ECLI:NL:PHR:2026:628

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
24/04829
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 304 SrArt. 359 lid 3 SvArt. 6:106 BWArt. 6:95 lid 1 BWArt. 67 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

TBS met dwangverpleging opgelegd voor bedreigingen, beledigingen en mishandelingen

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor vijf bedreigingen, drie beledigingen en twee mishandelingen, waarbij TBS met dwangverpleging werd opgelegd voor een periode van maximaal vier jaar. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest met zes middelen.

De Hoge Raad verwierp het middel dat stelde dat pleitnotities onvolledig waren, omdat het hof kennelijk een misslag had gemaakt in de vermelding dat de vordering van de benadeelde partij door een raadsvrouw was betwist, terwijl de raadsman de verdediging voerde. Ook het middel dat het hof niet had beslist op het verzoek van de verdachte om zijn eigen advocaat als getuige te horen, faalde omdat het hof dit verzoek niet als een formeel getuigenverzoek beschouwde.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht volstond met een opgave van bewijsmiddelen voor de bekennende verdachte, ondanks dat deze in hoger beroep vrijspraak wenste. De klacht over de bewijskracht van de mishandeling van een verpleegkundige als ambtenaar in de zin van art. 304 Sr Pro werd verworpen. Het hof motiveerde uitvoerig waarom verpleegkundigen die verplichte zorg verlenen onder toezicht van de overheid als ambtenaren moeten worden aangemerkt.

Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding aan de benadeelde partij wegens belediging werd geoordeeld dat het hof voldoende aannemelijk had gemaakt dat de benadeelde in zijn eer en goede naam was aangetast, zodat toewijzing van €400 terecht was. De Hoge Raad constateerde wel een overschrijding van de redelijke termijn, maar zag geen aanleiding tot vernietiging van het arrest. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het hofarrest met oplegging van TBS met dwangverpleging en schadevergoedingsmaatregel blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/04829
Zitting23 juni 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 19 december 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-001190-24) veroordeeld voor vijf bedreigingen, drie beledigingen en twee mishandelingen. Het hof heeft voor deze feiten gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd, waarbij de totale duur van de maatregel de periode van vier jaren niet te boven zal kunnen gaan. Daarnaast heeft het hof een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat E.E.W.J. Maessen heeft zes middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het eerste middel houdt in dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is, omdat de door de raadsman in hoger beroep overgelegde pleitnotities zich niet (meer) in volledige staat bij de stukken zouden bevinden.
2.2
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2024 blijkt dat de raadsman het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en (volgens dat proces-verbaal) “aan het procesdossier” gehechte pleitnotities. Ook heeft de raadsman zijn pleitnotities ter terechtzitting aangevuld met nadere opmerkingen.
2.3
Bij de stukken van het geding bevinden zich de pleitnotities van mr. [betrokkene 1] , de raadsman van de verdachte, waarop staat aangetekend “t.t.z. 5 dec 2024 overgelegd”. De pleitnotities bestaan uit zes pagina’s en bevatten 22 randnummers. Daarin wordt in de eerste plaats betoogd dat ten aanzien van één van de ten laste gelegde beledigingen een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie zou moeten volgen. Daarnaast bevatten die pleitnotities een betoog waarom TBS met voorwaarden in plaats van TBS met dwangverpleging zou moeten worden opgelegd.
2.4
De steller van het middel wijst in de toelichting op de volgende passage uit het arrest van het hof in het kader van de beoordeling van de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde] :
“De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist overeenkomstig de door de raadsvrouw overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota.”
2.5
De raadsman van de verdachte in cassatie heeft overeenkomstig art. 4.3.6.3 van het Procesreglement tijdig verzocht om een afschrift van de volledige pleitnota. Desgevraagd heeft de griffier van het hof op 21 oktober 2025 het volgende bericht gestuurd:
“Naar aanleiding van uw verzoek met betrekking tot het opvragen van stukken van 17 oktober 2025 bericht ik u als volgt. Het hof heeft nagezien welke stukken het hof ter terechtzitting van 5 december 2024 van de raadsman overgelegd heeft gekregen en is tot de slotsom gekomen dat het hof de complete pleitnotities van de raadsman naar de Hoge Raad heeft gestuurd. Deze eindigen inderdaad met randnummer 22.”
2.6
De inhoud van het schrijven van de griffier laat zich volgens de steller van het middel niet verenigen met die van het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof, waarin volgens de toelichting op het middel is vermeld dat de vordering van de benadeelde partij namens de verdachte is betwist. Nu de hiervoor beschreven pleitnotities die zich bij de stukken van het geding bevinden, niets inhouden met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij, moet het er volgens de steller van het middel voor worden gehouden dat de aan het hof overgelegde pleitnotities zich niet (meer) in volledige staat bij de stukken bevinden.
2.7
Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 december 2024 niet dat de vordering van de benadeelde partij door de verdediging is betwist. Voor zover de steller van het middel een beroep doet op de algemene en door de Hoge Raad streng gehanteerde regel dat het proces-verbaal van de terechtzitting de enige kenbron is van hetgeen daar is voorgevallen, kan het daarom niet tot cassatie leiden.
2.8
De vraag is of de hiervoor geciteerde passage uit het arrest van het hof voldoende aanleiding geeft om tot het oordeel te komen dat inderdaad – zoals de steller van het middel betoogd – een gedeelte van de pleitnotities ontbreekt. [1]
2.9
Anders dan in het door de steller van het middel genoemde arrest van 11 juni 2024, [2] waarin (volkomen) duidelijk was dat de pleitnota onvolledig was omdat de tweede pagina ontbrak, geven de pleitnotities in de onderhavige zaak op zichzelf bezien geen (enkele) aanleiding om te denken dat deze onvolledig zijn. De pagina’s zijn doorgenummerd, de twee verweren (zie hiervoor onder 2.3) beginnen met een kopje en eindigen met een conclusie en bovendien eindigt de tekst halverwege de zesde pagina (met randnummer 22). De (uitgebreide) aanvulling van de raadsman op zijn pleitnotities die in het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 december 2024 is opgenomen, gaat niet verder dan “punt 20”. Er is, kortom, geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de desbetreffende pleitnotities zich in onvolledige staat bij de stukken van het geding bevinden.
2.1
Daarentegen is er wel aanleiding om te concluderen dat de desbetreffende passage uit het arrest van het hof moet worden aangemerkt als een kennelijke misslag van het hof. Dat wordt niet alleen ondersteund door de hiervoor geduide inhoud van de pleitnota zelf, maar blijkt ook uit het bericht van de griffier van het hof, waarin wordt opgemerkt dat het hof tot de slotsom is gekomen dat de complete pleitnotities van de raadsman naar de Hoge Raad zijn gestuurd. Misschien nog wel de belangrijkste aanwijzing dat het hier gaat om een kennelijke misslag is het feit dat in de desbetreffende passage wordt gesproken over een betwisting van de vordering van de benadeelde partij door “de raadsvrouw” van de verdachte, terwijl de verdachte in de onderhavige zaak in hoger beroep werd bijgestaan door een raadsman.
2.11
De slotsom is dat hier naar mijn oordeel sprake is van een slordigheid(je) van het hof en niet van een omstandigheid op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de volledige pleitnotities van de raadsman zich niet bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden.
2.12
Het middel leidt niet tot cassatie.

