Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 oktober 2023. De verdachte, geboren in 1979, was aangeklaagd voor belediging van een ambtenaar werkzaam bij de parketpolitie, door deze in het gezicht te spugen, wat valt onder artikel 266.1 jo. 267.1.2 van het Wetboek van Strafrecht. De vordering van de benadeelde partij betrof immateriële schade, zoals geregeld in artikel 6:106.b van het Burgerlijk Wetboek. De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld, ingediend door de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, en geconcludeerd dat de klachten over de uitspraak van het hof niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken had geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft ambtshalve de uitspraak van het hof beoordeeld en vastgesteld dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, is overschreden. Dit was het geval omdat er meer dan twee jaren waren verstreken na het instellen van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat, gezien de opgelegde gevangenisstraf van een week, de overschrijding van de redelijke termijn geen verdere rechtsgevolgen met zich meebracht. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen.