ECLI:NL:PHR:2026:649

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
25/02309
Type
Conclusie
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:94 BWArt. 18c RvArt. 24 RvArt. 32 RvArt. 109 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing in zaak over matiging contractuele boete wegens schending achterstellingsovereenkomst

In deze langlopende civiele procedure staat de vraag centraal of verzoeker verdere matiging van een contractuele boete toekomt die is opgelegd wegens schending van een achterstellingsovereenkomst met Korpodeko. Na eerdere cassaties en verwijzingen heeft het hof de boete reeds gematigd tot NAF 6,9 miljoen, maar niet verder omdat verzoeker onvoldoende had gesteld om zijn bewijsaanbod te honoreren dat hij de gelden niet in eigen zak had gestoken.

Verzoeker klaagt in cassatie over het oordeel van het hof dat hij niet aan zijn stelplicht had voldaan en dat zijn bewijsaanbod werd gepasseerd. De Hoge Raad oordeelt dat het hof te hoge eisen aan de stelplicht heeft gesteld en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bewijsaanbod werd afgewezen. Ook is het oordeel dat de notulen van een directievergadering betrouwbaar zijn en dat verzoeker zeggenschap had over de gelden onvoldoende onderbouwd.

De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling, waarbij verzoeker alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld zijn bewijs aan te dragen. Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van Korpodeko wordt verworpen. De zaak betreft complexe contractuele en procesrechtelijke vraagstukken over matiging van boetes, stelplicht en bewijsaanbod in het Caribisch burgerlijk procesrecht.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de matiging van de contractuele boete.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02309
Zitting26 juni 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel en mr. L.V. van Garderen,
tegen
Fundashon Korporashon PA Desaroyo Di Korsou,
verweerster in cassatie, verzoekster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk en mr. J.W. [betrokkene 3] .
Partijen worden hierna verkort aangeduid als
[verzoeker]respectievelijk
Korpodeko.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze procedure na verwijzing is alleen nog aan de orde of [verzoeker] beroep op verdere matiging van een contractuele boete moet worden gehonoreerd. Na het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:846 (hierna:
het verwijzingsarrest) staat vast dat [verzoeker] een beding in een tussen partijen gesloten overeenkomst heeft geschonden en dat hij op grond daarvan een boete is verschuldigd aan Korpodeko. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna:
het hof) heeft
vóórverwijzing de contractueel verschuldigde boete reeds gematigd tot afgerond NAF 6,9 miljoen. Het hof heeft de boete toen niet verder gematigd omdat het oordeelde dat [verzoeker] een door Korpodeko aan Dutch Antilles Express B.V. (hierna:
DAE) verstrekte lening in eigen zak heeft gestoken en aan DAE heeft onthouden. [1] Dat oordeel is in het verwijzingsarrest wegens schending van hoor en wederhoor gecasseerd.
1.2
verwijzing heeft het hof de boete niet verder gematigd. Het heeft daartoe geoordeeld dat [verzoeker] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan en dat daarom niet wordt toegekomen aan zijn bewijsaanbod met betrekking tot het aan hem gemaakte verwijt dat hij de gelden bedoeld voor DAE in eigen zak heeft gestoken. Twee andere door [verzoeker] aangevoerde gronden vormen volgens het hof ook geen aanleiding voor (verdere) matiging van de boete. [2]
1.3
In het principaal cassatieberoep komt [verzoeker] met rechts- en motiveringsklachten op tegen deze oordelen van het hof. Enkele klachten slagen mijns inziens. Ik stel daarom vernietiging voor, wat in dit langlopende geschil de derde vernietiging op rij zou zijn.
1.4
Korpodeko heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen het oordeel van het hof dat twee andere aangevoerde matigingsgronden geen aanleiding kunnen geven tot matiging van de boete. De voorwaarde voor het incidenteel cassatieberoep is niet vervuld. Los daarvan meen ik dat de incidentele klachten tevergeefs zijn voorgesteld.

2.Feiten

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [3]
2.2
Tussen Korpodeko en DAE is op of rond 7 september 2010 een geldleningsovereenkomst tot stand gekomen (hierna:
de Kredietovereenkomst). Deze overeenkomst bepaalt onder meer het volgende:
“Overige van toepassing zijnde voorwaarden en bepalingen
1. Achterstellingen van zowel privé als zakelijke leningen die door [verzoeker] aan DAE al dan niet via Bonaire Beleggings en Participatie Maatschappij N.V. (BBPM) zijn verstrekt tot een bedrag van USD 12.558.721,00 plus EUR 180.000,00 aan de lening van Korpodeko. (…)
(…)
5. Wijziging van aandeelhouderschap of feitelijke zeggenschap in de vennootschap alsmede in de directie vereisen de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van Korpodeko, welke goedkeuring niet op onredelijke gronden zal worden onthouden.
6. In de financiering van onverhoopte overschrijding van het totaal door u geraamde investeringskosten zal/zullen de vennootschap c.q. de aandeelhouders van de vennootschap gezamenlijk dan wel afzonderlijk voorzien met eigen middelen.”
2.3
Tussen Korpodeko, DAE, [verzoeker] en Bonaire Beleggings en Participatie Maatschappij N.V. (hierna:
BBPM) is op of omstreeks 7 september 2010 een overeenkomst tot stand gekomen (hierna:
Achterstellingsovereenkomst). BBPM houdt alle aandelen in het kapitaal van DAE. De Achterstellingsovereenkomst, waarin [verzoeker] is aangeduid als “NS”, bepaalt onder meer het volgende (
onderstrepingen in de citaten hier en hierna door mij toegevoegd; AG):
“3. Voorts verklaarden ondergetekenden handelende als gemeld dat met betrekking tot
alle bestaande vorderingen uit de bovenstaande tussen enerzijds DAE en anderzijds NS en BBPM aangegane geldleningsovereenkomsten, zoals gespecificeerd in de kredietbrief van 07 september 2010, is overeengekomen dat deze
zullen zijn achtergesteld bij alle bestaande en toekomstige vorderingen die KORPODEKO heeft op DAEuit hoofde van de tussen DAE en KORPODEKO aangegane geldlening, waarvan blijkt uit voormelde kredietbrief d.d. 7 september 2010 dat aan deze akte is gehecht.
4. Voorts verklaarden partijen i.v.m. voormelde achterstelling te zijn overeengekomen dat NS en BBPM zich jegens KORPODEKO gezamenlijk c.q. hoofdelijk verbinden c.q. verbindt geen betalingen strekkende tot voldoening van enige bestaande vordering, zoals gespecificeerd in de kredietbrief van 07 september 2010, uit hoofde van voormelde geldleningen te accepteren van DAE of van een derde handelend tot kwijting van DAE, zolang KORPODEKO daarvoor niet schriftelijk toestemming heeft verleend. (…)
5.
NS zal zonder schriftelijke toestemming van KORPODEKO geen handelingen verrichten, waardoor zijn of haar genoemde vordering op DAE geheel of gedeeltelijk tenietgaat, uit het vermogen van NS verdwijnt of met een beperkt recht wordt bezwaard, en zal alles nalaten wat tot voormelde gevolgen zou kunnen leiden.
(…)
8.
Indien NS zich door handelen of nalaten gedraagt in strijd met hetgeen hier is overeengekomen, verbeurt NS ten behoeve van KORPODEKO een direct opeisbare boete ten belope van het bedrag van de hoofdsom van de achtergestelde vorderingen.”
2.4
Tussen Antilles Aero Holdings N.V. als “Purchaser”, [betrokkene 1] als “Guarantor” en [verzoeker] als “Seller” is op 9 december 2010 een Share Purchase Agreement (hierna:
SPA)tot stand gekomen, waarbij [verzoeker] de aandelen in het kapitaal van BBPM verkoopt voor één euro. De SPA bepaalt voorts onder meer het navolgende:
“7. Specific Guarantees and Indemnities
7.1
The Purchaser and the Guarantor shall jointly and severally guarantee, indemnify, defend and hold harmless the Seller, to the amount of USD. 1,500,000 (…), in relation to the purchase by BBPM or DAE from Renovema (Holding) N.V., and the notarial delivery from Renovema (Holding) N.V. to BBPM or DAE, of the office buildings, locally know as (…), both buildings at present mortgaged by Renovema to Maduro & Curiel’s bank in favour of DAE. The Guarantor irrevocably agrees, as a personal obligation, to ensure full and final settlement of this payable to the Seller within 12 months after the Closing Date, on penalty of personal liability for the principal amount increased with legal interest and 15% collection costs. The Guarantor must replace the aforementioned personal obligation and personal liability with a bank guarantee from a Curacao banking institution before 31 March 2011.
7.2
The Purchaser and the Guarantor shall jointly and severally guarantee, indemnify, defend and hold harmless the Seller, to the amount of USD. 1,500,000 (…), in relation to the debt to the same amount of BBPM to Stichting High Seas Private Foundation. The Guarantor irrevocably agrees to ensure full and final settlement of this payable to the Seller within 12 months after the Closing Date, on penalty of personal liability for the principal amount increased with legal interest and 15% collection costs. The Guarantor must replace the aforementioned personal obligation and personal liability with a bank guarantee from a Curacao banking institution before 31 March 2011.
(…)
14. Miscellaneous I
(…)
14.3
After the Closing Date the Seller will have no further ties with or obligations to BBPM or DAE. Both BBPM and DAE will be released of any obligations due to the Seller of his Subsidiaries or Affiliates.”
3.Procesverloop [4]
3.1
In dit geding vordert Korpodeko betaling van de in art. 8 van Pro de Achterstellingsovereenkomst bedoelde boete. Aanvankelijk heeft zij haar vordering beperkt tot het bedrag van haar lening, zijnde NAF 6.911.820,--. Zij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd, voor zover thans nog van belang, dat [verzoeker] door het sluiten van de SPA, heeft gehandeld in strijd met art. 5 van Pro de Achterstellingsovereenkomst.
3.2
Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna:
Gerecht) heeft de vordering van Korpodeko afgewezen. In hoger beroep heeft het hof, na een tussenvonnis, de vordering van Korpodeko bij eindvonnis toegewezen.
3.3
De Hoge Raad heeft bij arrest van 8 juli 2016 het tussenvonnis van 18 maart 2014 en het eindvonnis van 2 september 2014 vernietigd en de zaak teruggewezen naar het hof ter verdere behandeling en beslissing. [5]
3.4
Naar aanleiding van een verzoek van [verzoeker] ex art. 32 Rv Pro heeft de Hoge Raad bij arrest van 2 september 2016 het arrest van 8 juli 2016 aangevuld. [6] De Hoge Raad heeft daarbij de door [verzoeker] in zijn verzoekschrift tot cassatie ingestelde vordering om Korpodeko te veroordelen “
tot terugbetaling van hetgeen waartoe [verzoeker] door hof in hoger beroep is veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van zijn betaling”, afgewezen.
3.5
Na terugwijzing heeft het hof de vordering van Korpodeko toegewezen. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
“In het tussenvonnis van 27 februari 2018 [7]
Voorshands wordt bewezen geacht dat art. 5 van Pro de Achterstellingsovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat toestemming was vereist voor iedere kwijtschelding van de vorderingen, zowel om niet als om baat en ook als deze op zichzelf zou staan en niet onlosmakelijk deel uitmaakte van een samenstel van deels niet (althans niet aan [verzoeker] ) verboden transacties. [verzoeker] wordt in de gelegenheid gesteld tot het leveren van tegenbewijs tegen deze voorshands gegeven uitleg.
In het tussenvonnis van 25 juni 2019 [8]
Korpodeko heeft na het afsluiten van de enquêtes nader schriftelijk bewijs geleverd en haar eis vermeerderd. [verzoeker] wordt in de gelegenheid gesteld te reageren op de toelichting die Korpodeko bij de stukken heeft gegeven en de conclusies die zij op basis van die stukken heeft getrokken en te antwoorden op de vermeerdering van eis.
In het eindvonnis van 21 september 2021 [9]
Met betrekking tot de door Korpodeko na enquête overgelegde stukken:
2.5
Een andere, zeer belangrijke nieuwe productie (nummer 32) is een stuk getiteld “Minutes Meeting 26 november 2010 ”, een verslag van een directievergadering met als aanwezigen [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 3] , waarin onder meer het volgende is te lezen:
“There is first a discussion about the rejection of [verzoeker] [ [verzoeker] ; Hof] to make the money from Korpodeko available to the company as promised during the September 23 conference call. The request for an injection of $450K which was promised last week (for which loan agreements were made up by DAE), was not executed Tuesday, which all brings DAE in a difficult position. (...)
[betrokkene 3] [ [betrokkene 3] ; Hof] will make based on the additional assumptions a new cash flow outlook for discussions (coming) Sunday with [verzoeker] , to explain the need of a usage of the funds provided by Korpodeko.”
2.6
Uit deze passage lijkt te volgen dat de door Korpodeko verstrekte lening niet bij DAE is terechtgekomen maar bij [verzoeker] en dat hij het geld vervolgens niet (meer) ten goede heeft willen laten komen aan DAE. Dat is ook de conclusie die Korpodeko trekt, zij het dat zij die conclusie ook enigszins vertroebelt door haar in haar memorie na enquête mede in verband te brengen met een ander verwijt, te weten dat [verzoeker] al op voorhand de door Korpodeko gewenste achterstelling van al zijn privé vorderingen op DAE heeft geprobeerd te omzeilen door een lening via Stichting Villa Betty (SVB) te laten lopen om zo activa aan DAE te onttrekken. Dat verwijt heeft [verzoeker] echter ontkracht door gemotiveerd en onder verwijzing naar de onderliggende stukken uit te leggen dat de door Korpodeko bedoelde lening een reëel, door Villa Betty verleend, overbruggingskrediet betrof dat DAE uit inmiddels ontvangen Cadivi-gelden heeft terugbetaald, zodat in zoverre van het onttrekken van geld aan DAE geen sprake is geweest. Dat is door Korpodeko vervolgens onvoldoende weersproken.
2.7
Wat [verzoeker] echter in zowel zijn memorie na enquête als in zijn nadere akte heeft nagelaten, is uitleggen hoe de passage uit productie 32 moet worden gelezen, hoe deze anders moet worden begrepen dan dat (zoals Korpodeko los van voornoemd verwijt naar het Hof begrijpt ook stelt) [verzoeker] het geleende, voor DAE bestemde geld in eigen zak heeft gestoken. Hij laat deze productie opvallend genoeg tot twee keer toe geheel onbesproken en voorziet de door Korpodeko getrokken conclusie slechts beeldend van enkele krachtige diskwalificaties.
Omdat tussen partijen vaststaat dat [verzoeker] na het verstrekken van het krediet geen geld meer in DAE heeft gestoken, kan niet worden ontkomen aan de conclusie dat [verzoeker] het geld van Korpodeko zelf heeft gehouden. Dat zou ook een (gedeeltelijke) verklaring kunnen zijn voor de soms wat moeizame en niet geheel eenduidige wijze waarop de getuigen antwoord gaven op de vragen waarvoor de lening was aangevraagd, waaraan deze was besteed en hoe het kan dat DAE er twee à drie maanden na het krediet zoveel slechter voorstond en alweer nieuwe financiële injecties nodig had, iets wat [verzoeker] steeds volledig heeft toegeschreven aan bedrog en wanbeleid zijdens [betrokkene 2] . Omdat het citaat in rov. 2.5 impliceert dat het volledige bedrag van de lening door [verzoeker] is achtergehouden, en dat - naar het Hof begrijpt - dat ook is wat Korpodeko (mede) stelt, leidt het ontbreken van iedere uitleg of inhoudelijk weerwoord van [verzoeker] of een andere contra-indicatie in het dossier, ertoe dat ervan wordt uitgegaan dat [verzoeker] nagenoeg het volledige leenbedrag aan DAE heeft onthouden.
2.8
Volgens Korpodeko beschikte zij niet over alle interne stukken van DAE en is deze onthullende nieuwe productie 32 beschikbaar gekomen nadat zij een destijds bij DAE betrokkene met de getuigenverklaringen confronteerde. Korpodeko reageerde daarmee op het bezwaar van [verzoeker] dat Korpodeko al geruime tijd over de administratie van DAE beschikte en dus eerder met dit stuk had kunnen en moeten komen. Wat hier verder van zij, het gaat om zodanig wezenlijke informatie dat het Hof het onaanvaardbaar acht dat de zaak zou worden beslist zonder dat dit stuk in de beoordeling wordt betrokken. Niet aannemelijk is dat op die manier een oneerlijke procestactiek van Korpodeko wordt beloond, zoals [verzoeker] suggereert. Zijn argument dat Korpodeko de nieuwe stukken zo aan debat en confrontatie met de getuigen heeft willen onttrekken maakt weinig indruk nu [verzoeker] in zijn akte geen enkel relevant commentaar op productie 32 heeft gegeven en hij ook niet vraagt om heropening van de enquête. De oneerlijkheid zit veeleer bij [verzoeker] die wist dat hij het geld zelf had gehouden maar niettemin tijdens deze procedure, in strijd met artikel 18c Rv, steevast de indruk heeft gewekt dat het aan DAE ten goede was gekomen en - ook als getuige onder ede - zijn verbazing erover heeft uitgesproken dat er zo kort na de vier miljoen dollar van Korpodeko al weer geld bij moest. Strijdig met een goede procesorde is het toelaten van deze productie(s) daarom niet, waarbij nog wordt opgemerkt dat Korpodeko het vasthouden van de aan de lening verbonden gelden niet als een zelfstandige overtreding van de achterstellingsovereenkomst heeft gebruikt.”
3.6
In het eindvonnis van 21 september 2021 wordt met betrekking tot het beroep van [verzoeker] op matiging van de boete het volgende overwogen:
“2.21 De schade van Korpodeko is voor een belangrijk deel het gevolg van de handelwijze van de nieuwe eigenaar van de aandelen, [betrokkene 1] . De vraag of die schade was voorkomen wanneer [verzoeker] zich aan artikel 5 van Pro de achterstellingsovereenkomst had gehouden is niet met zekerheid te beantwoorden. Wat Korpodeko had gedaan - had kunnen doen - als [verzoeker] haar de kwijtschelding had voorgelegd is in hoge mate speculatief. Gelet op haar wens [verzoeker] als schuldeiser/aandeelhouder te behouden is niet onaannemelijk dat Korpodeko bezwaren had gemaakt en het is eveneens goed voorstelbaar dat zij dan om nadere details van de gehele overname zou hebben gevraagd. Die overname had zij echter niet kunnen tegenhouden met een beroep op artikel 5 van Pro de kredietovereenkomst en het is zeer wel mogelijk dat [verzoeker] , zoals hij aanvoert, de voorwaarden van de aandelenverkoop (SPA) zo had kunnen aanpassen dat Korpodeko zich daartegen niet langer effectief via de achterstellingsovereenkomst kon verzetten. Het is bovendien ook maar de vraag of Korpodeko op dat moment tegen de persoon van de koper zodanige bedenkingen zou hebben gehad dat dit een reden was geweest om dwars te gaan liggen. Dat Korpodeko zich aanvankelijk coöperatief heeft opgesteld tegenover de nieuwe eigenaar, en zij DAE nog verder heeft gefinancierd, zegt in dit verband echter niet zoveel omdat Korpodeko de situatie als een gegeven had te accepteren en er op dat moment - zo stelt zij onweersproken - ook nog zekerheden konden worden bedongen op de toen nog niet (of minder) problematische Cadivi-gelden. Een boetebeding als dat van artikel 8 beoogt Pro weliswaar dit soort discussies af te snijden, zodat onzekerheid over de schade op zichzelf niet tot matiging leidt, maar aannemelijk is hier dat de schade die redelijkerwijs nog aan de schending van artikel 5 van Pro de achterstellings overeenkomst kan worden toegerekend aanzienlijk lager is dan de hoogte van de boete - waarschijnlijk is deze zelfs geheel afwezig.
(…)
2.23
De beoordeling van de matiging wordt echter ook zeer sterk gekleurd door de vaststelling uit rov. 2.7 van dit vonnis. Bij het Hof bestonden - zo blijkt ook wel uit de eerdere vonnissen - al de nodige twijfels of [verzoeker] , zoals hij steeds heeft betoogd, in 2011 uitsluitend of overwegend het belang van DAE en haar werknemers voor ogen heeft gehad. Dat hoefde op zichzelf ook niet: [verzoeker] had het volste recht om na alle verliezen en politieke tegenwind met DAE te stoppen en ook om daarbij te proberen om nog zoveel mogelijk voordeel te behalen, althans zijn schade te beperken, voor zichzelf en/of zijn familie(bedrijven) - zo lang dat binnen de grenzen van artikel 4 en Pro 5 van de achterstellingsovereenkomst bleef. Er is echter geen enkele rechtvaardiging voor het gedeeltelijk compenseren van die verliezen door het achterhouden van gelden die voor de bedrijfsvoering van DAE beschikbaar waren gesteld. Het krediet lijkt weliswaar door Korpodeko wat lichtvaardig te zijn gegeven, maar dat Korpodeko wist en ermee instemde dat [verzoeker] het geld zou houden, als genoegdoening voor een eerdere ongelijke behandeling, is gesteld noch gebleken. Het is evident dat DAE op deze wijze is benadeeld en daarmee ook Korpodeko, in die zin dat haar schade vermoedelijk lager was geweest als het geld ten bate van het bedrijf van DAE was besteed en dat zij de lening niet had verstrekt als zij had geweten dat deze zou belanden waar zij is terechtgekomen. Zo het al mogelijk is om [verzoeker] na te zeggen dat hem voor zijn wanprestatie - het niet melden van de kwijtschelding - geen enkel verwijt trof, wordt die matigingsfactor geheel overschaduwd door de vaststelling in rov. 2.7.
2.24
Bij dit alles is er weliswaar aanleiding om de boete aanzienlijk te matigen - het verbeuren van daaraan de volledige boete leidt zonder meer tot een buitensporig resultaat - maar stelt het gedrag van [verzoeker] daaraan ook een duidelijke grens, te weten het bedrag van NAf 6.911.820,- dat Korpodeko aan DAE heeft geleend in de gerechtvaardigde verwachting dat zij daarmee de onderneming zou ondersteunen. Een beroep op het verbeuren van de boete tot dat bedrag is naar maatstaven van redelijkheid ook niet onaanvaardbaar.
2.25
Dit is ook het bedrag waartoe Korpodeko haar vordering had beperkt. Of zij die beperking - berustende op een vrijwillige matiging - in dit stadium van het geding nog kan intrekken met een aanzienlijke vermeerdering van eis als gevolg, kan bij het zojuist gegeven oordeel over de matiging in het midden blijven.”
3.7
[verzoeker] heeft cassatieberoep ingesteld tegen de vonnissen van het hof van 27 februari 2018, 25 juni 2019 en 21 september 2021. Korpodeko heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend.
3.8
De Hoge Raad heeft in die tweede cassatieprocedure in het principaal beroep het eindvonnis van het hof van 21 september 2021 vernietigd en het geding teruggewezen naar het hof ter verdere behandeling en beslissing. [10] De Hoge Raad heeft daartoe, zakelijk weergegeven en voor zover in deze (derde) cassatie van belang, overwogen:
- Het hof niet kon oordelen dat ervan wordt uitgegaan dat [verzoeker] het geld van Korpodeko dat bestemd was voor DAE (op andere wijze) in eigen zak heeft gestoken, zonder hem in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten; en
- het oordeel van het hof in rov. 2.7 en 2.8 van het eindvonnis van 21 september 2021 daarom niet in stand kan blijven, evenmin als het daarop voortbouwend oordeel over de matiging van de boete in rov. 2.23 en rov. 2.24.
3.9
Na die tweede vernietiging en terugwijzing hebben partijen verder geprocedeerd bij het hof.
3.1
Op de rolzitting van 12 december 2023 hebben beide partijen een memorie na tweede cassatie en)verwijzing (met producties) genomen.
3.11
Op 23 januari 2024 hebben partijen een akte uitlating producties genomen.
3.12
Op de daarvoor bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd.
