ECLI:NL:RBAMS:2026:29

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
AMS 25/634
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek bij WIA-uitkeringsaanvraag

Eiseres heeft een WIA-uitkering aangevraagd die door het UWV is afgewezen op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek. In bezwaar is een nieuw medisch onderzoek verricht, maar dit bestond slechts uit dossieronderzoek en een hoorzitting via beeldbellen, zonder fysiek spreekuurcontact.

De rechtbank stelt vast dat volgens vaste rechtspraak een verzekeringsarts in bezwaar een spreekuurcontact moet verrichten tenzij gemotiveerd kan worden waarom dit niet nodig is. De verzekeringsarts b&b heeft niet gemotiveerd waarom vanwege de psychische klachten van eiseres kon worden afgezien van een fysiek onderzoek.

Hierdoor is het medisch onderzoek niet zorgvuldig en het besluit niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank geeft het UWV de gelegenheid dit gebrek binnen acht weken te herstellen, bijvoorbeeld door alsnog een fysiek onderzoek te verrichten of een aanvullende motivering te geven.

De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak en neemt nu geen beslissing over proceskosten. Tegen deze tussenuitspraak is nog geen hoger beroep mogelijk, maar dit kan samen met het hoger beroep tegen de einduitspraak.

Uitkomst: Het medisch onderzoek in bezwaar is onvoldoende zorgvuldig verricht, waardoor het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en het UWV wordt in de gelegenheid gesteld dit te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/634

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats] (Spanje), eiseres
(gemachtigde: mr. M. de Boorder),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. E. Kok).

