Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
in het gelijk. De rechtbank is van oordeel dat het college, in alle zaken, de besluiten onvoldoende heeft gemotiveerd. Dit betekent dat het college nieuwe besluiten moet nemen, waarbij het college rekening moet houden met wat de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen. De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende is ingegaan op de belangen van eisers. Het college had, voordat zij de besluiten nam, moeten onderzoeken wat deze belangen van eisers zijn en wat de gevolgen van de besluiten voor eisers zouden zijn. Door dit niet te onderzoeken, heeft het college ook niet kunnen bekijken of bijvoorbeeld mitigerende maatregelen nodig zijn. Daarnaast is het college uitgegaan van een onjuiste uitleg van bepalingen in de APV en het bestemmingsplan.
Besluitvorming
Het wettelijk kader
Het oordeel van de rechtbank
détournement de pouvoir(misbruik van bevoegdheid) omdat het besluit op oneigenlijke gronden zou zijn genomen. Het is onbetwist dat er, ondanks het geldende zwemverbod, wel gezwommen werd in het water aan de steiger. Dit brengt een extern veiligheidsrisico met zich mee zolang er nog vaartuigen mogen afmeren. Zoals hiervoor overwogen is het voorkomen of beperken van een dergelijk risico een van de belangen op grond waarvan een verkeersbesluit mag worden genomen.
ten dienste waarvaneen verkeersbesluit kan worden genomen. Met het nemen van het verkeersbesluit moet in elk geval een van deze belangen worden gediend. Uit artikel 3 van Pro de Scheepvaartverkeerswet volgt echter niet dat vervolgens, nadat is vastgesteld dat met het nemen van het verkeersbesluit de in dat artikel genoemde belangen worden gediend, niet ook andere belangen in de besluitvorming moeten worden betrokken. Er moeten dus nautische belangen zijn die door het besluit worden gediend. Maar als die er zijn, sluit dit niet uit dat er andere belangen betrokken zijn die moeten worden onderzocht en afgewogen. Het college had in dit verband ook de negatieve gevolgen voor eisers die voortvloeien uit het instellen van het afmeerverbod (en dus het opheffen van het zwemverbod) bij de belangenafweging moeten betrekken. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2016. [4] In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat pas wordt toegekomen aan de vraag of en op welke wijze andere belangen bij het verkeersbesluit dienen te worden meegewogen indien de in artikel 3 van Pro de Scheepvaartverkeerswet genoemde belangen met het verkeersbesluit worden gediend.
Het verzoek
Het bestemmingsplan
De besluitvorming
Het oordeel van de rechtbank
extensiefrecreatief medegebruik (onderstreping rechtbank). Partijen verschillen van mening of het zwemmen zoals dat plaatsvindt op de Borneosteiger kan worden gezien als ‘extensief’. Volgens het college is sprake van extensief gebruik, omdat er geen sprake is van bedrijfsmatige exploitatie of activiteiten in verenigingsverband. Verder is de ruimtelijke uitstraling beperkt. Eisers stellen, kort gezegd, dat door het veelvuldig gebruik van de steiger geen sprake meer is van extensief gebruik. Het zwemmen en de zwemmers hebben een enorme ruimtelijke uitstraling. Eisers ervaren veel overlast. Daarom is sprake van strijd met het bestemmingsplan, aldus eisers.
Het verzoek
De besluitvorming
De uitspraak van de voorzieningenrechter
Het oordeel van de rechtbank
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 552,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 3.795,-
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2023.
BIJLAGE 1 – HET PROCESVERLOOP
- Op 14 augustus 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders een verkeersbesluit genomen waarbij een ligplaatsverbod is ingesteld voor de Borneosteiger met uitzonderling van bedrijfsvaartuigen.
- Op 6 juli 2020 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost een verzoek ingediend om het afmeerverbod op te heffen.
- Bij besluit van 26 augustus 2021 (het primaire besluit I) heeft het college van burgemeester en wethouders een verkeersbesluit genomen waarbij een ligplaatsverbod is ingesteld.
- Op 3 oktober 2021 hebben eisers hiertegen bezwaar gemaakt.
- Bij besluit van 17 maart 2022 (het bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
- Op 21 april 2022 hebben eisers beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I.
- Op 12 maart 2021 hebben eisers een verzoek tot handhaving ingediend.
- Bij besluit van 22 juni 2021 (het primaire besluit II) heeft het college dit verzoek afgewezen.
- Op 16 juli 2021 hebben eisers hiertegen bezwaar gemaakt. Ook hebben eisers een verzoek tot een voorlopige voorziening ingediend.
- Bij uitspraak van 24 augustus 2021
- Bij besluit van 17 maart 2022 (het bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
- Op 21 april 2022 hebben eisers beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II.
- Op 18 oktober 2021 hebben eisers een verzoek tot handhaving ingediend.
- Bij besluit van 10 december 2021 (het primaire besluit III) heeft het college het verzoek van eisers afgewezen.
- Op 18 januari 2022 hebben eisers hiertegen bezwaar gemaakt.
- Bij besluit van 26 juli 2022 (het bestreden besluit III) heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.
- Op 29 augustus 2022 hebben eisers beroep ingesteld tegen het bestreden besluit III. Ook hebben eisers een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
- Bij uitspraak van 30 september 2022
- Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2023. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. van Marle en mr. H.J. de Groot. Namens het college zijn ook verschenen: mr. J.F. Kruyt, I.H. Moes, mr. E.G. Blees, A. Brink en mr. Y. Chaouki.
- De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen om te kijken of zij kunnen schikken.
- Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 8 september 2023. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. de Groot. Namens het college zijn verder verschenen mr. E.G. Blees, mr. Y. Chaouki, I. Moes en J. Vermeulen.