3.13
Het hof heeft bij vonnis van 25 maart 2025 (hierna:
het bestreden vonnis) het vonnis van het Gerecht van 15 april 2013 vernietigd en [verzoeker] veroordeeld tot betaling aan Korpodeko van een bedrag van NAF 6.911.820,--, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2011 en [verzoeker] veroordeeld in de proceskosten. [11]
3.14
Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang en zakelijk weergegeven, het volgende overwogen:
- het staat in rechte vast dat [verzoeker] art. 5 Achterstellingsovereenkomst heeft geschonden en dat hij op grond daarvan de in art. 8 Achterstellingsovereenkomst bedoelde boete is verschuldigd (rov. 3.3);
- Korpodeko heeft in eerste instantie haar vordering ter zake van de boete beperkt tot NAF 6.911.820,-- en heeft dus niet de volledige boete van USD 13.864.235,-- gevorderd; bij memorie van enquête van 14 mei 2019 heeft Korpodeko alsnog haar eis vermeerderd tot het volledige bedrag van de boete; in het eindvonnis van 21 september 2021 heeft het hof de vordering toegewezen tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering (NAF 6.911.820,--) en heeft in het midden gelaten of de eisvermeerdering was toegelaten; beide partijen gaan er nu vanuit dat het hof geen hoger boetebedrag kan toewijzen dan het bedrag van de oorspronkelijke vordering; de vraag na verwijzing is alleen of de boete nog verder moet worden gematigd dan het in het eindvonnis van 21 september 2021 toegewezen bedrag (rov. 3.6);
- een schuldenaar kan zich op grond van art. 6:94 lid 1 BW Pro beroepen op matiging van een contractuele boete; de rechter mag slechts terughoudend gebruik maken van de matigingsbevoegdheid; voor matiging bestaat slechts aanleiding indien het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt; stelplicht en bewijslast van voor matiging relevante factoren ligt op de weg van de degene die zich op matiging beroept (rov. 3.7);
- de boete is door het hof in het eindvonnis van 21 september 2021 al aanzienlijk gematigd op grond van door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden die in cassatie niet zijn bestreden; het toegewezen boetebedrag bedraagt namelijk NAF 6.911.820,--, in plaats van het op grond van art. 8 Achterstellingsovereenkomst verschuldigde bedrag van USD 13.864.235,-- (rov. 3.8);
- het hof is bij zijn oordeel in het eindvonnis van 21 september 2021 ervan uit gegaan dat [verzoeker] nagenoeg het volledige bedrag van de lening van Korpodeko in eigen zak heeft gestoken en aan DAE heeft onthouden; dit heeft het hof onder meer gebaseerd op de door Korpodeko in het geding gebrachte notulen van 26 november 2010 (productie 32); omdat [verzoeker] zich over die stelling van Korpodeko niet meer had kunnen uitlaten was het oordeel in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor en heeft de Hoge Raad het eindvonnis van 21 september 2021 vernietigd (rov. 3.9);
- in deze procedure na verwijzing krijgt [verzoeker] alsnog gelegenheid zich over die stelling van Korpodeko uit te laten; [verzoeker] heeft geen belang bij zijn verweer dat Korpodeko – in strijd met de goede procesorde – de stelling in een te laat stadium van de procedure heeft opgeworpen, waardoor [verzoeker] niet meer in staat was daartegen adequaat verweer te voeren (rov. 3.10);
- [verzoeker] heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de notulen van de vergadering van 26 november 2010 niet juist weergeven wat tijdens die vergadering is besproken en in strijd met de waarheid zijn, zodat aan zijn bewijsaanbod ter zake niet wordt toegekomen (rov. 3.14-3.16);
- de notulen moeten zo begrepen worden dat [verzoeker] kennelijk (enige) zeggenschap had over de Korpodeko-gelden en dat de Korpodeko-gelden eind november 2010 door toedoen van [verzoeker] (nog) niet ten goede waren gekomen van DAE; [verzoeker] alternatieve lezingen van de notulen zijn niet plausibel (rov. 3.17-3.20);
- het is niet relevant hoe de Korpodeko-gelden in de macht van [verzoeker] zijn gekomen; uit de notulen kan immers worden afgeleid dat [verzoeker] kennelijk de beschikking, althans zeggenschap over de Korpodeko-gelden had en daarmee het in zijn macht had om die gelden beschikbaar te stellen aan DAE, dan wel aan DAE te onthouden (rov. 3.21);
- vast staat dat de gelden van Korpodeko op 13 september 2010 zijn ontvangen door DAE;
- [verzoeker] heeft verschillende stellingen ingenomen voor de onderbouwing van zijn stelling dat de Korpodeko-gelden nooit in zijn macht zijn geweest; uit een door [verzoeker] overgelegd overzicht valt echter niet af te leiden wat er met de Korpodeko-gelden is gebeurd tussen eind september 2010 en eind november 2010; de (andere) stellingen van [verzoeker] kan het hof niet volgen; [verzoeker] is er niet in geslaagd de uitleg van het hof van de notulen te weerleggen; op grond van al hetgeen in het voorgaande is overwogen gaat het hof voorbij aan [verzoeker] bewijsaanbod, omdat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld om daaraan toe te komen (rov. 3.22-3.24);
[verzoeker] heeft bij memorie na verwijzing nog twee andere matigingsgronden aangevoerd die het hof in zijn eindvonnis van 21 september 2021 nog niet heeft beoordeeld: i) de achtergrond van de verkoop van BPPM en daarmee de aandelen in DAE en ii) de rol van [betrokkene 4] ; deze gronden geven het hof geen aanleiding om tot verdere matiging over te gaan (rov. 3.25-3.27).
3.15
[verzoeker] heeft tijdig van het vonnis cassatieberoep ingesteld. Korpodeko heeft verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [verzoeker] heeft verweer gevoerd tegen het voorwaardelijk incidenteel beroep. [verzoeker] en Korpodeko hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten door hun advocaten, [verzoeker] mede door mr. L.A. Burwick en mr. D.V.W. Hakhoff. [verzoeker] heeft vervolgens gerepliceerd.

4.Bespreking van het principaal cassatieberoep

4.1
Het middel bestaat uit een inleiding gevolgd door zes onderdelen met klachten, die zijn verdeeld over subonderdelen.
Onderdeel 1bestrijdt het oordeel in rov. 3.10 dat [verzoeker] geen belang heeft bij zijn verweer dat Korpodeko in een te laat stadium in de procedure heeft gesteld dat [verzoeker] de Korpodeko-gelden in eigen zak heeft gestoken en aan DAE heeft onthouden.
Onderdeel 2bestrijdt met rechts- en motiveringsklachten het oordeel in rov. 3.13-3.16 dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld om aan zijn bewijsaanbod toe te komen dat de notulen van 26 november 2010 niet betrouwbaar zijn en in strijd met de waarheid zijn. Het onderdeel bestrijdt verder het oordeel in rov. 3.18-3.20 dat de twee alternatieve lezingen van [verzoeker] van de genoemde notulen geen van beide plausibel zijn, zodat het hof aan het bewijsaanbod ook op dat punt niet toekomt.
Onderdeel 3klaagt dat het hof in rov. 3.18-3.20 met zijn interpretatie van de notulen van 26 november 2010 buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
Onderdeel 4klaagt dat het oordeel in rov. 3.21 dat niet relevant is hoe de Korpodeko-gelden in de macht van [verzoeker] zijn gekomen, onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is.
Onderdeel 5richt rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel in rov. 3.22-3.24 dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld om toegelaten te worden tot het door hem aangeboden bewijs dat hij, kort gezegd, de Korpodeko-gelden niet in zijn eigen zak heeft gestoken, c.q. die gelden nooit in zijn macht zijn geweest en dat hij hierover evenmin de beschikking heeft gehad.
Onderdeel 6, tot slot, richt rechts- en motiveringsklachten tegen de afwijzing in rov. 3.26-3.27 van de overige door [verzoeker] aangevoerde matigingsgronden.
4.2
Ik merk op dat het incidenteel cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde dat
onderdeel 6geheel of gedeeltelijk slaagt, of buiten behandeling wordt gelaten.
Onderdeel 1 (tardiviteitsverweer)
4.3
Het eerste onderdeel is gericht tegen de afwijzing door het hof op grond van gebrek aan belang (in rov.3.10) van de stelling van [verzoeker] dat Korpodeko in een te laat stadium van de procedure - in strijd met de goede procesorde - heeft opgeworpen dat [verzoeker] nagenoeg het volledige bedrag van de lening van Korpodeko in eigen zak heeft gestoken en aan DAE heeft onthouden, waardoor [verzoeker] niet meer in staat was daartegen adequaat verweer te voeren.
4.4
Subonderdeel 1.1klaagt dat dit oordeel onvoldoende gemotiveerd is gelet op de stelling van [verzoeker] , in zijn schriftelijk pleidooi van 19 maart 2024, punt 3.6, dat het feit dat dit verwijt zo laat is gemaakt het voor hem extra moeilijk maakt om het negatieve feit te onderbouwen dat hij zich het geld van Korpodeko
nietheeft toegeëigend. Het subonderdeel klaagt verder dat het oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof heeft miskend dat geschaad worden in verweer- en bewijsmogelijkheden door het verstrijken van tijd een rechtens relevant belang oplevert in het kader van een beroep op strijd met de goede procesorde, althans dat zonder nadere motivering het oordeel onbegrijpelijk is dat [verzoeker] geen belang heeft bij dit verweer. Tot slot klaagt het subonderdeel dat het hof heeft miskend dat [verzoeker] belang bij dit verweer is gelegen in het feit dat gegrondbevinding ervan betekent dat Korpodeko’s stelling niet aan matiging in de weg kan staan.
4.5
Bij de bespreking van deze klachten stel ik voorop dat de uitleg van processtukken en stellingen, waaronder de strekking en reikwijdte ervan, feitelijk is en in cassatie slechts beperkt toetsbaar is, namelijk alleen op (de begrijpelijkheid van) de motivering. [12] De feitenrechter is bovendien niet gehouden in te gaan op terloops ingenomen, onvoldoende onderbouwde of tardief ingenomen stellingen. [13]
4.6
De bestreden rov. 3.10 staat onder het kopje ‘Vermeerdering van eis van Korpodeko niet meer aan de orde’. Het hof heeft daar [verzoeker] tardiviteitsverweer tegen de eisvermeerdering van Korpodeko afgedaan op gebrek aan belang, omdat die eisvermeerdering na verwijzing niet meer aan de orde is. Dat oordeel is goed te volgen. [verzoeker] heeft in zijn schriftelijk pleidooi uitvoerig betoogd dat de eisvermeerdering in strijd is met de goede procesorde van art. 109 lid 1 RvCura Proçao (art. 130 Rv Pro). [14] Terloops, en in de hiervoor geschetste context van zijn verweer tegen de eisvermeerdering, heeft [verzoeker] in zijn pleidooi gesteld: “
Bovendien: dat het verwijt zo laat wordt gemaakt, maakt het voor [verzoeker] extra moeilijk zijn verweer hiertegen te onderbouwen.” Uit die stelling, en de context van die stelling, mocht het hof afleiden dat die betrekking had op [verzoeker]
verweertegen de eisvermeerdering. Dat verweer kon het hof afdoen op gebrek aan belang, omdat die eisvermeerdering na verwijzing niet meer aan de orde was. Dat laatste wordt op zichzelf ook niet bestreden in cassatie.
4.7
Het gaat verder om een terloops door [verzoeker] ingenomen en niet nader onderbouwde stelling. Alleen daarom al hoefde het hof daar niet op in te gaan. Het subonderdeel maakt overigens ook niet duidelijk op welke manier [verzoeker] in zijn verweer zou zijn geschaad. Het blijft bij de blote stelling dat hij in zijn verweer is geschaad.
4.8
De rechtsklachten van het subonderdeel falen bij gebrek aan feitelijke grondslag omdat niet in het oordeel valt te lezen dat het hof e.e.a. heeft miskend.
4.9
De klachten van het subonderdeel falen.
4.1
Subonderdeel 1.2klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.10 dat in de memories na enquête het debat over de matiging is gevoerd, geen begrijpelijke verwerping is van [verzoeker] ’s beroep op schending van de goede procesorde. Dit oordeel doet er namelijk niet aan af dat het 'in-eigen-zak-steek-verwijt' alsnog in een dusdanig laat stadium van dit debat is aangevoerd (in het laatste processtuk) dat niet alleen [verzoeker] zich daarover niet meer heeft kunnen uitlaten, maar ook dat hij in zijn verweerpositie is geschaad. Dat [verzoeker] zich nu alsnog over dit verwijt mocht uitlaten, doet in ieder geval aan dit laatste gebrek niet af, aldus het subonderdeel.
4.11
Dit subonderdeel lijkt een herhaling van zetten van subonderdeel 1.1. Zoals daar uiteen is gezet, heeft het hof de enkele, niet nader onderbouwde stelling van [verzoeker] , opgevat als een verweer tegen de eisvermeerdering van Korpodeko. Die eisvermeerdering was echter niet meer aan de orde, zodat [verzoeker] geen belang had bij het voeren van verweer daartegen. Het hofoordeel is dus niet onbegrijpelijk. Ik verwijs verder kortheidshalve naar de bespreking van subonderdeel 1.1 in 4.5 e.v. hiervoor. De klacht faalt.
Onderdeel 2 (betrouwbaarheid notulen en alternatieve lezingen notulen)
4.12
Het tweede onderdeel bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 3.13 t/m 3.16 dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de notulen van de directievergadering van DAE van 26 november 2010, die Korpodeko heeft overgelegd, niet juist weergeven wat tijdens die vergadering is besproken en het oordeel in rov. 3.18 t/m 3.20 dat [verzoeker] alternatieve lezingen van deze notulen niet plausibel zijn.
4.13
Subonderdeel 2.1klaagt dat het hof met deze oordelen hetzij
(a)te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van [verzoeker] en heeft miskend dat de rechter een getuigenverhoor beveelt zo vaak een van de partijen het verzoekt en de te bewijzen aangeboden feiten betwist zijn en tot beslissing van de zaak kunnen leiden (art. 145 lid 1 Rv Pro-C), meer in het bijzonder dat van een partij die aanbiedt haar stellingen te bewijzen niet gevergd kan worden dat zij op voorhand haar stellingen aannemelijk maakt en de daartegen gerichte stellingen van de wederpartij ontzenuwt, hetzij
(b)zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd in het licht van de stellingen van [verzoeker] zoals vermeld in Procesinleiding, punt 2.0 en voetnoten 15-26. Onder (b) klaagt het subonderdeel bovendien dat voor zover het hof deze stellingen niet bij zijn oordeel heeft betrokken, het dat ten onrechte niet heeft gedaan omdat deze stellingen – indien juist – tot verwerping van het ‘in-eigen-zak-steek-verwijt’ hadden kunnen leiden en daarmee tot een ander oordeel over het beroep op matiging. Het valt niet in te zien wat van [verzoeker] in dit kader nog meer had kunnen worden gevergd, ook niet met betrekking tot de plausibiliteit van de mogelijke alternatieve interpretaties (die er in dit stadium slechts toe dienen [verzoeker] centrale stelling van onderbouwing te voorzien). Temeer niet gelet op (i) het gebrek aan onderbouwing van zowel Korpodeko’s initiële stelling dat [verzoeker] het geld in eigen zak heeft gestoken, als Korpodeko’s weerlegging van [verzoeker] verweer hiertegen; en (ii) het zeer late moment waarop dit verwijt in de procedure is opgebracht. Het hof had [verzoeker] stellingen niet mogen verwerpen zonder hem toe te laten tot het door hem aangeboden getuigenbewijs, aldus het subonderdeel.
4.14
Bij de bespreking van dit onderdeel stel ik het volgende voorop.
4.15
Op grond van vaste rechtspraak geldt met betrekking tot het bewijsaanbod in hoger beroep als uitgangspunt dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 Rv Pro in verbinding met art. 353 lid 1 Rv Pro, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Voor het recht van Curaçao geldt hetzelfde op grond van art. 145 lid 1 Rv Pro Curaçao [15] in verbinding met art. 280 lid 1 Rv Pro Curaçao. [16]
4.16
Het bewijsaanbod moet voldoende concreet en specifiek zijn (en dus niet te vaag). [17] De eis dat een bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend is, sluit aan op de stelplicht. [18] Bij de beoordeling of een bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend is, mag de rechter geen onredelijke of oneigenlijke eisen aan de stelplicht stellen. [19] Daarbij kan van belang zijn of onduidelijk is welke andere concrete feiten en omstandigheden hadden moeten worden aangevoerd om aan de stelplicht te voldoen en tot het aangeboden bewijs te worden toegelaten. Hierbij is ook van belang dat de beslissing om een partij tot het aangeboden bewijs van stellingen toe te laten niet mag afhangen van het antwoord op de vraag of die partij stellingen op voorhand aannemelijk heeft gemaakt en daartegen gerichte stellingen van de wederpartij heeft ontzenuwd. [20] Een onbegrijpelijk oordeel dat niet aan de stelplicht is voldaan, kan de verwerping van een bewijsaanbod niet dragen. [21]
4.17
Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. [22] De rechter mag echter niet het bewijsaanbod passeren op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, omdat hij daarmee ten onrechte zou vooruitlopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden. [23] Dat valt, anders gezegd, onder het ‘prognoseverbod’. [24]
4.18
Ik kom nu toe aan een bespreking van de klachten van het subonderdeel.
4.19
Het subonderdeel bestrijdt twee oordelen. Ik bespreek eerst het oordeel over de betrouwbaarheid van de notulen van de directievergadering van DAE van 26 november 2010 (rov. 3.13-3.16). Het hof heeft in rov. 3.14 geoordeeld dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de notulen van de vergadering van 26 november 2010 niet juist weergeven wat tijdens die vergadering van het managementteam van DAE is besproken en dat om die reden daaraan geen waarde kan worden toegekend. Dat oordeel heeft het hof gemotiveerd in rov. 3.14 en 3.15, waarna het in rov. 3.16 (opnieuw) heeft geoordeeld dat [verzoeker] op dit punt onvoldoende heeft gesteld en dat het daarom niet toekomt aan het bewijsaanbod op de punten a, b en c, waarmee het kennelijk heeft bedoeld het bewijsaanbod in [verzoeker] memorie na verwijzing van 12 december 2023, punt 5.1 onder a, b en c.
4.2
In rov. 3.14 is het hof ingegaan op de schriftelijke verklaring van [betrokkene 3] en heeft op basis daarvan geoordeeld dat [verzoeker] stelling – waarvan hij bewijs door het horen van [betrokkene 3] heeft aangeboden, zie memorie na verwijzing § 5.1 onder a – dat de notulen pas geruime tijd na de desbetreffende vergadering zijn opgemaakt naar aanleiding van handgeschreven aantekeningen van [betrokkene 3] , als onwaarschijnlijk beoordeeld (“
Uit de verklaring van [betrokkene 3] kan dat echter niet worden afgeleid” en “
Uit de verklaring van [betrokkene 3] kan echter niet of onvoldoende duidelijk worden afgeleid (…)”). [25] Het subonderdeel lijkt echter niet te klagen over het passeren van dit bewijsaanbod. [26]
4.21
[verzoeker] heeft echter meer gesteld dan dat de notulen pas geruime tijd na de vergadering zijn opgemaakt. [27] Zo heeft hij ook gesteld dat [betrokkene 3] de door de secretaresse uitgewerkte verslagen nooit heeft ingezien en hem nooit is gevraagd deze op juistheid te controleren (zie het bewijsaanbod in de memorie na verwijzing § 5.1 onder b). De centrale stelling van [verzoeker] is bovendien dat de notulen niet overeenstemmen met wat is besproken tijdens de desbetreffende vergadering (zie het bewijsaanbod in de memorie na verwijzing § 5.1 onder c). [28] Die stellingen heeft het hof kennelijk in rov. 3.14 en rov. 3.15 beoordeeld, omdat het in rov. 3.16 concludeert dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld en het daarom niet toekomt aan het bewijsaanbod van punten a, b en c. In rov. 3.14 en 3.15 heeft het hof deze stellingen blijkbaar als ‘niet waarschijnlijk’ beoordeeld, (opnieuw) op grond van een waardering van de overgelegde verklaring van [betrokkene 3] en op grond van de notulen zelf. Volgens het hof valt niet uit te sluiten dat details niet, of niet correct zijn vermeld in de notulen, maar “
is dat moeilijker vol te houden” naarmate een vermelding, zoals in dit geval, meer specifiek en meer gedetailleerd is. Het hof doelt hiermee kennelijk op de passage in de notulen waarin expliciet over de Korpodeko-gelden wordt gesproken (zie rov. 3.17 waarin het hof de betreffende passage citeert). Het hof heeft in rov. 3.15 geoordeeld dat [verzoeker] hierover nadere uitleg had moeten geven, maar dat niet heeft gedaan.
4.22
Weliswaar kunnen er soms hogere eisen worden gesteld aan de stelplicht als stellingen ongeloofwaardig, onaannemelijk of inconsistent zijn, [29] maar een zaak mag niet te gemakkelijk worden afgedaan op de stelplicht. Een behoorlijke rechtspleging brengt namelijk mee dat dit in beginsel slechts in uitzonderlijke gevallen mag worden gedaan, namelijk als de waarheidsvinding anders in het geding komt. [30] De rechter behoort open te staan voor een op het eerste gezicht ongeloofwaardige of onaannemelijke gang van zaken; de afdoening van een zaak op de stelplicht staat daarmee op gespannen voet, zeker in gevallen waarin een partij in feite weinig meer kan dan de stellingen die zij heeft geformuleerd, vergezeld te doen gaan van een aanbod om daarvan bewijs door getuigen te leveren. [31]
4.23
In dit geval lijkt me dat het hof
te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van [verzoeker], althans zijn oordeel op dat punt niet toereikend heeft gemotiveerd. [verzoeker] heeft nu juist gesteld dat de notulen niet betrouwbaar zijn (dat wil zeggen: niet overeenstemmen met wat er op die vergadering werkelijk is besproken). Dat dit ‘moeilijker’ valt volt te houden als de vermelding specifiek en gedetailleerd is, moge in zijn algemeenheid zo zijn, maar lijkt mij niet toereikend om die stelling te verwerpen. [verzoeker] houdt dit nu juist wél vol. Hij hoefde zijn stellingen niet aannemelijk te maken of daartegen gerichte stellingen van de wederpartij te ontzenuwen. Verder valt niet in te zien wat [verzoeker] dan nog meer hierover had moeten stellen. Bovendien heeft Korpodeko, voor zover ik dat kan nagaan, ook niet het verweer gevoerd dat de notulen op dit punt specifiek en gedetailleerd zijn en dus moeilijk valt vol te houden dat de notulen op dit punt niet in overeenstemming zijn met de waarheid, althans lees ik in de cassatiestukken van Korpodeko geen verwijzing naar een dergelijk verweer.
4.24
Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. Dat heeft het hof hier echter niet aan zijn oordeel ten grondslag gelegd. Bovendien geldt in hoger beroep ook het prognoseverbod en de regel dat van een partij die aanbiedt haar stellingen te bewijzen niet gevergd kan worden dat zij, wil zij tot dit bewijs worden toegelaten, op voorhand haar stellingen aannemelijk maakt en de daartegen gerichte stellingen van de wederpartij ontzenuwt. Het hof heeft dit mijns inziens miskend, althans zijn oordeel op dit punt ontoereikend gemotiveerd. Van belang hierbij is m.i. dat niet valt in te zien wat [verzoeker] op dit punt nog meer had moeten stellen om tot bewijs te worden toegelaten, terwijl de stellingen relevant zijn omdat zij tot verwerping van het verwijt dat [verzoeker] de gelden niet aan DAE heeft doen toekomen en daarmee tot een ander oordeel over het beroep op matiging hadden kunnen leiden (zo klaagt ook het subonderdeel onder b.). Voor zover de klachten van het subonderdeel gericht zijn tegen rov. 3.13-3.16 slaagt dus ofwel de klacht onder a. (het hof heeft te hoge eisen gesteld aan de stelplicht), ofwel de klacht onder b. (het hof heeft ontoereikend gemotiveerd haar oordeel dat [verzoeker] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan). Ik zie hierbij enige parallel met een andere, relatief recent gewezen arrest waarin de Hoge Raad ook een klacht liet slagen die was gericht tegen het oordeel dat eiseres tot cassatie niet had voldaan aan zijn stelplicht. [32]
4.25
Dat onzeker is wat een getuige nu nog kan verklaren over een vergadering die in 2010 heeft plaatsgevonden moge zo zijn, maar dat is een andere vraag en in elk geval geen reden om hogere eisen aan de stelplicht te stellen.
