ECLI:NL:HR:2026:44

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
23/04297
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belediging van ambtenaar werkzaam bij parketpolitie door hem in gezicht te spugen

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 oktober 2023. De verdachte, geboren in 1979, was aangeklaagd voor belediging van een ambtenaar werkzaam bij de parketpolitie, door deze in het gezicht te spugen, wat valt onder artikel 266.1 jo. 267.1.2 van het Wetboek van Strafrecht. De vordering van de benadeelde partij betrof immateriële schade, zoals geregeld in artikel 6:106.b van het Burgerlijk Wetboek. De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld, ingediend door de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, en geconcludeerd dat de klachten over de uitspraak van het hof niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken had geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad heeft ambtshalve de uitspraak van het hof beoordeeld en vastgesteld dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, is overschreden. Dit was het geval omdat er meer dan twee jaren waren verstreken na het instellen van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat, gezien de opgelegde gevangenisstraf van een week, de overschrijding van de redelijke termijn geen verdere rechtsgevolgen met zich meebracht. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04297
Datum20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 oktober 2023, nummer 23-002628-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van een week volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 januari 2026.