3.Het tweede middel

3.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd te beslissen op een verzoek van de verdachte tot het horen van [betrokkene 1] als getuige.
3.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 december 2024 houdt onder meer het volgende in:
“Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. [betrokkene 1] , advocaat te [plaats] .
[…]
De verdachte richt zich tot zijn raadsman en vraagt of hij rustig wil doen. De verdachte vraagt aan de voorzitter of zij wil zorgen dat de raadsman van de verdachte rustig doet. De verdachte vraagt aan de voorzitter wat haar naam is.
De voorzitter antwoordt dat zij de voorzitter is.
De verdachte neemt het woord:
Bij deze wil ik mijn advocaat op staande voet ontslaan en hem als getuige oproepen. Ik heb al uitgelegd dat ik hem wil oproepen omdat hij zijn eed heeft verbroken. Ik wil dat hij de eed of de belofte opzegt. Hij is bij deze ontslagen.”
3.3
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het verzoek van de verdachte om zijn eigen advocaat te horen een verzoek is als bedoeld in art. 315 jo Pro. 328 Sv. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting en het arrest van het hof blijkt niet dat het hof een beslissing heeft genomen op dit verzoek. Dat verzuim heeft volgens de steller van het middel nietigheid tot gevolg.
3.4
In de nasleep van de hiervoor geciteerde opmerking van de verdachte is er op de terechtzitting van het hof van 5 december 2024 nog het nodige gebeurd. De voorzitter heeft de verdachte aansluitend gewezen op de consequenties van het ontslaan van zijn raadsman en heeft de raadsman om een reactie gevraagd. De verdachte zelf maakt gedurende dat alles een – in mijn woorden – nogal verwarde indruk. Hij onderbreekt bijvoorbeeld meerdere malen zijn eigen raadsman, verzoekt de officier van justitie om hem op te roepen als kroongetuige en vraagt om wraking van de reclassering. Zijn raadsman heeft in dat verband onder meer opgemerkt dat hij de verdachte al 25 jaar kent en dat “[d]it soort episodes […] zich eerder [hebben] voorgedaan”. Nadat het onderzoek ter terechtzitting op verzoek van de raadsman is onderbroken voor overleg met zijn cliënt, heeft de verdachte ermee ingestemd dat mr. [betrokkene 1] optreedt als zijn advocaat. Het proces-verbaal houdt in:
“De voorzitter vraagt aan de verdachte of mr. [betrokkene 1] mag optreden als zijn advocaat.
De verdachte:
Ja, dat mag.”
3.5
Dat het hof de opmerking van de verdachte dat hij zijn advocaat op staande voet wil ontslaan en hem als getuige wil oproepen omdat hij zijn eed heeft gebroken, gelet op het verdere verloop van de zitting kennelijk niet heeft aangemerkt als een getuigenverzoek waarop het hof (nog) een beslissing moest nemen, is – tegen de achtergrond van het voorgaande – mijns inziens (volstrekt) niet onbegrijpelijk.
3.6
Hoewel dat niets bijdraagt of afdoet aan de juridische beoordeling van het middel, wil ik ten overvloede wel opmerken dat het hof in deze zaak – juist door de verdachte niet meteen te houden aan de opmerking dat hij zijn raadsman wil ontslaan en als getuige wil horen – tegemoet is gekomen aan de belangen van de verdachte en dat ik me daarom wel afvraag waarom hier nu in cassatie een klacht over is ingediend. Formeel kan het. Maar niet alles wat kan, hoeft ook te gebeuren.
3.7
Het middel dient te falen.

4.Het derde middel

4.1
Het derde middel bevat de klacht dat het hof ten aanzien het in de zaak met parketnr. 09-233790-23 onder 1, 2, 3 en 5 en het in de zaak met parketnr. 10-098002-21 onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359 lid 3 Sv Pro.
4.2
Art. 359 lid 3 Sv Pro, dat op grond van art. 415 Sv Pro ook in hoger beroep van toepassing is, luidt:
“De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.”
4.3
Op grond van de tweede volzin van deze bepaling kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij de verdachte nadien anders heeft verklaard of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit. [3]
4.4
In de bijlage van het arrest, inhoudende de bewijsmiddelen, heeft het hof ten aanzien van de hierboven genoemde bewezenverklaarde feiten steeds verwezen naar de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 maart 2024. In cassatie wordt niet bestreden dat deze verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg kan worden aangemerkt als een bekennende verklaring.
4.5
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op zijn bekentenis is teruggekomen, nu hij blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 5 december 2024 aldaar heeft opgemerkt: “Het liefst zou ik voor vrijspraak gaan” en voorts heeft verklaard: “Ik denk eerder wat de samenleving ervan zou vinden dat BBN’er [verdachte] weer op straat is! Dan zou ik liever tbs met voorwaarden hebben. Maar liever vrijspraak.”
4.6
Het proces-verbaal van die terechtzitting in hoger beroep houdt – voor zover van belang –het volgende in:
“De voorzitter vraagt aan de verdachte hoe hij de toekomst ziet.
De verdachte:
Het liefst zou ik voor vrijspraak gaan. Ik wil gewoon mijn leven leiden. Ik heb voor de [A] gewerkt. Ik ben geïnstitutionaliseerd. Het begon bij [Forensisch Psychiatrisch Centrum 1] , toen ik een carrousel in ging heb ik nooit de kans gehad om naar begeleid of beschermd wonen te gaan. Ik heb nooit een eerlijke kans gehad om me weer te ontplooien. Ik ben meer dan 50 keer op verlof gegaan in [Forensisch Psychiatrisch Centrum 1] en 49 keer is het heel goed gegaan. Wat u weet over de [A] en de stropdas en [naam 1] en [naam 2] , de mensen die daar werkten, om tot de kern te komen. Ik ben een BBN’er: een Berucht Beroemde Nederlander. Ik heb heel veel gestreamd vanuit [plaats] en de [Forensisch Psychiatrisch Centrum 2] in [plaats] . En [plaats] . Ik ben een BBN’er. Ik heb heel veel op social media geëxposed over hoe [Forensisch Psychiatrisch Centrum 1] werkt.
De voorzitter vraagt aan de verdachte hoe het verder moet, aangezien hij niet in de situatie waarin hij nu zit wil blijven.
De verdachte:
Klopt. Eerlijk gezegd weet ik het niet. Het enige woord dat in mij opkomt is vrijheid.[…]
[…]
De raadsman vraagt aan de verdachte wat hij ervan zou vinden als hij op straat terecht zou komen totdat er plek is in een kliniek.
De verdachte antwoordt:
Ik denk eerder wat de samenleving ervan zou vinden dat BBN’er [verdachte] weer op straat is! Dan zou ik liever tbs met voorwaarden hebben. Maar liever vrijspraak. Zij zegt dat ze naar geweten en waarheid moet spreken. De waarheid is veel ingewikkelder. Misschien nog ingewikkelder dan een mummie. De waarheid is de hele tijd aan het licht aan het komen. Kijk maar naar het nieuws, naar BNN, naar China. Ik heb Israëlische familie, ook nog.”
4.7
De opmerkingen van de verdachte “[h]et liefst zou ik voor vrijspraak gaan” en “[m]aar liever vrijspraak” kunnen volgens de steller van het middel bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan dat de verdachte op zijn bekentenis is teruggekomen en dus nadien anders heeft verklaard.
4.8
Dat zie ik anders. Naar mijn oordeel is niet onbegrijpelijk dat het hof deze twee losse opmerkingen in een verder tamelijk onsamenhangend verhaal niet zo heeft uitgelegd dat de verdachte is teruggekomen op zijn eerdere bekennende verklaring. Daarbij neem ik in aanmerking dat die opmerkingen slechts in zijn algemeenheid verwijzen naar de voorkeur van de verdachte voor een vrijspraak en verder niets inhouden over de acht bewezenverklaarde feiten die aan de eerdere bekennende verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg zijn ontleend. Ik merk voorts op dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 augustus 2024 blijkt dat het hoger beroep volgens de raadsman uitsluitend was gericht tegen de strafmaat en dat door de verdediging in hoger beroep blijken het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 december 2024 ter zake voornoemde feiten geen verweer (strekkende tot vrijspraak) is gevoerd.
4.9
Het middel faalt.

5.Het vierde middel

5.1
Het middel bevat twee bewijsklachten over de in de zaak met parketnr. 09-233790-23 onder 4 bewezenverklaarde mishandeling van [slachtoffer] .
5.2
Ten last van de verdachte is in de zaak met parketnr. 09-233790-23 onder 4 bewezenverklaard dat
“hij op 21 maart 2023 te [plaats] , een ambtenaar, [slachtoffer] (werkzaam als verpleegkundige bij [Forensisch Psychiatrisch Centrum 1] ) gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) meermalen tegen het gezicht te slaan;”
5.3
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] d.d. 8 april 2023 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2023087742-2, voor zover inhoudende (blz. 42) :
Plaats delict: [plaats]
Pleegdatum: 21 maart 2023
Ik, [aangever] , doe aangifte namens [slachtoffer] tegen [verdachte] . [slachtoffer] en ik zijn beiden werkzaam bij [Forensisch Psychiatrisch Centrum 1] . Op 21 maart 2023 sprak [slachtoffer] [verdachte] aan op het dragen van een muts tijdens het eten. Dit resulteerde in een discussie. Kort daarna spuugde [verdachte] naar [slachtoffer] . [verdachte] liep daarna direct weg. [slachtoffer] rende achter hem aan. [verdachte] stopte en er ontstond een duw- en trekwerk situatie op de gang. [verdachte] sloeg [slachtoffer] in haar gezicht.
[slachtoffer] is naar de dokter geweest. Haar kaak was niet ontwricht, maar het was wel beurs, stijf en opgezet, ook had zij veel pijn in haar gezicht.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] d.d. 9 juni 2023 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2023087742-3, voor zover inhoudende (blz. 44) :
Nadat hij mij had bespuugd ben ik achter hem aangerend en gaf ik hem een duw. Ik heb tegen hem gezegd: ‘Ik wil dat je naar je kamer gaat, ik ben helemaal klaar met jou’. We kwamen in een soort worsteling terecht en ik kreeg een klap, met zijn vuist, op mijn linkerwang. Kort daarna kreeg ik weer een klap, weer met zijn vuist, ook weer op mijn linkerwang. De worsteling hield op toen er andere collega’s kwamen helpen.
Mijn wang deed pijn, ik ben het daarna gelijk gaan koelen en ik heb een paracetamol genomen. Ik ben na het incident naar de huisarts gegaan. Daar werd mij verteld dat mijn kaakkopjes aangetast zijn en dat mijn kaak licht opgezwollen was. Op 22 maart 2023 kon ik mijn kaak amper open doen, het deel veel pijn. Ik merk nu wel dat de pijn met de dag afneemt.”
5.4
De eerste klacht houdt in dat het hof ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat [slachtoffer] kan worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van art. 304 onder Pro 3° Sr. De tweede klacht staat hiermee in verband en houdt in dat het hof voor dit oordeel redengevend heeft geacht dat aan de verdachte op 11 januari 2023 een zorgmachtiging is verleend op grond van de Wvggz, zonder dat het hof heeft aangegeven aan welk bewijsmiddel dit is ontleend.
5.5
Over de vraag of [slachtoffer] kan worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van art. 304 onder Pro 3° Sr heeft het hof het volgende overwogen:

Nadere bewijsoverweging t.a.v. de bestanddelen ‘een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ en ‘een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ (hierna kortweg ook: ‘ambtenaar in functie’)
Het hof ziet zich, evenals de rechtbank, gesteld voor de vraag of de in de tenlastelegging genoemde verpleegkundigen, in loondienst bij [Forensisch Psychiatrisch Centrum 1] dan wel daar als ZZP’er werkzaam, moeten worden aangemerkt als ambtenaren in de zin van de artikelen 180 en 304 Sr. In de rechtspraak wordt uitgegaan van een ruime opvatting voor het strafrechtelijke begrip van ambtenaar. Volgens de Hoge Raad wordt onder ‘ambtenaar’ ook begrepen ‘degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd’ (HR 17 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:32).
De verplichte en gedwongen zorg van een persoon die op grond van een rechterlijke beslissing in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) is opgenomen in een zorginstelling is een overheidstaak. De verpleegkundigen die deze taak uitvoeren, zijn op het moment dat zij zich met deze specifieke zorgtaak bezighouden, aan te merken als ambtenaren in de zin van de artikelen 180 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht van belang dat de inhoud en de reikwijdte van de taken van die verpleegkundigen in het kader van de Wvggz van overheidswege zijn bepaald. Hun werkzaamheden zijn onder meer gebaseerd op het maatschappelijk belang om ernstig nadeel voor de betrokkene (de verdachte) zelf te voorkomen en om te voorkomen dat door het gedrag van de opgenomen patiënten de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar komt. Hun werkzaamheden worden verder uitgevoerd onder toezicht en controle van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ). Weliswaar is dit extern toezicht, die omstandigheid laat onverlet dat de IGJ over vergaande bevoegdheden beschikt betreffende het bestuur van en toezicht op een zorginstelling. De omstandigheid dat de arbeidsrelatie tussen deze verpleegkundigen en hun werkgever geen publiekrechtelijk, maar een privaatrechtelijk karakter heeft, doet, in lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad, niet ter zake. De privaatrechtelijk georganiseerde wijze van het leveren van verplichte en gedwongen zorg is het gevolg van democratisch genomen besluiten over de uitoefening van overheidstaken. Aan de functie van een verpleegkundige die haar of zijn functie uitoefent in het kader van de Wvggz kan een openbaar karakter dan ook niet worden ontzegd.
Uit het strafdossier blijkt dat de rechtbank op 11 januari 2023 een aansluitende zorgmachtiging heeft verleend op grond van artikel 67 van Pro de Wvggz [4] en heeft bepaald dat deze machtiging geldt tot en met 14 januari 2024. Gelet hierop kan voor de pleegdatum van 21 maart 2023 het bestanddeel ambtenaar in functie van de onder feit 4 in de zaak met parketnummer 09-233790-23 ten laste gelegde mishandeling bewezen worden verklaard.
De tweede klacht
5.6
Ik ga eerst in op de tweede klacht. De rechter die zich in een bewijsoverweging beroept op gegevens die niet zijn terug te voeren op de bewijsmiddelen, moet met voldoende mate van nauwkeurigheid die feiten of omstandigheden aanduiden en aangeven aan welk wettig bewijsmiddel het die feiten of omstandigheden heeft ontleend. [5]
5.7
Met betrekking tot het in de bewijsoverweging genoemde feit dat “de rechtbank op 11 januari 2023 een aansluitende zorgmachtiging heeft verleend op grond van artikel 6:4 van Pro de Wvggz en heeft bepaald dat deze machtiging geldt tot en met 14 januari 2024” heeft het hof naar mijn oordeel aan deze verplichting voldaan. Uit de overweging zelf volgt immers dat dit feit kennelijk is ontleend aan een beslissing van de rechtbank van 11 januari 2023 waarin die zorgmachtiging is verleend. Die beschikking van – om precies te zijn – de rechtbank Den Haag bevindt zich inderdaad bij de stukken in het dossier. Aldus heeft het hof met voldoende mate van nauwkeurigheid het bewijsmiddel aangegeven waaraan het dit redengevende feit heeft ontleend.
5.8
De tweede klacht faalt.
De eerste klacht
5.9
Dan kom ik toe aan de eerste klacht, ertoe strekkende dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet kan volgen [slachtoffer] kan worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van art. 304 onder Pro 3° Sr, maar slechts dat zij werkzaam is bij [Forensisch Psychiatrisch Centrum 1] .
5.1
Het oordeel van het hof dat [slachtoffer] kan worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van voornoemde bepaling bestaat uit twee onderdelen. In de eerste plaats heeft het hof in zijn hiervoor geciteerde bewijsoverweging uiteengezet dat en waarom (meer in algemene zin) een verpleegkundige die verplichte en gedwongen zorg verleent aan een persoon die op grond van een rechterlijke beslissing is opgenomen in een zorginstelling, kan worden aangemerkt als ‘ambtenaar’ in de zin van art. 304 onder Pro 3° Sr. In de tweede plaats heeft het hof kennelijk geoordeeld dat [slachtoffer] als zo’n verpleegkundige – en dus als ‘ambtenaar’ in de zin van art. 304 onder Pro 3° Sr – kan worden aangemerkt. Dit laatste oordeel van het hof komt niet terug in de bewijsoverwegingen en heeft het hof dus kennelijk gebaseerd op de ter zake gebruikte bewijsmiddelen.
5.11
In de toelichting wordt door de steller van het middel aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat [slachtoffer] als werknemer in dienst is bij [Forensisch Psychiatrisch Centrum 1] dan wel daar als ZZP’er werkzaam is én is belast met zorgtaken op basis van de Wvggz. Daarmee lijkt de klacht in cassatie – als ik het goed begrijp – vooral te zien op het hiervoor genoemde tweede onderdeel van de redenering van het hof. Over het eerstgenoemde en meer algemene oordeel dat de door het hof omschreven verpleegkundigen kunnen worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van art. 304 onder Pro 3° Sr bevat het middel geen expliciete klacht.
5.12
Omdat beide onderdelen van de motivering van het hof onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en het op zichzelf ook een van belang zijnde rechtsvraag betreft, zal ik in het navolgende eerst aandacht besteden aan het meer algemene oordeel van het hof dat een verpleegkundige die verplichte en gedwongen zorg verleent aan een persoon die op grond van een rechterlijke beslissing is opgenomen in een zorginstelling, kan worden aangemerkt als ‘ambtenaar’ in de zin van art. 304 onder Pro 3° Sr.
Het begrip ‘ambtenaar’
5.13
De wet bevat geen definitie van de in het Wetboek van Strafrecht vaker voorkomende term ‘ambtenaar’. [6] Titel IX van het Wetboek van Strafrecht, waarin sommige begrippen nader worden gedefinieerd, besteed in art. 84 Sr Pro wel aandacht aan het begrip ‘ambtenaar’, maar dit betreft vooral een uitbreiding en geen allesomvattende definitie. [7] De Hoge Raad sprak zich in 1911 voor het eerst uit over de strafrechtelijke reikwijdte van het begrip ambtenaar. Een brievenbesteller bij de posterij was volgens de Hoge Raad een ambtenaar “daar hij door het openbaar gezag is aangesteld tot eene openbare betrekking om te verrichten een deel van de taak van den Staat of zijne organen, dat is in het onderhavige geval, het bezorgen van postpakketten”. [8] Het gaat hier dus – kort gezegd – om een persoon in dienst van de overheid die een overheidstaak verricht. In latere arresten verduidelijkte de Hoge Raad dat het ambtenarenbegrip niet slechts betrekking heeft op personen die namens de Staat een vorm van openbaar gezag uitoefenen en dat het geen bezwaar is dat de werkzaamheden voor wat betreft de verhouding tussen overheid en derden louter door het privaatrecht worden beheerst. [9] Onder deze (dus ruime) definitie werden ook als ambtenaar aangemerkt de schrijfster in tijdelijke dienst bij het distributiebureau van de gemeente, [10] de door de gemeenteraad benoemde directeur van de gemeentelijke gasfabriek [11] en de trambestuurder in dienst van het gemeentelijk vervoersbedrijf. [12]
5.14
In 1995 moest de Hoge Raad oordelen over de vraag of een reclasseringsmedewerker (nog steeds) kon worden aangemerkt als ambtenaar, nu de reclassering een aantal jaren eerder formeel was geprivatiseerd. De Hoge Raad loste dit op met een verruiming van het ambtenarenbegrip: in plaats van een aanstelling
doorde overheid was na dit arrest een aanstelling
onder toezicht en verantwoordelijkheidvan de overheid voldoende. [13] Wel bleef vereist dat sprake was van “een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd ten einde een deel van de taak van de Staat of zijn organen te verrichten.” Deze verruiming bracht mee dat voortaan ook werknemers van private partijen met een publieke taak onder omstandigheden in strafrechtelijke zin als ambtenaar konden worden aangemerkt. In 2004 vond de laatste verruiming plaats en verdween de uitdrukkelijke vermelding van het verrichten van een overheidstaak uit het hiervoor genoemde criterium; voldoende was vanaf dat moment dat sprake is van een persoon “die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd.” [14] In de desbetreffende zaak oordeelde de Hoge Raad dat derhalve ook een medewerker van een particulier beveiligingsbedrijf als ambtenaar kon worden beschouwd, nu de beveiliging van de gebouwen van een universiteit (zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon) aan dat bedrijf was uitbesteed. [15] In navolging van deze aanpassing kunnen volgens Sikkema ook werknemers van particuliere bedrijven waaraan een overheidsinstelling een bepaalde bevoegdheid heeft uitbesteed, worden aangemerkt als ambtenaren. [16]
5.15
Als gevolg van deze jurisprudentiële ontwikkelingen luidt het criterium, zoals het is geformuleerd in voornoemd arrest van 18 mei 2004 en meest recentelijk is herhaald in een arrest van 17 januari 2023, dus als volgt:
“De term ‘ambtenaar’ […] moet aldus worden uitgelegd dat daaronder ook is begrepen degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd.” [17]
5.16
Volgens Van Roomen en Sikkema is op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad sprake van een functioneel en materieel ambtenarenbegrip. [18] De vraag of iemand een ambtenaar is, wordt bepaald aan de hand van de functie en de werkzaamheden van de desbetreffende persoon en niet door de aanwijzing van de persoon als ambtenaar in – bijvoorbeeld – een wettelijke bepaling. [19] Dat hierdoor ook een kring van personen onder het (strafrechtelijke) ambtenarenbegrip valt die men daar in het normale spraakgebruik misschien niet direct onder zou scharen, staat buiten kijf en blijkt al uit de hiervoor aangehaalde voorbeelden. Volgens Sikkema moet bij de nadere invulling van de reikwijdte van het ambtenarenbegrip de uitoefening van de overheidstaak centraal staan. [20] Of sprake is van een overheidstaak zal doorgaans moeten worden beantwoord aan de hand van de geldende wet- en regelgeving. Het is in ieder geval voldoende als uit die wet- en regelgeving blijkt dat taak van de betreffende persoon door de overheid tot een tak van staatszorg is gemaakt. [21] In lijn met de functionele en materiële interpretatie van het ambtenarenbegrip doet daarbij niet ter zake of die persoon een arbeidscontract heeft bij de overheid of dat hij een werknemer is van een private partij die een overheidstaak uitvoert.
5.17
Deze benadering, waarin de uitoefening van een overheidstaak centraal staat, spreekt wat mij betreft aan en schept in veel gevallen duidelijkheid. Ten aanzien van personen die een overheidstaak uitoefenen is immers zonneklaar dat hun functie een openbaar karakter heeft en lijkt ook – zoals Sikkema concludeert – moeilijk anders denkbaar dan dat zij onder toezicht en verantwoording van de overheid zijn aangesteld. [22] De uitoefening van een overheidstaak is sinds 2004 evenwel geen zelfstandig onderdeel meer van het door de Hoge Raad genoemde criterium. [23] Die verruiming impliceert dat ook personen als ambtenaar kunnen worden aangemerkt, die niet – of in ieder geval niet zonder meer – een overheidstaak uitoefenen, maar wiens functie wel een bepaald openbaar karakter heeft. Hier komt de ondergrens van het ambtenarenbegrip in beeld. Sikkema legt de grens daar waar niet langer meer gezegd kan worden dat de betreffende persoon onder toezicht en verantwoordelijkheid van de overheid werkzaam is. Het gaat volgens hem om situaties waarin de overheid geen beslissende invloed heeft op de taakuitoefening van die persoon. [24]
5.18
Deze ondergrens kan worden geïllustreerd door het arrest van 18 mei 2004 over de beveiligingsmedewerker bij de TU Delft. Het werk van deze beveiligingsmedewerker, die volgens de vaststellingen van het hof door de universiteit bevoegd was verklaard om personen de toegang tot gebouwen te weigeren en daartoe een vordering te doen, kan als zodanig niet worden aangemerkt als een overheidstaak. Tegelijk is wel duidelijk dat de functie van deze beveiligingsmedewerker een openbaar karakter heeft, nu zijn werkzaamheden ter zake zich afspelen in het publieke domein (in die zin dat de gebouwen van de universiteit “voor de openbare dienst bestemd” zijn) en er ook een bepaald maatschappelijk belang mee gemoeid is. In dat geval concentreert de toetsing zich vervolgens op de door Sikkema genoemde vraag of de betreffende persoon onder toezicht en verantwoordelijkheid van de overheid werkzaam is. Bij de beveiligingsmedewerker was dat naar het oordeel van de Hoge Raad het geval, omdat hij was aangesteld door de TU Delft, zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. [25]
5.19
In verhouding met dit arrest lijkt een later arrest van 7 april 2009 over de belediging en mishandeling van twee aspirant-hoofdconducteurs van de Nederlandse Spoorwegen moeilijk(er) te begrijpen. In die zaak vernietigde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat deze conducteurs konden worden aangemerkt als ‘ambtenaar’ in de zin van art. 267 en Pro 304 Sr. [26] Toch lijkt me hier duidelijk – in ieder geval duidelijker dan bij de beveiligingsmedewerker van de TU Delft – dat de functie van deze conducteurs een openbaar karakter niet kan worden ontzegd, terwijl er op grond van de wetgeving rondom het openbaar vervoer – en meer in het bijzonder de Wet personenvervoer 2000 – en de organisatie- en financieringsstructuur van de NS naar mijn oordeel ook best ruimte zou zijn geweest om te oordelen dat de beide conducteurs – toch in meer of mindere mate onder toezicht en verantwoordelijkheid van de overheid opereerden. [27] Dat de Hoge Raad in deze zaak toch casseerde, kan in mijn ogen worden toegeschreven aan de expliciete overweging van het hof dat “niet kan worden gezegd dat eerderbedoelde aspirant-hoofdconducteuren onder (direct) toezicht en verantwoording van de overheid waren aangesteld”. [28] Die overweging staat immers haaks op het in 2004 door de Hoge Raad geformuleerde criterium. Met een iets andere motivering van het hof had de uitkomst in deze zaak – naar het mij voorkomt – ook anders kunnen zijn.
5.2
In het licht van het voorgaande kunnen naar mijn idee drie categorieën van personen worden onderscheiden die onder de hiervoor genoemde definitie van het begrip ‘ambtenaar’ kunnen vallen.
5.21
In de
eersteplaats gaat het om personen die in dienst zijn van de overheid en die een overheidstaak uitoefenen. Over deze categorie bestaat weinig discussie. Denk bijvoorbeeld aan de burgemeester, de politieagent de belastinginspecteur en de trambestuurder. Deze kring van personen werd op grond van het in 1911 door de Hoge Raad geformuleerde criterium – en dus vóór alle hiervoor beschreven verruimingen van het criterium – reeds als ambtenaar gezien.