4.26
Het subonderdeel richt, tot slot, onder a. en b. ook klachten tegen het oordeel in rov. 3.18-3.20 dat [verzoeker] twee alternatieve lezingen van de notulen niet plausibel zijn en dat uit notulen blijkt dat, kort gezegd, [verzoeker] kennelijk (enige) zeggenschap over de Korpodeko-gelden had en die gelden eind november 2010 door toedoen van [verzoeker] (nog) niet ten goede waren gekomen aan DAE. Het hof heeft in de bestreden rechtsoverwegingen dus de notulen uitgelegd. Het hof heeft daar niet geoordeeld dat [verzoeker] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan [33] en heeft ook niet een bewijsaanbod van [verzoeker] op dit punt gepasseerd. De klachten onder a. en b., voor zover die zijn gericht tegen rov. 3.18-3.20, missen daarom feitelijke grondslag en in zoverre falen ze.
4.27
Subonderdeel 2.2klaagt dat het oordeel dat [verzoeker] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, althans dat het hof daarmee art. 24 Rv Pro heeft geschonden, omdat – kort gezegd – [verzoeker] met zijn in punt 2.0 van de procesinleiding samengevatte stellingen (met vindplaatsen in voetnoten 15-26) veel meer heeft aangevoerd dan alleen de in rov. 3.14 door het hof verworpen stelling dat de notulen onbetrouwbaar zouden zijn, omdat zij pas geruime tijd na de desbetreffende vergadering zouden zijn opgemaakt naar aanleiding van handgeschreven aantekeningen van [betrokkene 3] .
4.28
Dit subonderdeel klaagt over bewijsaanbod ‘a’. Dat bewijsaanbod heeft het hof gepasseerd in rov. 3.16 op de grond dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld, naast het feit dat het bewijsaanbod ‘b’ en bewijsaanbod ‘c’ op diezelfde grond heeft gepasseerd (en die hiervoor in subonderdeel 2.1 aan de orde waren). Het subonderdeel neemt mijns inziens ten onrechte tot uitgangspunt dat het hof heeft geoordeeld dat [verzoeker] – in het kader van zijn centrale stelling dat de notulen niet in overeenstemming zijn met de waarheid – niet meer heeft aangevoerd dan dat de notulen pas geruime tijd na de desbetreffende vergadering zouden zijn opgemaakt naar aanleiding van handgeschreven aantekeningen van [betrokkene 3] . Ik lees het vonnis namelijk zo dat het hof in rov. 3.15 – na een beoordeling in rov. 3.14 van de stelling dat de notulen pas geruime tijd na de desbetreffende vergadering zijn opgesteld – op die centrale stelling en andere stellingen van [verzoeker] is ingegaan. Weliswaar is dat summier en is dat oordeel van het hof niet goed te volgen, zodat de daartegen gerichte klachten in subonderdeel 2.1 slagen Het verwijt dat hof de stellingen van [verzoeker] te beperkt heeft gelezen, gaat echter niet op. De klachten van het subonderdeel missen zo bezien feitelijke grondslag, omdat ze allemaal gebaseerd zijn op de onjuiste lezing dat het hof alleen de door het subonderdeel genoemde stelling in [verzoeker] processtukken zou hebben gelezen. De klachten falen om die reden.
Onderdeel 3
4.29
Het derde onderdeel is gericht tegen rov. 3.18-3.20, waarin het hof heeft geoordeeld dat [verzoeker] alternatieve lezingen geen van beide een plausibele verklaring geven voor de passage in de notulen over de Korpodeko-gelden.
Subonderdeel 3.1klaagt dat het hof in rov. 3.18 t/m 3.20 buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden c.q. art. 24 Rv Pro heeft geschonden, door te oordelen dat de in rov. 3.17 geciteerde passage uit de notulen zo moet worden begrepen dat [verzoeker] kennelijk (enige) zeggenschap had over de Korpodeko-gelden en dat deze gelden op dat moment - eind november 2010 - door toedoen van [verzoeker] (nog) niet ten goede waren gekomen aan DAE. Korpodeko zou namelijk niet hebben aangevoerd dat uit de notulen zou volgen dat [verzoeker] (slechts enige vorm van) 'zeggenschap' had over de Korpodeko-gelden of dat [verzoeker] daarom geen beroep op matiging toekwam, maar uitsluitend dat [verzoeker] geen beroep op matiging toekwam specifiek omdat uit de notulen zou blijken dat [verzoeker] de Korpodeko-gelden in eigen zak heeft gestoken.
4.3
De klachten van het subonderdeel zien op de uitleg door het hof van de notulen (geciteerd door het hof in rov. 3.17) en van Korpodeko’s stellingen. De uitleg van processtukken en van stellingen van partijen is feitelijk en kan in cassatie slechts beperkt, namelijk alleen op begrijpelijkheid (van de motivering), worden getoetst. [34] Het hof heeft in de stellingen van Korpodeko gelezen dat zij (mede) als verweer tegen de matiging van de boete heeft aangevoerd dat [verzoeker] enige zeggenschap had over de Korpodeko-gelden en dat die gelden door toedoen van [verzoeker] eind november 2010 nog niet ten goede waren gekomen aan DAE. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Korpodeko heeft verschillende stellingen ingenomen waarin dat valt te lezen (de gelden zijn aan DAE onthouden, niet beschikbaar gesteld, [verzoeker] weigerde de gelden conform hun doel ter beschikking te stellen aan DAE, enz.), zowel vóór de tweede cassatieprocedure als na verwijzing. [35] [verzoeker] heeft tegen dat verwijt ook verweer gevoerd. [36] De klachten van het subonderdeel falen op grond van het voorgaande.
Onderdeel 4 (wijze waarop Korpodeko-gelden in macht [verzoeker] zijn gekomen)
4.31
Het vierde onderdeel richt klachten tegen rov. 3.21 van het bestreden vonnis, waarin het hof het volgende heeft overwogen:
“3.21 Uitgaande van die uitleg, die op grond van de tekst van de notulen en de omstandigheden van DAE op dat moment, zoals die uit de processtukken naar voren zijn gekomen, en alle andere omstandigheden van het geval het meest aannemelijk is, is niet relevant hoe de Korpodeko-gelden in de macht van [verzoeker] zijn gekomen. Zoals overwogen kan uit de notulen immers worden begrepen dat [verzoeker] kennelijk de beschikking had over de Korpodeko-gelden of in ieder geval daarover zeggenschap had en het (dus) in zijn macht had om die Korpodeko-gelden beschikbaar te stellen voor DAE dan wel aan DAE te onthouden.”
4.32
Subonderdeel 4.1klaagt dat indien een of meer van de klachten van onderdelen 2 en 3 tegen de uitleg van de notulen door het hof in rov. 3.18-3.20 slagen, het oordeel in rov. 3.21 evenmin in stand kan blijven omdat het op die uitleg voortbouwt.
4.33
Het hof is in zijn oordeel in rov. 3.21 uitgegaan van de notulen zoals weergegeven in rov. 3.17. [verzoeker] heeft aangevoerd dat de notulen niet betrouwbaar zijn, omdat zij niet weergeven wat op de desbetreffende vergadering is besproken. Het hof heeft zijn bewijsaanbod ter zake echter afgewezen, omdat [verzoeker] onvoldoende gesteld heeft (rov. 3.13-3.18). De tegen dat oordeel gerichte klachten van onderdeel 2 slagen (zie hiervoor, 4.23-4.25). Dat brengt met zich mee dat rov. 3.21 ook niet in stand kan blijven omdat het oordeel tot uitgangspunt neemt dat die notulen betrouwbaar zijn.
4.34
Indien de klachten van onderdeel 2 naar het oordeel van uw Raad niet slagen, dan slaagt deze voortbouwklacht uiteraard ook niet. Voor dat geval, en dus wat mij betreft ten overvloede, bespreek ik nu de overige subonderdelen van onderdeel 4.
4.35
Subonderdeel 4.2klaagt dat het oordeel in rov. 3.21 onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat het onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang. Het is ontoelaatbaar onduidelijk wat het hof heeft bedoeld met zijn overweging dat de tot uitgangspunt genomen uitleg van de notulen "
het meest aannemelijk" is op grond van "
de omstandigheden van DAE op dat moment" en "
alle andere omstandigheden van het geval". Het subonderdeel veronderstelt dat het hof met de omstandigheden van DAE de penibele financiële situatie van DAE heeft bedoeld, maar dat dit het oordeel niet inzichtelijk maakt. Het subonderdeel beroept zich verder op [verzoeker] stelling (die in beginsel juist ‘de andere kant op wijst’) dat die penibele financiële situatie van DAE er juist toe leidt dat de Korpodeko-gelden onmiddellijk na ontvangst al zijn opgemaakt aan (voornamelijk) reeds bestaande schulden. Het subonderdeel klaagt tot slot dat het voorgaande ook geldt voor de vermelding van “
alle andere omstandigheden van het geval”. Het is geheel ongemotiveerd en daarmee onnavolgbaar wat het hof hiermee heeft bedoeld, aldus het middel.
4.36
Ik lees rov. 3.21 als volgt. Met “
de omstandigheden van DAE op dat moment” heeft het hof kennelijk gedoeld op de penibele financiële situatie van DAE ten tijde van de meer genoemde vergadering van 26 november 2010. Beide partijen gaan daar ook van uit. [37] Het hof heeft (mede) daaruit in rov. 3.21 afgeleid dat zijn uitleg van de notulen het meest aannemelijk is (en het dan vervolgens niet relevant is
hoede Korpodeko-gelden in de macht van [verzoeker] zijn gekomen). Blijkbaar heeft het hof geoordeeld dat zijn uitleg van de notulen dat [verzoeker] de Korpodeko-gelden aan DAE heeft onthouden, het meest aannemelijk is mede op grond van de penibele financiële situatie van DAE. Dat oordeel vind ik goed te volgen. Op zichzelf kan niet uit de financiële situatie van DAE worden afgeleid dat [verzoeker] de Korpodeko-gelden heeft onthouden aan DAE, maar die financiële situatie kan wel een aanwijzing vormen dat die gelden zijn onthouden, althans die situatie verhoudt zich goed met die uitleg.
4.37
Wat het hof verder heeft bedoeld met ‘alle andere omstandigheden van het geval’ is niet duidelijk. Volgens Korpodeko heeft die overweging verder geen zelfstandige betekenis. [38] Dat lijkt mij ook. Ook zonder die motivering is het oordeel namelijk goed te volgen, zodat [verzoeker] geen belang heeft bij zijn klacht.
4.38
Subonderdeel 4.3klaagt dat het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat niet zou kunnen worden verklaard of vastgesteld hoe de Korpodeko-gelden in de macht van [verzoeker] zijn gekomen of hoe hij hierover zeggenschap heeft kunnen uitoefenen, steun biedt voor [verzoeker] stellingen dat hij het geld niet in eigen zak heeft gestoken. Het hof heeft miskend dat het feit dat het in een eigen interpretatie van de notulen een aanwijzing in andere richting ziet, niet afdoet aan de relevantie van het hoe, aldus het subonderdeel.
4.39
Ik zie niet in dat het hof e.e.a. heeft miskend. Het hof heeft de stellingen van [verzoeker] die het subonderdeel aanvoert kennelijk verworpen. Die verwerping ligt besloten in het oordeel dat uit de notulen blijkt dát [verzoeker] over de Korpodeko-gelden de beschikking, althans zeggenschap had en het (dus) in zijn macht had om die gelden aan DAE beschikbaar te stellen, dan wel aan DAE te onthouden. Ook als niet duidelijk is op welke wijze een bepaalde feitelijke situatie is ontstaan, kan nog wel vaststaan dát iets het geval is. Daarop stuiten de klachten af.
