Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
Bewijsoverwegingen
In de kasopstelling zijn de werkelijke contante uitgaven inclusief de bankstortingen betrokken. Deze contante uitgaven en bankstortingen bedragen in totaal € 285.947,77. Uit de kasopstelling blijkt echter dat verdachte € 17.020,00 beschikbaar had voor het doen van uitgaven. Hierbij zijn betrokken de legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen ter waarde van € 59.020,00 verminderd met het aangetroffen contante geldbedrag van € 42.000,-. De rechtbank heeft geconstateerd dat het bedrag van € 59.020,00 een optelsom is van alle bedragen die contant zijn opgenomen door verdachte en zijn partner, genoemd (…) in AMB-010 op pagina 381 en verder van het procesdossier en AMB-022 op pagina 440 en verder van het procesdossier. De rechtbank overweegt dat het bedrag van € 59.020,00,- in werkelijkheid neerkomt op € 59.120,00,-. Omdat het bedrag van € 42.000,- al apart is genoemd bij contante geldbedragen (zie hieronder) is de rechtbank van oordeel dat het ten onrechte ook in de kasopstelling is meegenomen en uitgegaan moet worden van € 59.120,00 als beschikbaar voor contante uitgaven.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich in alle vijf verhoren die met hem hebben plaatsgevonden heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting van 17 december 2019 en 25 januari 2021 heeft verdachte wel een verklaring afgelegd.”
Verdachte heeft verklaard dat hij in 2013 eenmaal en in 2017 tweemaal bitcoins heeft verkocht. Met deze verkopen zou verdachte respectievelijk € 80.000,-, € 70.000,- en € 155.000,- aan contant geld hebben verworven.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte niet een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring verschaft omtrent de herkomst van de geldbedragen nu deze verklaring niet door de bevindingen in het dossier wordt geschraagd, maar ook niet door verdachte wordt voorzien van voldoende en concrete aanknopingspunten aan de hand waarvan nader onderzoek kan plaatsvinden om verdachtes verklaring te verifiëren. Daarvoor is allereerst van belang dat de verklaring van [getuige 1] op een aantal essentiële punten tegenstrijdig is met de verklaring van verdachte op de zitting van 17 december 2019. Verdachte heeft verklaard dat hij in 2013 samen met een vriend bitcoins van [getuige 1] heeft gekocht en in 2017 deze bitcoins weer via [getuige 1] heeft verkocht, waarbij hij de bitcoins op naam van [getuige 1] zou hebben laten schrijven en [getuige 1] toen de waarde contant zou hebben uitbetaald. [getuige 1] verklaart dat verdachte in 2016 heeft gezegd dat hij bitcoins had en dat hij geen bitcoins van verdachte heeft gekocht, maar dat de verkoop van bitcoins aan iemand anders bij hem thuis heeft plaatsgevonden, waarbij die andere persoon het geld heeft betaald. De stelling van de verdediging dat de verklaring van verdachte onjuist zou zijn opgenomen in dat proces-verbaal, volgt de rechtbank zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – niet. Het zou dan niet één enkele verspreking betreffen, maar drie punten waarop verdachte iets fundamenteel anders heeft verklaard dan [getuige 1] . De verklaring van verdachte dat hij in 2013 bitcoins zou hebben verkocht tegen een waarde van € 80,000,-, hetgeen hij in contanten zou hebben ontvangen, is verder geenszins onderbouwd. Verder stelt de rechtbank vast dat de verklaring van verdachte dat hij in 2017 tweemaal bitcoins heeft verkocht, ook wanneer van de verklaring van [getuige 1] zou worden uitgegaan, op geen enkele wijze is te verifiëren.”
Ten aanzien van de opwaardering van kaarten van het casino [A] B.V. overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat verdachte in totaal voor een bedrag van € 21.485,- contant heeft ingelegd op vijf casinokaarten, met onder andere coupures van € 500,- en € 200,-. Uit het dossier blijkt dat de ingelegde contanten niet afkomstig kunnen zijn geweest van eventueel in het casino behaalde winsten. Derhalve ziet de rechtbank geen aanleiding om deze post uit te sluiten van de kasopstelling.”
