ECLI:NL:RBDHA:2025:19850
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Opheffing onrechtmatige vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding
Eiser is op 6 september 2025 in bewaring gesteld op de asielgrondslag terwijl reeds indicaties bestonden dat de Dublinverordening op hem van toepassing was. Verweerder heeft dit niet tijdig onderkend en heeft pas op 17 september 2025 een maatregel op de juiste Dublingrondslag opgelegd. De rechtbank stelt vast dat de eerste bewaring onrechtmatig was en dat de onrechtmatige vrijheidsontneming van 42 dagen ernstig inbreuk maakte op het grondrecht van eiser.
De rechtbank overweegt dat verweerder niet de vereiste uiterste zorgvuldigheid heeft betracht bij het opleggen van de bewaring en dat de maatregel derhalve willekeurig was in de zin van het arrest Bouskoura. Hierdoor is eiser in zijn belangen geschaad en volstaat een schadevergoeding niet als genoegdoening. De rechtbank beveelt daarom de onmiddellijke opheffing van de bewaring en invrijheidstelling van eiser.
Verweerder heeft eiser niet aangeboden om schade te vergoeden voor de onrechtmatige vrijheidsontneming, waardoor de rechtbank dit zelf toekent. De schadevergoeding wordt vastgesteld op €4.200 voor 42 dagen onrechtmatige detentie. De rechtbank wijst erop dat deze uitspraak geen gevolgen heeft voor de vaststelling van Kroatië als verantwoordelijke lidstaat of de overdracht van eiser.
De procedure werd buiten aanwezigheid van eiser behandeld omdat hij niet wilde verschijnen en de tolk niet beschikbaar was. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Bewaring wordt opgeheven wegens onrechtmatigheid en eiser wordt onmiddellijk vrijgelaten met een schadevergoeding van €4.200 toegekend.