Onderdeel 5 (beschikking [verzoeker] over Korpodeko-gelden)
4.4
Onderdeel 5 is gericht tegen rov. 3.22-3.24. In die overwegingen heeft het hof geoordeeld dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld om toegelaten te worden tot het door hem aangeboden bewijs (bij bewijsaanbod 'd'- 'g') [39] dat – kort gezegd – hij de Korpodeko-gelden niet 'in eigen zak heeft gestoken', c.q. die gelden nooit in zijn macht zijn geweest en dat hij hierover evenmin de beschikking heeft gehad. Het hof heeft aan dit oordeel, voor zover relevant, het volgende ten grondslag gelegd (zie rov. 3.23):
a. De ingebrachte grootboekkaarten reiken niet verder dan eind september 2010. Wat is gebeurd met de Korpodeko-gelden tussen eind september 2010 en eind november 2010, toen DAE om een extra financiële injectie vroeg, kan uit het door [betrokkene 3] opgestelde overzicht niet worden afgeleid.
b. Uit het overzicht van [betrokkene 3] kan niet meer worden afgeleid dan dat DAE toen zij de Korpodeko-gelden ontving (veel) betalingen heeft gedaan. Of de Korpodeko-gelden de bron vormden waaruit de betalingen zijn gedaan, volgt uit dat overzicht niet.
c. Dat het water DAE aan de lippen stond is aannemelijk, maar daaruit volgt niet dat [verzoeker] de Korpodeko-gelden niet aan DAE kon onthouden, maar eerder dat dit in de betreffende periode onderwerp van gesprek was tussen [verzoeker] en DAE en maakte dat DAE juist (extra) financiële middelen nodig had.
d. Dat [verzoeker] niet kon beschikken over gelden of rekeningen van DAE laat onverlet dat, zoals aannemelijk is, [verzoeker] als financier wel (enige) zeggenschap had over de (besteding van de) gelden en het dus in zijn macht had om de gelden aan DAE te onthouden.
4.41
Subonderdeel 5.1klaagt dat het hof met voorgaande overwegingen de grenzen van de rechtsstrijd heeft miskend, althans zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd. Korpodeko heeft hetgeen het hof sub a-d heeft overwogen namelijk niet gesteld, zodat het hof dit niet aan zijn oordeel ten grondslag mocht leggen. Door dat toch te doen heeft het hof art. 24 Rv Pro geschonden, alsmede het beginsel van hoor en wederhoor omdat [verzoeker] zich hierover niet heeft kunnen uitlaten. Het subonderdeel klaagt dat het hof [verzoeker] stellingen als niet (voldoende) betwist en daarmee als vaststaand had moeten aannemen, omdat Korpodeko deze stellingen niet heeft weersproken (art. 128 lid 1 RvC Pro). Tot slot klaagt het subonderdeel dat voor zover het hof hetgeen het in sub a-d heeft overwogen wél in de stellingen van Korpodeko heeft gelezen, het een onbegrijpelijke uitleg daaraan heeft gegeven.
4.42
Art. 24 lid 1 Rv Pro bepaalt dat de rechter niet de feitelijke grondslag (de rechtsfeiten), die partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag hebben gelegd, mag aanvullen. [40] Deze regel geldt ook in hoger beroep. [41] Het staat de rechter dus niet vrij zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die niet aan een vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd; hierdoor zou de wederpartij namelijk tekort worden gedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen. [42] De rechter mag echter wel aan stukken die een partij ter ondersteuning van haar stellingen heeft overgelegd, respectievelijk aan door een partij gestelde en door de wederpartij niet betwiste omstandigheden, zodanige gevolgtrekkingen verbinden als hij juist acht, ook ten nadele van de partij die het stuk heeft overgelegd, respectievelijk die omstandigheden heeft gesteld. [43] De rechter mag anders gezegd ter staving van zijn (bewijs)oordeel ter zake van aangevoerde stellingen of verweren en in dat verband gestelde rechtsfeiten, acht slaan op in het geding gebleken feiten en omstandigheden, ook al is daarop niet uitdrukkelijk een beroep gedaan. [44] De rechter maakt zich dan in beginsel niet schuldig aan het ongeoorloofd aanvullen van feiten. [45] Het staven van de feiten of van de feitelijke grondslag is dus toegestaan, namelijk (andere) gebleken feiten gebruiken om de conclusie te onderbouwen dat een bepaald gesteld feit bewezen is of gestelde feitelijke grond als juist kan worden aangenomen. Het aanvullen van de feitelijke grondslag is echter verboden (in art. 24 lid 1 Rv Pro). [46]
4.43
Het hof heeft in rov. 3.24 het bewijsaanbod ter zake van [verzoeker] stelling dat hij de Korpodeko-gelden nooit in zijn macht heeft gehad, en de stellingen die hij ter onderbouwing daarvan heeft ingenomen en die het hof in rov. 3.22 heeft opgesomd, gepasseerd op de grond dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld. Het hof is daarom niet toegekomen aan de bewijsfase. Het subonderdeel klaagt in essentie dat het hof niet sub a t/m d aan zijn oordeel ten grondslag mocht leggen, en doelt dus op de grenzen van de rechtsstrijd in de zin van ‘datgene
op basis waarvande rechter heeft te beslissen’: de afbakening van de feiten en stellingen die onderdeel zijn gemaakt van de procedure (dus conform art. 149 lid 1 Rv Pro c.q. art. 24 lid 1 Rv Pro ter kennis van de rechter zijn gekomen) en waar de rechter zijn beslissing op mag baseren. [47] Onderdeel van de rechtsstrijd na herziening was nu juist de vraag of [verzoeker] de Korpodeko-gelden in eigen zak heeft gestoken, c.q. die gelden aan DAE heeft onthouden. Daarvan maakte ook onderdeel [verzoeker] stellingen dat de Korpodeko-gelden nooit in zijn macht zijn geweest. In het kader van die rechtsstrijd mocht het hof zelf gevolgtrekkingen verbinden aan door [verzoeker] overgelegde stukken, zoals het overzicht van [betrokkene 3] . De rechter mag immers acht slaan op in het geding gebleken feiten en omstandigheden, ook al is daar geen uitdrukkelijk beroep op gedaan. Mij lijkt dat, als dat is toegestaan in de bewijsfase,
a fortioriook te mogen in de stelplichtfase. Dat is geen verboden aanvulling van de feitelijke grondslag, maar een toegestane staving van de feiten. Het hof heeft art. 24 Rv Pro noch de grenzen van de rechtsstrijd miskend en evenmin het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.
4.44
Het hof heeft ook niet art. 128 lid 1 Rv Pro Curaçao geschonden. Dat artikel bepaalt, evenals art. 149 lid 1 Rv Pro, dat feiten die zijn gesteld en die niet of onvoldoende zijn betwist, door de rechter als vaststaand moeten worden beschouwd. [48] Voordat dat echter beoordeeld kan worden, dient de rechter te beoordelen of een partij voldoende heeft gesteld om het door hem gewenste rechtsgevolg, in dit geval matiging van de contractuele boete, te doen intreden. [49] Het hof is al in die fase blijven ‘steken’ in zijn beoordeling. Het hof is daarmee niet toegekomen aan de beoordeling of [verzoeker] stellingen (voldoende) betwist waren dan wel als vaststaand hadden moeten worden beschouwd. Zowel de klacht dat het hof art. 128 lid 1 Rv Pro Curaçao heeft miskend als de motiveringsklacht die uitgaat van de lezing dat het hof een betwisting in de stellingen van Korpodeko heeft gelezen, missen dus feitelijke grondslag.
4.45
Subonderdeel 5.2klaagt dat het hof in rov. 3.23 te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van [verzoeker] , althans zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd. [verzoeker] heeft gesteld dat, kort gezegd, de Korpodeko-gelden nooit in zijn macht (kunnen) zijn geweest, en heeft die stelling zoveel mogelijk onderbouwd door (met bescheiden en een schriftelijke getuigenverklaring onderbouwd) aan te voeren wat in het subonderdeel achter (i) t/m (iv) is vermeld. [verzoeker] heeft bovendien aangeboden deze stellingen te bewijzen door middel van het horen van [betrokkene 3] . Door niettemin te oordelen dat [verzoeker] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, heeft het hof miskend dat van een partij die bewijs aanbiedt van haar stellingen niet kan worden gevergd dat zij die stellingen op voorhand aannemelijk maakt. Niet valt in te zien wat van [verzoeker] nog meer had kunnen worden gevraagd. Dit geldt te meer gelet op (i) het gebrek aan uitwerking/onderbouwing van zowel Korpodeko’s stelling dat [verzoeker] het geld in eigen zak zou hebben gestoken als van Korpodeko’s weerlegging van [verzoeker] verweer hiertegen en (ii) het zeer late moment waarop dit verwijt in de procedure is gemaakt.
4.46
De klachten van dit subonderdeel
slagen. In rov. 3.24 heeft het hof [verzoeker] bewijsaanbod inzake de punten d, e, f en g gepasseerd. Daarmee heeft het hof klaarblijkelijk gedoeld op [verzoeker] bewijsaanbod bij memorie na verwijzing, punt 5.1 sub d t/m g. Dat bewijsaanbod zag, kort gezegd, op de stelling dat [verzoeker] niet de macht/beschikking had over de Korpodeko-gelden en verschillende onderbouwende stellingen. Dat bewijsaanbod van [verzoeker] was dus relevant en specifiek, althans het hof heeft het bewijsaanbod niet op die gronden gepasseerd, maar op de grond dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld. [50] Het valt echter, zoals het subonderdeel klaagt, niet in te zien wat [verzoeker] nog meer had moeten stellen. De motivering van dit oordeel in rov. 3.23 acht ik ontoereikend. Daaruit blijkt dat het hof [verzoeker] stellingen op dit punt onaannemelijk vindt in het licht van een door [verzoeker] overgelegd uitgavenoverzicht en andere feiten en omstandigheden, maar dat is een beoordeling van de waarschijnlijkheid van de stellingen. Het hof heeft daarmee miskend dat een partij die getuigenbewijs aandraagt van zijn stellingen niet gevergd kan worden dat hij die stellingen op voorhand aannemelijk maakt. [51] Indien het hof dit niet heeft miskend, dan heeft het zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd in het licht van de vaststelling van het hof dat de Korpodeko-gelden op 13 september 2010 zijn ontvangen door DAE (rov. 3.22) en [verzoeker] specifieke en relevante stellingen dat hij (vervolgens) nooit de macht/beschikking heeft gehad over die gelden. Daarbij is van belang dat de betwisting van Korpodeko op dit punt, zoals het subonderdeel ook aanvoert, mager is. Korpodeko heeft enkel aangevoerd dat [verzoeker] de Korpodeko-gelden aan DAE heeft onthouden, althans Korpodeko verwijst in cassatie alleen naar vindplaatsen in de processtukken waar zij die (algemene) stelling heeft ingenomen. [52] De klachten
slagendus.
4.47
Subonderdeel 5.3klaagt dat de in 4.40 weergegeven overwegingen a. t/m d. en de daarop gebaseerde conclusie dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld om te worden toegelaten tot het door hem aangeboden bewijs (bij bewijsaanbod 'd'-'g') temeer, althans in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn, omdat het hof daarmee onvoldoende (kenbaar) heeft gerespondeerd op [verzoeker] betoog dat verkort is weergegeven in subonderdeel 5.2 sub (i)-(iv). Volgens het subonderdeel gaat het hof niet daadwerkelijk in op de door [verzoeker] met deze stellingen gemaakte punten dat (i) DAE destijds geen geld meer had; de Korpodeko-gelden, zoals door het hof is vastgesteld (rov. 3.22), daadwerkelijk door DAE zijn ontvangen; de Korpodeko-gelden direct na de ontvangst daarvan door DAE noodgedwongen zijn uitgegeven ten behoeve van de voldoening van (voornamelijk) oude/achterstallige schulden ten behoeve van de onderneming van DAE, (ii) aan [verzoeker] bovendien na de ontvangst van de Korpodeko-gelden geen (indirecte) betalingen zijn gedaan, (iii) er gelet op (i) en (ii) ook helemaal geen geld was bij DAE voor [verzoeker] om in eigen zak te steken en (iv) [verzoeker] dit ook niet kón nu hij geen toegang had tot de rekeningen van DAE/gelden.
4.48
Deze klachten
slagen. [verzoeker] stelling is kort gezegd dat hij de Korpodeko-gelden niet in zijn macht had, althans niet heeft onthouden aan DAE. In het licht van het vaststaande feit dat deze gelden daadwerkelijk door DAE zijn ontvangen in september 2010 en [verzoeker] stellingen die erop neerkomen dat [verzoeker] daar (vervolgens) om verschillende redenen op geen enkele wijze over kon beschikken, is niet goed te volgen dat hij onvoldoende zou hebben gesteld. Daarbij is het volgende van belang. Het hof heeft ter zake van dit punt (de beschikkingsmacht van [verzoeker] over de Korpodeko-gelden) zijn oordeel gebaseerd op de notulen. Daarvan heeft [verzoeker] echter gesteld dat ze niet in overeenstemming zijn met de waarheid. Het hof heeft die stelling en het bewijsaanbod ter zake weliswaar gepasseerd, maar daarover wordt naar mijn mening terecht geklaagd in onderdeel 2.