Procesverloop

Met een besluit van 14 februari 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv de aanvraag van eiseres voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen.
In het besluit van 10 december 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De gemachtigde van het Uwv is niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de WIA-aanvraag van eiseres. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en daardoor ook niet deugdelijk is gemotiveerd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft voorheen gewerkt als [functie] voor gemiddeld 23,05 uur per week. Op 3 mei 2021 heeft zij zich ziekgemeld voor dit werk wegens belemmerende gezondheidsklachten. Eiseres heeft op 21 april 2023 een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend.
4. Het Uwv heeft een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht om vast te stellen of eiseres voor een WIA-uitkering in aanmerking komt. Op grond van de bevindingen bij het medisch onderzoek heeft een verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 januari 2024 opgesteld. Met het primaire besluit heeft het Uwv de WIA-aanvraag van eiseres afgewezen, omdat op grond van de resultaten van de medische en arbeidskundige beoordelingen is gebleken dat eiseres op de datum in geding van 1 mei 2023 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
5. Eiseres is hiertegen in bezwaar gekomen.
6. In bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) opnieuw medisch onderzoek verricht, waarvan op 26 november 2024 een medisch onderzoeksrapport is opgesteld. Op basis hiervan is op 29 november 2024 een gewijzigde FML opgesteld. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op
5 december 2024 een arbeidskundig onderzoeksrapport in bezwaar opgesteld. Hierin staat dat geen aanleiding bestaat om van de eerdere arbeidskundige beoordeling af te wijken. Uit de gewijzigde FML blijkt dat andere passende functies voor eiseres beschikbaar zijn. Op grond daarvan heeft het Uwv eiseres op de datum in geding van 1 mei 2023 minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht en het primaire besluit van 14 februari 2024 gehandhaafd.
Toetsingskader
7. Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
8. Een rapport van een deskundige, zoals een verzekeringsarts, moet volgens artikel 4 van Pro het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten aan een aantal voorwaarden voldoen. Het rapport moet op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en conclusies bevatten die logisch voortvloeien uit de bevindingen. Als aan die voorwaarden wordt voldaan, mag het Uwv uitgaan van de juistheid van het rapport. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen, dan wel onjuistheden bevatten.
Is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest?
9. Eiseres heeft onder meer aangevoerd dat het medisch onderzoek onvolledig en onzorgvuldig is verricht. In de primaire fase is het medisch onderzoek beperkt gebleven tot een spreekuurcontact via beeldbellen; in bezwaar werd volstaan met dossieronderzoek en een hoorzitting via beeldbellen, waarbij de verzekeringsarts b&b aanwezig was. Er heeft dus nooit een fysiek spreekuurcontact met een verzekeringsarts plaatsgevonden. Volgens eiseres is daardoor onvoldoende rekening gehouden met haar psychische beperkingen.
9.1.
Het Uwv heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat de medische herbeoordeling in bezwaar zorgvuldig en adequaat is geweest. De verzekeringsarts b&b heeft een dossierstudie verricht, was aanwezig bij de hoorzitting en heeft kennisgenomen van de in bezwaar ingediende medische gegevens. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b toegelicht dat een fysiek spreekuur niet noodzakelijk werd geacht, gezien de fluctuerende aard van de lichamelijke klachten van eiseres.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek niet voldoende zorgvuldig is geweest. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat, wanneer de medische grondslag van het primaire besluit gemotiveerd wordt betwist en er in de primaire fase geen spreekuurcontact met een verzekeringsarts is geweest, als uitgangspunt geldt dat de betrokkene in de bezwaarfase tijdens een spreekuurcontact wordt onderzocht door een verzekeringsarts b&b. [1] Van een dergelijk spreekuurcontact kan in beginsel alleen worden afgezien als de verzekeringsarts b&b voldoende motiveert dat dit, gelet op de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie, geen toegevoegde waarde heeft. Louter dossieronderzoek in bezwaar volstaat in de regel dan niet. [2] Ook volgt uit de rechtspraak dat een hoorzitting waarbij een verzekeringsarts b&b aanwezig is niet kan worden gelijkgesteld met (de beslotenheid van) een spreekuurcontact. [3] Er kunnen zich echter bijzondere situaties voordoen waarbij na de hoorzitting een compleet beeld bestaat van de beperkingen en aan een aanvullend spreekuur niet meer nodig is. [4] Een spreekuur vindt doorgaans in fysieke vorm plaats, maar kan ook telefonisch of via een beeldverbinding plaatsvinden, mits het onderzoek zorgvuldig wordt uitgevoerd. [5] In dat geval moet wel gemotiveerd worden waarom van een fysiek (lichamelijk en/of psychisch) onderzoek is afgezien, zeker als op dat punt gronden zijn aangevoerd. [6]
9.3.
Toepassing van bovenstaande rechtspraak leidt tot het volgende. Eiseres heeft de medische grondslag van het primaire besluit gemotiveerd betwist. Zij is op geen enkel moment fysiek (lichamelijk of psychisch) onderzocht door een verzekeringsarts. Het medisch onderzoek in de primaire fase bestond uitsluitend uit een spreekuurcontact via beeldbellen. Tijdens het onderzoek in bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b zich beperkt tot dossieronderzoek en een hoorzitting. Hij heeft niet gemotiveerd waarom een aanvullend (fysiek) spreekuurcontact, gelet op de psychische klachten en aanwezige medische gegevens van eiseres, geen toegevoegde waarde zou hebben gehad, bijvoorbeeld omdat na de hoorzitting een voldoende compleet beeld van de psychische beperkingen van eiseres was ontstaan. De verzekeringsarts b&b heeft alleen gemotiveerd waarom een fysiek
lichamelijkonderzoek niet noodzakelijk werd geacht, verwijzend naar de fluctuerende aard van de lichamelijke klachten van eiseres. De verzekeringsarts b&b had ook moeten motiveren waarom het afzien van een fysiek
psychischonderzoek gerechtvaardigd is, zeker nu eiseres heeft aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische klachten. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of voldoende rekening is gehouden met de door eiseres gestelde psychische klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Het medisch onderzoek in bezwaar is daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid verricht.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op de overwegingen onder 9 tot en met 9.3 is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en daardoor ook niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
11. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het Uwv in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar. Om het gebrek te herstellen moet de verzekeringsarts b&b motiveren waarom in dit geval in het geheel afgezien kon worden van een fysiek (psychisch) onderzoek of alsnog nader onderzoek doen naar de door eiseres geuite psychische klachten tijdens een fysiek spreekuurcontact. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het Uwv het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
12. Het Uwv moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het Uwv gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het Uwv. In beginsel, ook in de situatie dat het Uwv de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
13. Gelet op de aard van het vastgestelde gebrek, zullen de overige gronden pas in de einduitspraak worden besproken.
14. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het Uwv op om binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het Uwv in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.L. Wiersinga, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2026.
de griffier is buiten
staat te tekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.CRvB 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491 en CRvB 10 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:84.
2.CRvB 22 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG1543.
3.CRvB 19 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1991, CRvB 13 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1554 en CRvB 26 januari 2023, ECLI:CRVB:2023:104.
4.CRvB 16 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1393 en CRvB 8 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1936.
5.CRvB 3 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:52.
6.CRvB 18 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:99 en CRvB 30 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:613.