruik heeft gemaakt van een standaard voornemen. In de besluiten is niet voldoende ingegaan op de door eisers afgegeven verklaringen en de onderbouwing van de stelling dat de minister de asielaanvragen onverplicht moet behandelen.
10. De rechtbank is van oordeel dat in de voornemens duidelijk is uitgelegd dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers, waarom dat zo is en dat er geen reden is om de aanvragen alsnog in behandeling te nemen. In de voornemens zijn alle voor het standpunt van de minister dragende overwegingen opgenomen. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 23 november 2023 [18] en 11 april 2025 [19] , waaruit afgeleid kan worden dat een standaardvoornemen in een dergelijke situatie wel voldoende is. Verder overweegt de rechtbank dat eisers de kans hebben gekregen om door middel van een zienswijze te reageren op de voornemens. Eisers hebben hier ook gebruik van gemaakt. Vervolgens is de minister in de bestreden besluiten ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen hebben geleid. Verder is in de bestreden besluiten kenbaar ingegaan op wat eisers in het aanmeldgehoor hebben gezegd en wat zij in de zienswijze hebben aangevoerd. Deze grond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen.
12. Nu de rechtbank op de beroepen heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van voorlopige voorzieningen.
13. Er bestaat geen aanleiding om de proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen, met de zaaknummers NL26.15675 en NL26.15677, ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken, met de zaaknummers NL26.15676 en NL26.15678, af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604.2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Asylum Information Database.
7.Center for Peace Studies.
11.Handvest van de gronderechten van de Europese Unie.
12.Europees verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
13.Zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
14.Vergelijk de Afdelingsuitspraak van 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645, en het arrest van het Hof van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64.
18.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023, ECLI: RVS:2023:4348, r.o. 2.1.
19.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642.