ECLI:NL:HR:2009:BJ6793
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Begrip ambtenaar in strafrechtelijke zin bij directeur van overheidsvennootschap
In deze zaak stond de vraag centraal of de verdachte, directeur van [A] B.V., als ambtenaar in de zin van art. 363 Wetboek Pro van Strafrecht kon worden beschouwd. Het hof had vastgesteld dat de kerntaken van [A] B.V. overheidstaken zijn en dat de vennootschap onder toezicht en controle van de gemeentelijke overheid stond. De aandeelhouders, bestaande uit gemeenten, hadden het laatste woord in belangrijke beleidszaken, waaronder de benoeming en het ontslag van de directeur.
De verdachte werd ervan verdacht een gift te hebben aangenomen met het oog op het bevoordelen van een bedrijf, wat strijdig was met zijn plicht als ambtenaar. De verdediging voerde aan dat hij geen ambtenaar was, maar het hof verwierp dit verweer op grond van een autonome uitleg van het begrip ambtenaar in de artikelen 362 en 363 Sr, waarbij het doel van de strafbepaling – het tegengaan van corruptie en bevorderen van integer overheidshandelen – leidend is.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de directeur van [A] B.V. ambtenaar was in de zin van art. 363 Sr Pro, mede gelet op het feit dat de vennootschap overheidstaken vervult en onder toezicht staat van de overheid. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en handhaafde het arrest van het hof. Hiermee werd de strafrechtelijke kwalificatie van de verdachte als ambtenaar bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verdachte als directeur van een overheidsvennootschap ambtenaar is in de zin van art. 363 Sr en verwerpt het cassatieberoep.