ECLI:NL:HR:2026:44

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
23/04297
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 266 SrArt. 267 SrArt. 6:106 BWArt. 81 ROArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep verworpen in zaak belediging ambtenaar en overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor het beledigen van een ambtenaar door hem in het gezicht te spugen. De verdachte stelde het cassatieberoep in, maar de Hoge Raad heeft dit beroep verworpen. De advocaat-generaal had eveneens geconcludeerd tot verwerping.

De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld, maar vond deze onvoldoende om het arrest van het hof te vernietigen. Daarbij was het niet nodig om inhoudelijk op de rechtsvragen in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het beroep. Gezien de korte opgelegde gevangenisstraf van een week achtte de Hoge Raad het niet nodig om aan deze overschrijding een ander rechtsgevolg te verbinden.

De Hoge Raad heeft het beroep van verdachte derhalve verworpen en het arrest van het gerechtshof in stand gelaten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opgelegde gevangenisstraf van een week blijft gehandhaafd ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04297
Datum20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 oktober 2023, nummer 23-002628-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van een week volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 januari 2026.