5.22
In de
tweedeplaats is er de categorie van personen die feitelijk niet in dienst zijn van de overheid, maar die wel een overheidstaak uitvoeren. Gelet op de in 1995 geformuleerde verruiming van het criterium en de (mede) daaruit voortvloeiende functionele en materiële invulling van het ambtenarenbegrip zal ook over deze categorie personen in de regel weinig discussie bestaan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de reclasseringsmedewerker of de deurwaarder. In deze gevallen speelt de vraag of zo’n persoon onder toezicht en verantwoordelijkheid van de overheid is aangesteld nauwelijks een zelfstandige dan wel beperkende rol. Het is – als opgemerkt – immers moeilijk denkbaar dat iemand een overheidstaak uitvoert zonder daartoe op een of andere manier door de overheid te zijn aangesteld. [29]
5.23
In de
derdeplaats kan het daarbij gaan om personen van wie niet op voorhand duidelijk is dat zij een overheidstaak uitoefenen, bijvoorbeeld omdat hun werkzaamheden slechts indirect dienstbaar zijn aan een overheidstaak. Ik noem wederom de beveiligingsmedewerker van de TU Delft, maar denk hier ook aan de wegwerker die onderhoud uitvoert aan het wegennetwerk. Dit is waar de hiervoor besproken en door Sikkema bepleite ondergrens en het door de Hoge Raad geformuleerde criterium van belang zijn. Hier zal de toetsing door de rechter zich vooral (moeten) toespitsen op de vraag of de betreffende persoon feitelijk onder toezicht en verantwoording van de overheid werkzaam is. De (onder-)grens wordt bereikt wanneer het gaat “om situaties waarin het overheidsorgaan geen beslissende invloed meer kan uitoefenen op de vervulling van de taak.” [30] Daarnaast meen ik dat er ook enige beperking voortvloeit uit de zinsnede dat het moet gaan om een “functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd”. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad heb ik niet precies kunnen destilleren wat de betekenis van deze zinsnede is. Het zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat de functie van de betreffende persoon op een of andere manier moet kunnen worden gerelateerd aan het publieke domein of in verband moet staan met een maatschappelijk belang om als ambtenaar te worden aangemerkt. In die opvatting zouden dan bijvoorbeeld – anders dan Van Roomen en Sikkema menen – schoonmakers en kantinepersoneel in een overheidsgebouw bezwaarlijk als ambtenaar kunnen worden aangemerkt, terwijl dat voor een portier van een overheidsgebouw – die in zijn hoedanigheid in direct contact staat met de bezoekers van zo’n overheidsgebouw – wel goed mogelijk is.
5.24
Op grond van het voorgaande permitteer ik me tot slot een opmerking over het hiervoor onder 5.15 geciteerde criterium van de Hoge Raad, zoals die reeds in meerdere arresten is herhaald. Dat criterium definieert de ondergrens van het (strafrechtelijke) ambtenarenbegrip en concentreert zich daarmee vooral op de hiervoor beschreven derde categorie personen. Door de verruimingen in 1995 en 2004 is de lat steeds een stukje lager komen te liggen, hetgeen er in mijn optiek toe heeft geleid dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad niet meer voldoende blijkt dat deze ondergrens voor personen die evident een overheidstaak uitoefenen helemaal niet in zicht komt. Het verdient wat mij betreft aanbeveling als de Hoge Raad in toekomstige uitspraken omtrent het begrip ‘ambtenaar’ eerst zou opmerken dat de hiervoor beschreven kring van personen die evident een overheidstaak uitoefenen zonder meer als ambtenaren kunnen worden aangemerkt en pas daarna zou overwegen dat “
daaronder ookis begrepen degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd”. [31]
De bespreking van de klacht
5.25
Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen dat de verplichte en gedwongen zorg voor een persoon die op grond van een rechterlijke beslissing in het kader van de Wvggz is opgenomen in een zorginstelling, een overheidstaak betreft. De inhoud en de reikwijdte van de taken van de verpleegkundigen die deze zorg verlenen, zijn van overheidswege bepaald. Het hof heeft vastgesteld dat deze verpleegkundigen hun werkzaamheden voorts uitvoeren “onder toezicht en controle van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd”. Dat het hier gaat om extern toezicht, laat volgens het hof onverlet dat de Inspectie over vergaande bevoegdheden beschikt betreffende het bestuur van, en toezicht op een zorginstelling. Het hof heeft daarnaast overwogen dat de enkele omstandigheid dat de arbeidsrelatie tussen de verpleegkundigen en hun werkgever een privaatrechtelijk karakter heeft, niet ter zake doet.
5.26
Dat het hof de verplichte en gedwongen zorg voor een persoon die in het kader van een zorgmachtiging is opgenomen in een zorginstelling als een overheidstaak heeft aangemerkt, is mijns inziens niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat – zoals het hof heeft vastgesteld – de inhoud en reikwijdte van de taken van verpleegkundigen die deze zorg verlenen, van overheidswege zijn bepaald. In dat verband wijs ik vooral op hoofdstuk 2, 3 en 8 van de Wvggz, waarin de uitgangspunten en rechten en plichten bij de tenuitvoerlegging van een zorgmachtiging – en daarmee dus ook de concrete werkzaamheden van de verpleegkundigen die deze zorg verlenen – in meer detail worden bepaald. Op grond hiervan kunnen deze verpleegkundigen wat mij betreft worden geschaard onder de tweede categorie van personen die ik hiervoor heb onderscheiden: zij zijn niet in dienst bij de overheid, maar oefenen wel een overheidstaak uit.
5.27
Het min of meer algemene oordeel van het hof dat de hiervoor bedoelde verpleegkundigen kunnen worden aangemerkt als ‘ambtenaar’ in de zin van art. 304 onder Pro 3°, getuigt aldus niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor zover daarover wordt geklaagd, faalt het middel.
5.28
De vervolgvraag is of [slachtoffer] als zo’n verpleegkundige – en dus als ambtenaar in de zin van art. 304 onder Pro 3° Sr – kan worden aangemerkt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer] ten tijde van het bewezenverklaarde feit werkzaam was als verpleegkundige bij [Forensisch Psychiatrisch Centrum 1] en dat zij de verdachte in die hoedanigheid – als zorgverlener – aansprak op het dragen van een muts tijdens het eten. Uit die bewijsmiddelen blijkt voorts dat de verdachte haar tijdens die werkzaamheden tegen het gezicht heeft geslagen. Om [slachtoffer] als ambtenaar in de zin van art. 304 onder Pro 3° Sr te kunnen aanmerken, is echter – zoals het hof met zijn algemene oordeel zelf heeft gesteld – ook relevant dat de verdachte in het kader van een zorgmachtiging verplicht was opgenomen in een zorginstelling. Dat onderdeel blijkt weliswaar niet uit de bewijsmiddelen, maar wordt ondervangen door de nadere bewijsoverweging van het hof waarin het – zoals ik hiervoor bij de tweede klacht van dit middel heb opgemerkt – met voldoende nauwkeurigheid heeft verwezen naar het bewijsmiddel waaraan het bestaan van die zorgmachtiging is ontleend.
5.29
Uit de bewijsvoering blijkt derhalve eenduidig dat en waarom [slachtoffer] als ambtenaar in de zin van voornoemde bepaling kan worden aangemerkt. Volledigheidshalve wijs ik er daarbij op dat in hoger beroep ten aanzien van het onderhavige feit op geen enkele manier is bestreden dat [slachtoffer] als ambtenaar in de zin van art. 304 onder Pro 3° Sr kan worden aangemerkt. Het middel faalt ook in zoverre.
De slotsom van het vierde middel
5.3
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

6.Het vijfde middel

6.1
Het vijfde middel richt zich tegen de toewijzing door het hof van de vordering immateriële schadevergoeding van de [benadeelde] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel en de veroordeling in de proceskosten van de benadeelde partij. In het bijzonder wordt geklaagd dat uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW Pro vermelde grond en op basis van welke omstandigheden het hof de toewijzing van de vordering heeft gebaseerd.
6.2
Ten last van de verdachte is in de zaak met parketnr. 09-233790-23 onder 5 bewezenverklaard dat:
“hij op 13 december 2022 te [plaats] opzettelijk [benadeelde] (werkzaam als arts bij [Forensisch Psychiatrisch Centrum 1] ), in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd door die [benadeelde] in (de richting van) het gezicht, althans tegen zijn pantalon en/of colbert te spugen.”
6.3
Bij de stukken van het geding bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij. Daarin is onder meer opgenomen:
“Immateriële schade (smartengeld)
[…]
Omschrijving immateriële schade
Ernstige angst en emoties ervaren na het gebeurde incident hetgeen 3-6 mnd aanhield.
Hierdoor ook minder functioneren tijdens werk en levensvreugde in het prive leven.
Bespugen werd door de Politie ook uitgelegd als het meest vernederende incident.
Totaal immateriële schade € 5000,-.”
6.4
Het hof heeft ter zake de gevorderde immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij overwogen:

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde] zich als benadeelde partij gevoegd. De benadeelde partij heeft een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 09-233790-23 onder 5 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
[…]
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 09-233790-23 onder 5 bewezenverklaarde.
Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij de schade voldoende aannemelijk heeft gemaakt, tot een bedrag van € 400,00, zodat dat bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, zal worden toegewezen.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van de [benadeelde]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 400,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van de [benadeelde] .”
6.5
Art. 6:106 BW Pro luidt als volgt:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanige schade toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.”
6.6
Art. 6:106 BW Pro bevat een limitatieve opsomming van gevallen waarin immateriële schadevergoeding kan worden toegekend. Nu art. 6:95 lid 1 BW Pro bepaalt ander nadeel dan vermogensschade slechts kan worden vergoed voor zover de wet daar recht op geeft, zal de rechter kenbaar moeten maken op welke in art. 6:106 BW Pro genoemde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden de toewijzing van de vordering tot immateriële schadevergoeding berust. [32] Dat geldt ook als de vordering tot immateriële schadevergoeding niet door de verdediging is betwist. In dat geval zal de rechter weliswaar uitgaan van de juistheid van de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten, maar blijft gelden dat een vordering tot vergoeding van immateriële schade niet kan worden toegewezen als deze geen rechtsgrond vindt in de wet. [33]
6.7
In de onderhavige zaak heeft het hof niet de rechtsgrond genoemd waarop de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd. Soms is de Hoge Raad bereid om de door het hof toegepaste rechtsgrond in te lezen. Dan moet uit de overwegingen van het hof kunnen worden afgeleid “op welke in artikel 6:106 BW Pro vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden het de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft gebaseerd.” [34] In dat geval is het enkele feit dat de rechtsgrond niet uitdrukkelijk is genoemd geen reden voor cassatie, omdat dan uit de uitspraak van het hof voldoende duidelijk wordt op welke wettelijke grond de toewijzing steunt. De overwegingen van het hof bieden hier echter geen aanknopingspunten om de door het hof bedoelde rechtsgrond te achterhalen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft het hof slechts overwogen dat die schade voldoende aannemelijk is gemaakt door de benadeelde partij en dat de vordering tot een bedrag van € 400 wordt toegewezen.
6.8
Toch hoeft dit gebrek in de motivering van de toewijzing van de vordering tot immateriële schadevergoeding naar mijn oordeel in dit geval niet tot cassatie te leiden. Ik meen dat uit het arrest van het hof – in het bijzonder de bewezenverklaring en de kwalificatie daarvan – kan worden afgeleid dat het hof bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij in aanmerking heeft genomen dat het bewezenverklaarde spugen heeft geleid tot een aanranding van de eer of goede naam van de benadeelde partij. [35] Daarbij neem ik in de eerste plaats in aanmerking dat de kwalificatie van het bewezenverklaarde als ‘belediging’ reeds meebrengt dat de benadeelde partij in zijn eer en goede naam is aangetast. [36] Verder is van belang dat het hof met zijn overweging dat de benadeelde partij de schade voldoende aannemelijk heeft gemaakt, kennelijk het oog heeft gehad op de door de verdediging niet bestreden feiten en omstandigheden die de benadeelde partij blijkens het schadevergoedingsformulier aan de vordering ten grondslag heeft gelegd. Daarin wordt onder meer gewezen op het vernederende karakter van het bewezenverklaarde.
6.9
Aldus is het hof er kennelijk vanuit gegaan dat de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, zodat de vordering tot immateriële schadevergoeding op grond van art. 6:106 onder Pro b BW toewijsbaar was. Dat oordeel is – mede gelet op het gebrek aan betwisting in hoger beroep – toereikend gemotiveerd.
6.1
Het middel faalt.
Het zesde middel
6.11
Het zesde middel klaagt over de schending van de inzendtermijn.
6.12
Op 31 december 2024 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De inzendtermijn bedraagt in dit geval zes maanden, omdat de verdachte zich ten tijde van het instellen van cassatie in voorlopige hechtenis bevond. De stukken van het geding zijn op 7 oktober 2025 ingekomen, zodat de inzendtermijn inderdaad is overschreden.
6.13
Daarnaast merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 16 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat ook in dit opzicht inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM Pro neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht.
6.14
In aanmerking genomen dat aan de verdachte slechts de maatregel van terbeschikkingstelling is opgelegd, kan de Hoge Raad volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [37]

7.Slotsom

7.1
Het eerste, tweede, derde en vijfde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het vierde middel faalt eveneens. Het zesde middel is terecht voorgesteld.
7.2
Naast hetgeen ik hiervoor onder 6.13 heb opgemerkt over de overschrijding van de redelijke termijn, heb ik ambtshalve geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het ontbreken van (een gedeelte van) de pleitnota levert volgens vast jurisprudentie van de Hoge Raad een verzuim op dat “
2.HR 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:731, rov. 2.3. Zie ook de voorafgaande conclusie van AG Aben, ECLI:NL:PHR:2024:609, randnr. 5.
3.HR 26 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5776, rov. 3.7.
4.Ik begrijp: art. 6:4 van Pro de Wvggz.
5.HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985,
6.Zie bijvoorbeeld art. 139 lid 1 Sr Pro, art. 177 lid 1 Sr Pro, art. 179 Sr Pro, art. 180 Sr Pro, art. 254 lid 1 onder Pro b onder 1° Sr, art. 267 lid 1 onder Pro 2° Sr, art. 328ter lid 1 Sr en art. 363 lid 1 Sr Pro.
7.Zie nader H.A. Demeersseman,
8.HR 30 januari 1911, W 9149, p. 6.
9.Zie bijvoorbeeld HR 5 november 1934, W 12877, p. 3. Ook een bureelambtenaar die namens de gemeente zorg droeg voor de uitvoering van werken “ten aanzien waarvan de verhouding van den Staat tot
10.HR 28 februari 1921, ECLI:NL:HR:1921:103,
11.HR 2 november 1925, ELCI:NL:HR:1925:59,
12.HR 1 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:AB7900,
13.HR 30 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0179,
14.HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2599, rov. 4.6.
15.HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2599, rov. 4.8.
16.Sikkema 2005, p. 36.
17.HR 17 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:32, rov. 2.3.3.
18.T.K. van Roomen & E. Sikkema,
19.Sikkema 2005, p. 36-37.
20.Sikkema 2005, p. 39.
21.Zie bijvoorbeeld HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6793, rov. 2.2, waarin het hof aan de hand van het besluit van de gemeente tot oprichting van de B.V. en de toepasselijke regelgeving ingaat op de vraag of de werkzaamheden van die privaatrechtelijke rechtspersoon kunnen worden aangemerkt als overheidstaken. Zie ook HR 1 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:AB7900,
22.Sikkema 2005, p. 39.
23.Vgl. HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2599, rov. 4.6.
24.Sikkema 2005, p. 39.
25.HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2599, rov. 4.8.
26.HR 7 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7743, rov. 3.5.
27.Vgl. HR 17 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:32, rov. 2.4.2, waarin voor de Hoge Raad in dit verband ook bepalend is dat gemeenten de aandeelhouder waren van de naamloze vennootschap en dat ook de organisatiestructuur zodanig was dat het functioneren van het bedrijf in overwegende mate werd beïnvloed door publiekrechtelijke lichamen.
28.HR 7 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7743, rov. 3.5.
29.Sikkema 2005, p. 39.
30.Sikkema 2005, p. 40. Zie ook Van Roomen & Sikkema 2016, p. 48-49.
31.Van een politieagent zou bijvoorbeeld geconcludeerd kunnen worden dat hij een ‘ambtenaar’ is omdat hij “
32.Zie bijvoorbeeld HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:33,
33.Zie o.a. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465,
34.Zie bijvoorbeeld HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1956, rov. 2.4.2; HR 1 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1042, rov. 3.4.
35.Vgl. de conclusie van AG Spronken ECLI:NL:PHR:2025:1216, randnr. 4.8. Daarin komt zij ook tot het oordeel dat het hof er klaarblijkelijk vanuit is gegaan dat de benadeelde partij door het spugen in zijn eer of goede naam is geschaad, ondanks dat het hof niet expliciet die rechtsgrond uit art. 6:106 BW Pro noemt en uit de overwegingen van het hof zelfs zou kunnen worden afgeleid dat de toewijzing op een andere in art. 6:106 BW Pro genoemde rechtsgrond is gebaseerd. De Hoge Raad deed de zaak af met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende, verkorte motivering. HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:44.
36.Vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796,
37.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.1.3.