Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2016
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 7 oktober 2016 (het bestreden besluit), genomen in de verlengde asielprocedure, heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000. Daarnaast is aan eiseres ambtshalve geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 juncto artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) verleend. Evenmin is aan haar uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 Vw Pro 2000 juncto artikel 6.1e Vb 2000.
Overwegingen
- Eiseres heet [eiseres] , heeft de Mongoolse nationaliteit en is van etnische afkomst Khalkh;
- Eiseres is lesbisch en heeft daardoor problemen ondervonden.
- Eiseres is in februari 2015 mishandeld door een man, [persoon 2] , die een oogje zou hebben op haar gestelde vriendin.
Verdragen
Exceptieve toetsing van de aanwijzing als veilig land van herkomst
Onderbouwing plaatsing op nationale lijst veilige landen van herkomst
Dit moet naar het oordeel van de rechtbank leiden tot de conclusie dat de aanwijzing van Mongolië als veilig land van herkomst voldoet aan de vereisten zoals gesteld in artikel 3.37f VV 2000, omdat er wet- en regelgeving is die vervolging en behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM verbiedt, die wet- en regelgeving wordt toegepast en er daadwerkelijk een systeem van rechtsmiddelen beschikbaar is. Verweerder heeft met gebruikmaking van nadere bronnen als genoemd in artikel 3.105ba, tweede lid, Vb 2000 zorgvuldig onderzocht en deugdelijk gemotiveerd dat er in Mongolië algemeen gezien en op duurzame wijze geen vervolging of behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM plaatsvindt. Hierdoor voldoet de aanwijzing als veilig land van herkomst aan de wettelijk voorgeschreven vereisten. Dit leidt tot de conclusie dat de ministeriële regeling voor wat betreft de aanwijzing van Mongolië als veilig land van herkomst niet onverbindend is. Er is dus door verweerder terecht van het algemeen rechtsvermoeden/de presumptie uitgegaan dat Mongolië een veilig land van herkomst is. Uit de overgelegde stukken volgt immers dat eiseres bij terugkeer in Mongolië bij eventuele problemen bescherming kan vragen van de (hogere) autoriteiten of geëigende instanties.
Verder vormt ook het betoog van eiseres dat haar schoonzus die werkzaam is als officier van justitie en vanwege de geaardheid van eiseres heeft geweigerd haar invloed aan te wenden om een gedegen onderzoek tegen [persoon 2] te bewerkstelligen, geen onderbouwing van de stelling dat eiseres in haar specifieke geval geen bescherming door de autoriteiten wordt geboden. Uit deze verklaring kan immers hooguit worden geconcludeerd dat haar schoonzus heeft geweigerd haar invloed ten positieve aan te wenden, maar niet dat haar schoonzus haar invloed heeft aangewend om het onderzoek tegen [persoon 2] in negatieve zin te beïnvloeden.
Tot slot overweegt de rechtbank, in navolging van de vaste jurisprudentie van de Afdeling – onder ander de uitspraken van 19 december 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AU8827, JV 2006/48), van 29 mei 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW7273, JV 2012/320), van 17 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:332) en van 1 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1913) – dat de omstandigheid dat de mate van effectiviteit van de bescherming niet op voorhand vaststaat niet reeds met zich brengt dat in feite geen bescherming kan worden verkregen.