Eiser, een gewezen beroepsmilitair, kreeg per 1 december 2011 een uitkering op grond van de Uitkeringswet Gewezen Militairen (UGM). Hij verzocht om herziening van het besluit zodat zijn uitkering zou doorlopen tot het moment dat hij aanspraak maakt op een AOW-pensioen. Dit verzoek werd afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank behandelde het beroep op 25 augustus 2016 samen met meerdere vergelijkbare zaken.
De rechtbank overwoog dat het beëindigen van de UGM-uitkering bij het bereiken van 65 jaar een leeftijdsonderscheid vormt dat verboden is volgens de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL). Hoewel verweerder stelde dat dit onderscheid objectief gerechtvaardigd zou zijn, oordeelde de rechtbank dat het middel een excessieve inbreuk maakt op de gerechtvaardigde aanspraken van eiser, mede omdat de compensatie via de Voorlopige voorziening onvoldoende is.
De rechtbank onderschreef eerdere oordelen van het College voor de Rechten van de Mens en de Centrale Raad van Beroep dat de situatie van gewezen militairen vanaf 65 jaar vergelijkbaar is met die van jongere collega’s en dat het onderscheid leidt tot een substantieel inkomensverlies. Daarom is het onderscheid niet objectief gerechtvaardigd en is sprake van verboden leeftijdsonderscheid.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen dat in lijn is met deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.