Onderdeel 6 (overige matigingsgronden)
4.49
Onderdeel 6 is gericht tegen het oordeel in rov. 3.26-3.27 dat de overige door [verzoeker] aangevoerde gronden geen aanleiding geven de door [verzoeker] in de verwijzingsprocedure beoogde matiging toe te wijzen.
4.5
Subonderdeel 6.1klaagt dat het hof een onjuiste maatstaaf heeft aangelegd in rov. 3.26 en rov. 3.27. Het hof heeft miskend dat voor een beroep op matiging van een contractuele boete die is opgelegd wegens schending van een beding, de omstandigheid dát dat beding is geschonden niet aan matiging in de weg kan staan. Het gaat er slechts om of het opleggen van de boete in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, waarbij de rechter moet letten op (i) de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, (ii) de aard van de overeenkomst, (iii) de inhoud en de strekking van het beding en (iv) de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (zie ook rov. 3.7). Het is voor het beroep op matiging dus irrelevant, anders dan het hof in rov. 3.26 en 3.27 heeft overwogen, dat [verzoeker] beweegredenen om te verkopen onverlet laten dat [verzoeker] daarvoor geen toestemming heeft gevraagd aan Korpodeko. [verzoeker] betoog houdt in dat er
andereomstandigheden zijn die matiging rechtvaardigen. In ieder geval is dus onjuist, althans onbegrijpelijk dat het hof in zijn beoordeling van het beroep op matiging bepalend heeft geacht dat de door [verzoeker] aangevoerd feiten en omstandigheden onverlet laten dat hij ( [verzoeker] ) destijds geen toestemming heeft gevraagd voor de verkoop. Het subonderdeel klaagt tot slot dat voor zover het hof de door [verzoeker] aangevoerde matigingsfactoren zo heeft uitgelegd dat die er volgens [verzoeker] (alleen) toe leiden dat hij artikel 5 Achterstellingsovereenkomst niet heeft geschonden, dat een onbegrijpelijke uitleg van [verzoeker] stellingen is.
4.51
De klachten falen. Het hof heeft in rov. 3.7 de maatstaf voor matiging van een contractuele boete voorop gezet. Daar wordt in cassatiegeen klacht tegen gericht. In rov. 3.26 en 3.27 heeft het hof die maatstaf ook toegepast en niet miskend. Het hof heeft in rov. 3.26 overwogen dat de door [verzoeker] geschetste achtergrond van de verkoop zijn tekortkoming (schending van art. 5 Achterstellingsovereenkomst) niet minder verwijtbaar maakt en het hof geen aanleiding tot verdere matiging geeft. Anders dan het subonderdeel klaagt, heeft het hof dus niet op grond van de omstandigheid dat [verzoeker] de overeenkomst heeft geschonden de contractuele boete niet verder gematigd.
4.52
Ook in rov. 3.27 heeft het hof de maatstaf niet miskend. Het hof heeft daar immers geoordeeld dat de ‘
opstelling en rol van [betrokkene 4]geen aanleiding geeft tot verdere matiging van de boete. Daaruit blijkt dus dat het hof niet het feit dát [verzoeker] de Achterstellingsovereenkomst heeft geschonden heeft meegewogen bij de beoordeling van de matiging, maar de opstelling en de rol van [betrokkene 4] , die destijds (2010) de directeur van Korpodeko was. [53] Het hof heeft, tot slot, evenmin de door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden voor matiging zo uitgelegd dat die er volgens [verzoeker] alleen toe leiden dat hij de Achterstellingsovereenkomst heeft geschonden. De klachten missen kortom feitelijke grondslag.
4.53
Subonderdeel 6.2klaagt dat het oordeel in rov. 3.27 ook onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, nu het hof niet (kenbaar) heeft meegewogen de gedragingen van [betrokkene 4] rond
en nade aandelenoverdracht. [54] Het hof is in het bijzonder niet voldoende (kenbaar) ingegaan op stellingen die er op neerkomen dat er – hoewel geen expliciete toestemming – op zijn minst impliciete toestemming voor de overdracht is gegeven, hetgeen zonder meer een relevante omstandigheid is in het kader van het beroep op matiging en door het hof in zijn oordeelsvorming (kenbaar) had moeten worden meegewogen. Voor zover het hof deze omstandigheid niet heeft meegewogen, getuigt zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, aldus het subonderdeel.
4.54
Voordat ik de klachten bespreek, wijs ik op het volgende. [verzoeker] heeft na verwijzing (opnieuw) betoogd [55] dat [betrokkene 4] ’s rol bij de aandelenverkoop maakt dat de boete moet worden gematigd. Volgens [verzoeker] was namelijk sprake van impliciete toestemming van [betrokkene 4] omdat hij vooraf wist van de voorgenomen verkoop en achteraf, dus ná de verkoop, daartegen geen bezwaren heeft geuit. Weliswaar was er volgens [verzoeker] geen expliciete toestemming van Korpodeko (zoals vereist door art. 5 Achterstellingsovereenkomst), maar wel impliciete toestemming, zodat de schending van art. 5 Achterstellingsovereenkomst marginaal was en er dus aanleiding bestond voor (verdere) matiging van de boete.
4.55
Mijns inziens treffen deze klachten geen doel. Ik merk eerst op dat volgens art. 5 Achterstellingsovereenkomst schriftelijke (wat [verzoeker] noemt: ‘expliciete’) toestemming
van Korpodekowas vereist voor handelingen die, kort gezegd, het tenietgaan van de vordering op DAE ten gevolg hebben (zie hiervoor 2.3 voor deze bepaling). Kennelijk heeft het hof [verzoeker] stelling dat [betrokkene 4] (achteraf) impliciet met de verkoop en overdracht van de aandelen heeft ingestemd in rov. 3.27 verworpen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk in het licht van het citaat in rov. 3.27 waaruit blijkt dat [betrokkene 4]
explicietheeft aangegeven dat [verzoeker] voor de verkoop
toestemming nodig heeftvan Korpodeko. In dat licht is goed te volgen dat het hof stellingen heeft verworpen die inhouden dat [betrokkene 4] (na de verkoop en aandelenoverdracht) louter stilzwijgend heeft ingestemd. Er was volgens het hof kortom geen toestemming en dat was dus ook geen omstandigheid die het hof diende mee te wegen bij de beoordeling van de matiging. [56] De klachten stuiten op het voorgaande af.
Slotsom
4.56
Het principaal beroep van [verzoeker] slaagt, namelijk subonderdeel 2.1 (zie 4.23-4.25) en subonderdelen 5.2 en 5.3 (zie 4.46 en 4.48). Ik concludeer daarom tot vernietiging en terugwijzing naar het hof. [verzoeker] heeft opgemerkt dat hij geen vertrouwen meer heeft in het hof en dat de HR de zaak zelf moet afdoen. [57] Nu er nog een feitelijke beoordeling moet plaatsvinden, lijkt zelf afdoen mij niet mogelijk. Er is in dit geval ook geen ander hof waarnaar de zaak kan worden verwezen.

5.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep

5.1
Korpodeko heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De voorwaarde luidt dat onderdeel 6 van het middel in het principaal cassatieberoep (geheel of gedeeltelijk) gegrond wordt bevonden of buiten behandeling wordt gelaten. Die voorwaarde is niet vervuld, omdat de klachten van onderdeel 6 van het principale beroep m.i. niet slagen (zie zojuist 4.54 en 4.55), zodat aan het incidentele beroep niet wordt toegekomen. Ik maak hierna desondanks nog enkele opmerkingen over het incidentele cassatieberoep.
5.2
Het incidentele middel bevat een inleiding en twee onderdelen, waarin klachten worden gericht tegen rov. 3.12 en rov. 3.25 t/m 3.27.
5.3
In de inleiding voert Korpodeko aan dat de hof in rov. 3.25 (onder verwijzing naar rov. 3.12) heeft overwogen dat [verzoeker] na verwijzing nog twee omstandigheden heeft aangevoerd die het hof in het eindvonnis van 21 september 2021 nog niet heeft beoordeeld en die volgens [verzoeker] tot verdere matiging moeten leiden:
(i) de achtergrond van de verkoop van BBPM en daarmee de aandelen in DAE; en
(ii) de rol van [betrokkene 4] .
Het hof heeft, op zichzelf terecht volgens het incidentele middel, op grond van een inhoudelijke beoordeling deze twee matigingsgronden in rov. 3.26-3.27 afgewezen. Korpodeko heeft echter ook formele verweren aangevoerd tegen [verzoeker] beroep op bedoelde twee matigingsgronden, namelijk dat de genoemde omstandigheden: [58]
a. ook al vóór cassatie door [verzoeker] zijn opgevoerd en door het hof zijn meegewogen en beoordeeld;
b. in ieder geval geen onderdeel waren van (de laatste) cassatie (tegen het eindvonnis), laat staan van de vernietiging en terugwijzing (in het arrest van 2 juni 2023);
c. geen onderdeel van de rechtsstrijd zijn die na terugwijzing nog speelt; en
d. tardief zijn.
5.4
Onderdeel 1klaagt dat het oordeel van het hof (kennelijk in rov. 3.25, A-G) dat het de twee bedoelde omstandigheden in het eindvonnis van 21 september 2021 nog niet heeft beoordeeld (meegewogen), onbegrijpelijk is. Het eindvonnis van 21 september 2021 laat immers geen andere lezing toe dan dat het hof de twee genoemde omstandigheden al wel – in ieder geval deels – heeft beoordeeld in het kader van [verzoeker] beroep op matiging, aldus het onderdeel.
5.5
Het gaat hier om uitleg van een rechterlijke uitspraak door de feitenrechter. Die uitleg kan in cassatie slechts worden getoetst op de (begrijpelijkheid van de) motivering. [59]
5.6
Het oordeel van het hof in rov. 3.25 is niet onbegrijpelijk. In rov. 2.21 van het eindvonnis van 21 september 2021 heeft het hof de schade beoordeeld die Korpodeko door [verzoeker] schending van de Achterstellingsovereenkomst heeft geleden, en in rov. 2.23 heeft het hof geoordeeld dat de beoordeling van de matiging van de boete ‘zeer sterk gekleurd’ wordt door het oordeel in rov. 2.7 dat [verzoeker] de Korpodeko-gelden (die voor DAE bestemd waren) in eigen zak heeft gestoken, althans nagenoeg volledig aan DAE heeft onthouden.
5.7
De
omstandigheid (i)zou volgens het onderdeel al in rov. 2.23, tweede en derde volzin, door het hof zijn meegewogen. Ik volg Korpodeko daarin niet. Zelfs als daarin valt te lezen wat het middel erin leest, dan blijft staan dat het hof in rov. 3.23 over die omstandigheid geen eindbeslissing heeft gegeven, althans in ieder geval niet als zelfstandige factor voor matiging van de boete. [60] Het hof heeft daar namelijk alleen twijfels geuit over de vraag of de aandelenoverdracht in het belang van DAE was, om vervolgens te concluderen dat er (hoe dan ook) geen enkele rechtvaardiging was om de gelden die voor DAE bestemd waren achter te houden. Het hof heeft aldus in het midden gelaten of omstandigheid (i) tot matiging moet leiden. Voor de in 5.3 genoemde
omstandigheid (ii)geldt hetzelfde: het hof heeft die omstandigheid in het eindvonnis, in rov. 2.21, voor zover al meegewogen, niet als zelfstandige matigingsfactor beoordeeld. [61] Het hof heeft zo bezien kunnen oordelen dat het de twee in rov. 3.25 bedoelde omstandigheden in het eindvonnis van 21 september 2021 nog niet als
zelfstandigematigingsfactoren heeft beoordeeld. Daarop stuiten de klachten van het onderdeel af.