Ten aanzien van de contante betalingen aan [B] heeft de rechtbank vastgesteld dat het dossier diverse stortingsbewijzen en bankafschriften van [B] bevat. Op deze stortingsbewijzen is telkens de naam van verdachte geschreven. De stortingsbewijzen dateren uit de periode waarin de facturen volgens [B] zijn betaald. Bovendien stelt de rechtbank vast dat twee van de stortingsbewijzen overeenkomen met twee facturen, te weten het stortingsbewijs van 20 maart 2018 met een gestort bedrag van € 14.450,-, pagina 1247 van het procesdossier, en het stortingsbewijs van 25 mei 2018, pagina 1244 van het procesdossier.”
De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij geen andere facturen zou hebben betaald dan degene die per bank is voldaan, gelet op het voorgaande dan ook niet geloofwaardig. De contante betalingen aan [B] worden derhalve terecht betrokken in de kasopstelling.”
De rechtbank overweegt ten aanzien van de factuur van [C] dat deze factuur zoals gesteld door de raadsman, is aangetroffen in de administratie van [D] . De contante betaling van deze factuur kan volgens de rechtbank niettemin worden meegenomen in de kasopstelling, omdat van de inkomsten van [D] tevens een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestaat.”
Het dossier bevat slechts twee girale betalingen voor de huur van het voertuig, terwijl de overeenkomst voor langere duur is afgesloten. De rechtbank is van oordeel dat, nu enige aanwijzing van andere girale betalingen ontbreekt, het niet anders kan dan dat de overige huurbetalingen contant zijn verricht en sluit om die reden deze post niet uit van de kasopstelling.”
Art. 420bis lid 1 Sr:
Art. 420ter lid 1 Sr:
eerste deelklachtwordt geklaagd dat de verdachte – anders dan het hof heeft overwogen – ten aanzien van het bewezen verklaarde witwasbedrag van € 226.827,77 wel een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot de herkomst van dat geldbedrag. De verklaring dat hij bitcoins heeft verkocht waarmee hij in totaal € 305.000,- aan contant geld heeft verworven, is namelijk concreet. Die verklaring is ook niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk, mede in aanmerking genomen dat namens de verdachte is bepleit dat i) hij tijdens de belastingcontrole – die aan de strafzaak is voorafgegaan – aandacht heeft gevraagd voor zijn bezit van bitcoins, ii) zijn partner heeft verklaard dat hij een wallet heeft en iii) in Oostenrijk contant geld veel gebruikelijker is dan in Nederland, zeker in de ten laste gelegde periode. De verklaring van de verdachte is ook geverifieerd door de verklaring van de [getuige 1] die de verklaring van de verdachte in de kern heeft bevestigd. De verkoop van bitcoins betreft een legale aangelegenheid. Gelet op wat door en namens de verdachte is aangevoerd, had het hof niet tot het oordeel mogen komen dat het niet anders kan zijn dan dat de betreffende gelden uit enig misdrijf afkomstig zijn, aldus de steller van het middel. Daar komt bij dat het hof ten onrechte van de verdachte heeft verlangd dat ook de verklaring van de [getuige 1] verifieerbaar moet zijn.
tweede deelklachtwordt geklaagd dat de verwerping door het hof van het verweer van de verdediging ten aanzien van de post “contante opwaardering kaarten casino [A] BV” van de kasopstelling onjuist althans onbegrijpelijk is. Gelet op de verklaring van de [getuige 2] , operationeel manager bij [A] , inhoudende dat de verdachte in groepsverband gokte en dat het niet gebruikelijk is dat één persoon met meerdere casinokaarten speelt, zijn er – anders dan het hof heeft overwogen – namelijk wel aanwijzingen dat ook anderen hebben ingelegd op de betreffende casinokaarten, aldus de steller van het middel.
[A] B.V.
Op de vragen van de raadsman antwoord ik als volgt:
De getuige overhandigt aan de raadsheer-commissaris het formulier en de legitimatie. Deze zullen als bijlagen worden gevoegd aan dit proces-verbaal.
derde deelklachtwordt geklaagd dat de verwerping door het hof van het verweer van de verdediging ten aanzien van de post “contante betaling voor tuinwerkzaamheden [B] ” van de kasopstelling niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Aangevoerd wordt dat de stortingsbewijzen waarnaar in de door het hof overgenomen overwegingen van de rechtbank wordt verwezen niet door het hof tot het bewijs zijn gebezigd. Daarnaast is aangevoerd dat het als bewijsmiddel 7 gebezigde proces-verbaal van de kasopstelling, inhoudende dat uit derdenonderzoek door de belastingdienst is gebleken dat door de verdachte tevens facturen contant zijn betaald aan [B] , in strijd is met de door de verdachte in eerste aanleg overgelegde brief van de Ontvanger van de Belastingdienst van 29 maart 2019. Uit die brief blijkt immers dat de Ontvanger derdenbeslag heeft gelegd op de vordering van [B] op de verdachte. Daarmee is volgens de steller van het middel erkend dat de verdachte de rekening van [B] niet heeft voldaan en heeft het hof ten onrechte de overwegingen van de rechtbank overgenomen zonder hierop in te gaan.
vierde deelklachtwordt geklaagd dat het hof niet heeft gereageerd op de kern van het verweer van de verdediging dat de door de eenmanszaak van de verdachte gefactureerde bedragen indirect afkomstig zijn van gerenommeerde bedrijven en een legale herkomst van die bedragen dus niet kan worden uitgesloten. Volgens de steller van het middel heeft het hof ten onrechte desondanks overwogen dat die bedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Bovendien is dat oordeel, gelet op de feiten en omstandigheden die het hof daarbij in aanmerking heeft genomen, onvoldoende gemotiveerd. Door en namens de verdachte is namelijk een uitleg gegeven voor die feiten en omstandigheden. Die feiten en omstandigheden zeggen daarnaast niets over de herkomst van de door de eenmanszaak van de verdachte gefactureerde bedragen. Tot slot wordt aangevoerd dat de verwerping door het hof van het verweer van de verdediging ten aanzien van de post “contante betaling aan [C] ” onjuist althans onvoldoende gemotiveerd is. In dat verband wordt aangevoerd dat door en namens de verdachte is aangetoond dat een legale herkomst van de inkomsten van de eenmanszaak van de verdachte niet kan worden uitgesloten en dat dit dus ook heeft te gelden voor de uitgaven van die inkomsten, zoals de contante betaling aan [C] .
Strafzaak
paper trailzou zijn geschetst, die de schijn wekt dat de gefactureerde bedragen van [F] en [D] zijn gebaseerd op werkzaamheden die cliënt en zijn partner daadwerkelijk hebben verricht. Maar de rechtbank vond de resultaten van het door de FIOD verrichte feitelijke onderzoek van dien aard dat mede op basis daarvan geen andere conclusie mogelijk is dan dat die gefactureerde bedragen van in totaal € 287.613,- onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig zijn.
met behulp waarvaneen misdrijf is begaan (i.c. valsheid in geschrifte c.q. valse facturen) heeft verward met voorwerpen die
uitmisdrijf afkomstig zijn.
4.6Ook de uitgave van € 2.380,- aan [betrokkene 4] is ten onrechte in de kasopstelling opgenomen. De daarop betrekking hebbende kassabon (waarop overigens niet is te zien wat er zou zijn gekocht) is immers aangetroffen in een map met het opschrift ‘ [D] 2016’, zodat er van uit moet worden gegaan dat dat een zakelijke uitgave is geweest. Deze hoort daarom niet thuis in deze privé-kasopstelling, waar de zakelijke kas van cliënt niet in is meegenomen.
bijlagen 3 t/m 8). [K] BV – die wel een website heeft (
bijlage 9) – behaalt zijn omzet weer uit opdrachten van gerenommeerde bedrijven als [E] BV (
bijlage 10).
vijfde deelklachtricht zich tegen de volgende overweging van het hof:
NJ2021/392, m.nt. W.H. Vellinga – op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte de wijze van factureren heeft gezien als het misdrijf waarvan de gefactureerde bedragen afkomstig waren. Volgens de raadsman zijn de facturen voorwerpen
met behulp waarvaneen misdrijf is begaan, maar dat maakt nog niet dat de gefactureerde bedragen reeds daarom
uitmisdrijf afkomstig zijn (zie randnr. 2.35).