ECLI:NL:PHR:2025:1216
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gedeeltelijke toewijzing immateriële schadevergoeding wegens spugen in gezicht ambtenaar
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor mishandeling en subsidiair eenvoudige belediging van een ambtenaar, waarbij hij tijdens de corona-pandemie in het gezicht van de parketwacht spuugde. Het hof kende aan de benadeelde partij een immateriële schadevergoeding toe wegens de aantasting van zijn persoon.
De advocaat-generaal stelde cassatie in tegen de gedeeltelijke toewijzing van deze schadevergoeding, stellende dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat sprake was van een aantasting van de persoon 'op andere wijze' zoals bedoeld in art. 6:106 BW Pro. De Hoge Raad overwoog dat het hof de schadevergoeding ook op grond van aantasting van de eer of goede naam van de benadeelde kon toewijzen, hetgeen voldoende rechtsgrond bood.
Het hof baseerde zich op verklaringen van betrokken opsporingsambtenaren en het proces-verbaal, waarin het spugen als grievend en beledigend werd omschreven. De benadeelde ervoer het spugen als vernederend en respectloos, mede vanwege de corona-pandemie en de angst voor besmetting.
Hoewel de motivering van het hof over de aantasting van de persoon 'op andere wijze' niet volledig begrijpelijk was, leidde dit niet tot cassatie omdat het hof ook aannam dat de benadeelde in zijn eer was geschaad. De Hoge Raad constateerde een overschrijding van de redelijke termijn, maar zag geen aanleiding tot vernietiging van het arrest.
De conclusie van de procureur-generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee de uitspraak van het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt de gedeeltelijke toewijzing van immateriële schadevergoeding wegens spugen in het gezicht van een ambtenaar.