ECLI:NL:RVS:2024:2245
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging verlengingsbesluit bewaring vreemdeling wegens onrechtmatigheid en toekenning schadevergoeding
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verlengde op 21 maart 2024 de bewaring van een vreemdeling met maximaal twaalf maanden. De vreemdeling stelde beroep in tegen dit verlengingsbesluit, dat door de rechtbank op 15 april 2024 ongegrond werd verklaard. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de rechtmatigheid van het verlengingsbesluit alleen toetste aan de feiten op het moment van het besluit, terwijl ook latere feiten, zoals de op 22 maart 2024 ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel, meegewogen moeten worden. Verder concludeerde de Afdeling dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door de bewaring niet tijdig op een andere wettelijke grondslag te stellen, waardoor de bewaring vanaf 25 maart 2024 onrechtmatig was.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond en kende de vreemdeling een schadevergoeding van €200 toe voor de onrechtmatige bewaring over de periode van 25 tot en met 26 maart 2024. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.187,50. De bewaring was inmiddels opgeheven, waardoor een bevel tot opheffing niet noodzakelijk was.
Uitkomst: Het verlengingsbesluit bewaring is onrechtmatig vanaf 25 maart 2024, vernietigd en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.