5.8
Onderdeel 2klaagt dat indien en voor zover rov. 3.25-3.27 (jo. 3.12) zo moeten worden gelezen dat (daarin besloten ligt dat) het hof (een of meer van) de in 5.4 achter (b)-(d) genoemde argumenten heeft verworpen, dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en/of niet naar behoren is gemotiveerd. [verzoeker] cassatieberoep tegen het eindvonnis van 21 september 2021 richtte zich, voor wat betreft de beoordeling door het hof van het beroep op matiging, uitsluitend tegen het door het hof in rov. 2.5-2.8 en rov. 2.23-2.24 van het eindvonnis aan [verzoeker] gemaakte 'in-eigen-zak-steek-verwijt' als grond om niet verder te matigen dan tot het bedrag van NAf 6.911.820,--. Het cassatiemiddel bevatte niet de klacht dat het hof de twee hiervoor bedoelde omstandigheden ten onrechte in het eindvonnis niet (voldoende) had beoordeeld in het kader van de behandeling van het beroep op matiging (in rov. 2.18-2.25 eindvonnis) en evenmin de klacht dat het onbegrijpelijk en/of rechtens onjuist was dat die omstandigheden niet tot (nog) verdere matiging hadden geleid. Het hof was na cassatie en verwijzing (terugwijzing) dus gebonden aan de oordelen in het eindvonnis van 21 september 2021 die in cassatie niet (of tevergeefs) waren bestreden. Door de genoemde twee omstandigheden (andere aangevoerde gronden voor verdere matiging) alsnog (of opnieuw) inhoudelijk te beoordelen, is het hof getreden buiten de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing. In ieder geval is het oordeel van het hof niet naar behoren gemotiveerd, omdat het hof niet kenbaar is ingegaan op (een of meer van) de onder (b)-(d) genoemde argumenten, aldus het onderdeel.
5.9
Het onderdeel ziet op de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie. Voor de Caribische procedure na verwijzing kunnen de Nederlandse regels als uitgangspunt dienen, voor zover de aard van de procedure niet tot afwijking noopt. [62] Art. 424 Rv Pro bepaalt dat de rechter, naar wie het geding is verwezen, de behandeling daarvan voortzet en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. De verwijzingsrechter is daarbij (a) gebonden aan beslissingen in de bestreden hofuitspraak die niet of tevergeefs in cassatie zijn bestreden en hij moet (b) de zaak behandelen in de stand waarin die zich bevond. [63] De rechter na verwijzing zal tegen die achtergrond moeten beslissen over stellingen, verweren, grieven, bewijsaanbiedingen en dergelijke waaraan de rechter in de instantie vóór cassatie niet was toegekomen, als de reden om daarop niet te beslissen door de uitspraak van de Hoge Raad is weggevallen. [64] Anders gezegd, de verwijzingsrechter zal allerlei geschilpunten die weliswaar door partijen in de stukken van de voorafgaande instanties aan de orde waren gesteld, maar waaraan niet is toegekomen omdat ze niet van belang waren voor de uitkomst in die uitspraak, na cassatie en verwijzing, indien nodig ook hebben te behandelen en te beslissen. [65]
5.1
Het hof heeft de achter (b)-(d) genoemde argumenten inderdaad beoordeeld en verworpen, Anders dan het onderdeel klaagt, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en het is bovendien goed te volgen. Anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt, had het hof in het eindvonnis van 21 september 2021 namelijk nog niet geoordeeld over bedoelde twee omstandigheden. Deze twee omstandigheden waren dus nog niet behandeld, maar na verwijzing moest het hof alsnog deze omstandigheden beoordelen. Zij werden door het verwijzingsarrest van de Hoge Raad weer relevant, omdat de reden om ze niet te behandelen daarmee was weggevallen. Het hof was in zijn eindvonnis van 21 september 2021 namelijk niet aan deze omstandigheden toegekomen, omdat het hof in dat vonnis ‘een duidelijke grens’ aan de matiging had getrokken op grond van het verwijt dat [verzoeker] de Korpodeko-gelden in eigen zak had gestoken, althans had onthouden aan DAE (rov. 3.23-3.24 jo. 3.7-3.8). Die oordelen zijn vernietigd in het verwijzingsarrest, wat tot gevolg heeft dat de genoemde omstandigheden ook weer relevant werden. De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat de genoemde omstandigheden tardief zijn aangevoerd [66] heeft het hof kennelijk verworpen. Dat is niet onbegrijpelijk. De klachten falen dus.
5.11
De conclusie is dat ook als aan behandeling van het incidentele cassatieberoep wordt toegekomen, dit beroep niet slaagt.

6.Conclusie

De conclusie in het principaal beroep strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar het hof.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 21 september 2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:344.
2.Gemeenschappelijk Hof 25 maart 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:85.
3.De feiten zijn ontleend aan het verwijzingsarrest, Hoge Raad 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:846, RvdW 2023/618, rov. 2.1.
4.Het procesverloop is deels ontleend aan het verwijzingsarrest, rov. 2.2 t/m 2.8.
5.HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1434, RvdW 2016/813, JWB 2016/171, OR Updates 2016/229.
6.HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2013, RvdW 2016/923.
7.Dit citaat is afkomstig uit het verwijzingsarrest (rov. 2.5) en betreft een parafrase van het Gemeenschappelijk Hof 27 februari 2018, rov. 2.5.22 en 2.5.27.
8.Dit citaat is afkomstig uit het verwijzingsarrest (rov. 2.5) en betreft een parafrase van het Gemeenschappelijk Hof 25 juni 2019, rov. 2.2.
9.Gemeenschappelijk Hof 21 september 2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:344.
10.Het incidenteel cassatieberoep werd verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
11.Gemeenschappelijk Hof 25 maart 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:85, NJF 2025/282.
12.A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.),
13.B.T.M. van der Wiel & L.V. van Gardingen, in: Van der Wiel (red.),
14.Schriftelijk pleidooi zijdens [verzoeker] van 19 maart 2024, punt 3.6 t/m 3.8.
15.Art. 145 lid 1 Rv Pro Curaçao: “
16.HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:856,
17.F.J.P. Lock,
18.G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 166 Rv Pro, aant. 1.2.
19.Idem en G. de Groot,
20.G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 166 Rv Pro, aant. 1.2, onder verwijzing naar HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0865, rov. 3.3 en HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1605, rov. 3.4.
21.G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 166 Rv Pro, aant. 1.2 onder verwijzing naar rechtspraak en literatuur.
22.HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817,
23.G. de Groot,
24.Annotator Asser in
25.Zo leest Korpodeko het oordeel kennelijk ook, zie schriftelijke toelichting zijdens Korpodeko, punt 3.3.
26.In 2.0 van de procesinleiding wordt alleen het bewijsaanbod sub b en het bewijsaanbod sub c genoemd. Het bewijsaanbod sub a komt in subonderdeel 2.2 aan de orde.
27.Zie voor een verkorte weergave van deze stellingen subonderdeel 2.0 met verwijzingen in de voetnoten 15-26 naar de vindplaatsen in feitelijke instantie.
28.Zie ook procesinleiding, punt 2.0 aan het einde.
29.Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2026/71, met verwijzing naar rechtspraak.
30.W.D.H. Asser, ‘Stelplicht, een kraaienpoot op de weg van de waarheidsvinding’,
31.Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2026/71.
32.HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1605, rov. 3.4.
33.Korpodeko daarentegen meent dat het hof in rov. 3.18-3.20 de alternatieve lezingen van [verzoeker] van de notulen heeft afgedaan op de stelplicht (zie de schriftelijke toelichting, punt 3.9 t/m 3.12). Ik lees dat er niet in. Naar ik uit de gedingstukken kan opmaken heeft [verzoeker] ook geen bewijsaanbod gedaan dat ziet op een alternatieve lezing van de notulen. Zie voor zijn bewijsaanbod Memorie na (tweede) verwijzing, punt 5.1 sub a t/m g. In rov. 3.26 passeert het hof het bewijsaanbod sub d t/m g, maar dat ziet kennelijk niet op de uitleg van de notulen. Belangrijker acht ik dat het niet gaat om die notulen, maar om de vraag of [verzoeker] het geld in eigen zak heeft gestoken. In essentie heeft [verzoeker] twee centrale stellingen ingenomen als verweer tegen dat verwijt: dat de notulen niet juist zijn én dat hij nooit de beschikking heeft gehad over dat geld. Beide stellingen zijn relevant en specifiek, maar het hof passeert beide op grond van de stelplicht. Mijns inziens ten onrechte.
34.A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.),
35.Zie Akte uitlating producties zijdens Korpodeko van 29 oktober 2019, § 2.2 en 2.14 resp. Memorie na verwijzing zijdens Korpodeko van 12 december 2023, punt 3.2 en 3.5. Zo ook Schriftelijke toelichting zijdens Korpodeko, punt 4.2-4.4, met verdere verwijzingen naar processtukken waar deze stellingen zijn ingenomen.
36.Zie Memorie na verwijzing zijdens [verzoeker] van 12 december 2023, punt 2.3 en 3.12.
37.Ook Korpodeko, zie schriftelijke toelichting zijdens Korpodeko, punt 5.4.
38.Zo ook schriftelijke toelichting zijdens Korpodeko, punt 5.5.
39.Memorie na verwijzing [verzoeker] , punt 5.1 onder d-g.
40.F.J.P. Lock, T&C Rv, commentaar op art. 24 Rv Pro, aant. 2.a.
41.F.J.P. Lock, T&C Rv, commentaar op art. 24 Rv Pro, aant. 2.d.
42.F.J.P. Lock, T&C Rv, commentaar op art. 24 Rv Pro, aant. 2.a, onder verwijzing naar HR 1 oktober 2004, ​ECLI:NL:HR:2004:AO9900​, ​​NJ 2005/92​​; HR 24 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5466​,​ ​NJ 2006/46 en HR 17 februari 2006, ​ECLI:NL:HR:2006:AU5663​,​​ NJ 2006/158​.
43.HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495​, ​
44.F.J.P. Lock, T&C Rv, commentaar op art. 24 Rv Pro, aant. 2.b onder verwijzing naar HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9780​, ​​
45.D.J. Beenders, T&C Rv, commentaar op art.149 Rv Pro, aant. 2.e onder verwijzing naar HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1911,
46.T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Rv Pro, aant. 2 sub 5.
47.T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Rv Pro, aant. 5.
48.Art. 128 lid 1 Rv Pro Curaçao: “
49.D.J. Beenders, T&C Rv, commentaar op art.149 Rv Pro, aant. 2.b.
50.In rov. 3.21 heeft het hof weliswaar overwogen dat “
51.Zie F.J.P. Lock, T&C Rv, commentaar op art. 166 Rv Pro, aant. 4b, onder verwijzing naar HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1605, rov. 3.4.
52.Schriftelijke toelichting zijdens Korpodeko, punt 6.4 en voetnoot 29. In punt 6.5 stelt Korpodeko nog dat ‘uit dit debat’ blijkt dat zij [verzoeker] stellingen wel degelijk heeft betwist, maar Korpodeko verwijst daarbij niet naar vindplaatsen in de processtukken.
53.Zie Schriftelijke toelichting [verzoeker] , punt 7.2.5 en de Memorie na verwijzing [verzoeker] , punt 4.11-4.17.
54.Door [verzoeker] aangevoerd in Memorie na verwijzing [verzoeker] , punt 4.11-4.17.
55.Zie daarover de Memorie na verwijzing [verzoeker] , punt 4.11-4.17.
56.Ik voeg daar nog aan toe dat uit de stellingen van [verzoeker] waarop het subonderdeel zich beroept, niet blijkt dat Korpodeko wist dat [verzoeker] in de SPA met [betrokkene 1] zijn achtergestelde vorderingen op DAE kwijtschold. Schriftelijke toelichting Korpodeko, punt 7.5.
57.Zie Schriftelijke toelichting Sandman, punt 8.2-8.3.
58.Akte uitlating producties van 23 januari 2024 zijdens Korpodeko, punt 3.4 en pleitnota na verwijzing zijdens Korpodeko, punt 3.9.
59.A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.),
60.Zo ook Schriftelijke toelichting [verzoeker] , punt 7.2.4.
61.Zo ook Schriftelijke toelichting [verzoeker] , punt 7.2.6.
62.Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/337, onder verwijzing naar HR 8 februari 1991, NJ 1991/325.
63.W.D.H. Asser,
64.S.M. Kingma, T&C Rv, commentaar op art. 424 Rv Pro, aant. 4. Zie ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/337: “
65.W.D.H. Asser,
66.In de akte uitlating producties zijdens Korpodeko, punt 3.4, en in de pleitnota na verwijzing zijdens Korpodeko, punt 3.9.