ECLI:NL:RBDHA:2022:13245
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroepen inzake BPM-aangiften met vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen van BPM op verschillende personenauto’s, stellende dat zij te veel belasting heeft betaald. Verweerder heeft de bezwaren ongegrond verklaard, waarna eiseres beroep instelde. De rechtbank heeft de beroepen gesplitst en behandeld op basis van onder meer de CO2-uitstootwaarden, leeftijdskorting, ex-rental status en hoorplicht.
De rechtbank oordeelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij te veel BPM heeft betaald, onder meer omdat de bewijslast daarvoor op haar rust en zij onvoldoende bewijs heeft geleverd. Daarnaast is geoordeeld dat de hoorplicht niet is geschonden, omdat verweerder voldoende gelegenheid tot horen heeft geboden en eiseres of haar gemachtigde hiervan geen gebruik heeft gemaakt.
Wel is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep is overschreden met ongeveer elf maanden, waarvoor verweerder een immateriële schadevergoeding van €1.000 moet betalen. Tevens is verweerder veroordeeld in de proceskosten van €1.138,50 en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €2.160. Vergoeding van rente over het griffierecht is beperkt tot wettelijke rente vanaf vier weken na uitspraak.
De rechtbank wijst het verzoek om prejudiciële vragen aan het HvJ EU af en verklaart de beroepen ongegrond. De uitspraak is gedaan door rechter G.J. Ebbeling op 29 september 2022.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard, met toekenning van immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding aan eiseres wegens overschrijding redelijke termijn.