Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
31 januari 2023.
Hoge Raad
In deze strafzaak werd de verdachte veroordeeld voor belaging van zijn ex-partner en haar nieuwe vriend. Het hof Den Haag kende aan beide benadeelden een immateriële schadevergoeding van €500 toe, vermeerderd met wettelijke rente, maar motiveerde onvoldoende op welke grondslag uit artikel 6:106 BW Pro deze toewijzing was gebaseerd.
De benadeelden hadden hun immateriële schade onderbouwd met verklaringen over de psychische gevolgen van de belaging, waaronder angst, stress en paniekaanvallen. De verdediging betwistte de toewijzing en stelde dat het oogmerk van de verdachte niet gericht was op het toebrengen van emotionele schade zoals vereist volgens artikel 6:106 sub a BW Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de schadevergoeding werd toegekend en op welke wettelijke grondslag. Hierdoor kon de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof voor zover het de immateriële schadevergoeding en de maatregel betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
Het beroep van de verdachte werd voor het overige verworpen. De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 31 januari 2023.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het de immateriële schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel betreft en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.