Conclusie
1.Inleiding
eerste middelkomt op tegen de schriftelijke afwijzing door het hof van het door de verdachte voorafgaand aan de zitting gedane aanhoudingsverzoek en het verzuim om op de terechtzitting op dat aanhoudingsverzoek te beslissen. Het
tweedemiddel behelst de klacht dat het hof de zorg voor een effectieve verdediging zonder meer bij de verdachte heeft gelaten en de verdachte ten onrechte niet heeft ingelicht over de gevolgen van het doen van afstand van zijn recht op rechtsbijstand. Het
vierde middelklaagt dat het oordeel van het hof dat het rechtens geen acht kan slaan op door de verdachte na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting ingediende geschriften, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet zonder meer begrijpelijk is. Het
derde middelkomt op tegen de verwerping door het hof van een beroep op noodweer. [1]
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Het eerste middel
(i) Namens de verdachte is op 31 mei 2021 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie [plaats] , van 20 mei 2021. [2]
voorzitterdeelt mede:
onbepaald’ in de uitspraak naar ‘(on)bepaald’ im het oproep, om hiermee een andere rechtsgevolg of procesgang te weeg te brengen. Nu heeft de collegesamenstelling akkoord gegaan met deze oproep en heeft ambtshalve alnog niets ertegen gedaan, waardoor de onjuistheid van de uitspraak van de wrakingskamer nu daarmee bevestigd wordt. Er is kennelijk sprake van een vooringenomenheid waardoor het OM de AG er vekend mee is en onder dergelijke omstandigheden van wrakingsverbod van mij als rechtszoekende, blijft mij alsnog oproepen voor een valse veroordeling. Er had ten minste aan de Hoge Raad om prejudiciële beslissing moeten worden gevraagd of wr sprake is van een onbepaalde tijd schorsing of van een concreet bepaalde tijd en daarmee dus evident voorzienbaar dat het in december 2023 de zitting zou worden hervat.
Processuele argumenten inzake uitstel en dossier
De onderzoekswensen zijn zodanig van belang voor mijn vrijspraak, dat hierdoor de gehele rechtsverhouding tussen alle partijen definitief en in alle duidelijkheid zal moeten worden rechtgezet om in goede justitie de waarheidsvinding vast te kunnen leggen en richting de strafketen mijn onschuld te bevestigen.
onbepaalde tijddoor het OM mocht worden gewijzigd, tot in de letter en de geest van het arrest van 12 januari 2023, een juridisch onacceptabele term [
(on)bepaalde tijd] en in de Armeense vertaling ook nog wordt bevestigd dat het niet om een kennelijke verschrijving van tussen haakjes betreft, maar ook vertaald staat er als [
bepaalde of een onbepaalde tijd]. Zie bijlage 4.
onbepaalde tijddie niet een bepaalde tijd is die wel als zodanig in uw tussenarrest van 28 juni 2023 in die andere zaak verduidelijkt is.
nietwordt toegewezen. Dit brengt met zich mee dat uw strafzaak – zoals u bekend is – dus morgen, 7 december 2023, zal worden behandeld in het Paleis van Justitie te Leeuwarden. Het aanvangstijdstip van uw zitting is 10:30 uur.”
voorafgaandaan de terechtzitting worden gedaan. Ook in die gevallen dient de rechter op de terechtzitting gemotiveerd op het verzoek te beslissen, zo volgt onder meer uit het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1957. [5] In die zaak had de verdachte voorafgaand aan de zitting in hoger beroep per e-mail verzocht om aanhouding van de zaak, omdat hij vanwege een voedselvergiftiging niet in staat was om op de terechtzitting te verschijnen. Het hof had noch in het proces-verbaal van de terechtzitting (die doorgang vond zonder de verdachte), noch in de bestreden uitspraak een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing opgenomen ten aanzien van het door de verdachte gedane verzoek tot aanhouding. De Hoge Raad casseerde, overwegende:
Het gaat bij deze opmerkingen uitsluitend om verzoeken tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting die verband houden met het in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht, waaronder ook wordt begrepen het recht van de verdachte om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen.” [7]
4.Het tweede middel
Procesverloop
[…]
zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;”
- Art. 47 tweede Pro alinea van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest):
- Art. 48 lid 2 Handvest Pro:
- Art. 9 Richtlijn Pro:
“1. Onverminderd de bij het nationale recht voorgeschreven aanwezigheid of bijstand van een advocaat, zorgen de lidstaten ervoor dat, met betrekking tot afstand van een in de artikelen 3 en 10 bedoeld recht:
b) deze vrijwillig en ondubbelzinnig geschiedt.
(…)
(53) De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de bepalingen van deze richtlijn die met door het EVRM gewaarborgde rechten overeenkomen, worden toegepast in overeenstemming met de bepalingen van het EVRM, zoals deze zijn ontwikkeld in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.”
welde gelegenheid bestaat om afstand te doen van het recht op rechtsbijstand, is die afstand met waarborgen omgeven. Het EHRM heeft zijn jurisprudentie over de mogelijkheid tot het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand in zijn uitspraak van 12 mei 2017, nr. 21980/04 (Simeonovi/Bulgarije) als volgt samengevat:
voluntary), ondubbelzinnig (
in an unequivocal manner), bewust en weloverwogen (
knowing and intelligent) prijsgeeft. Voornoemde vereisten volgen ook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad. In 2009 liet de Hoge Raad zich in de Hoogerheide-zaak uit over de voorwaarden omtrent een rechtsgeldige afstand van het recht op rechtsbijstand, waarbij het in dat geval ging om afstand van rechtsbijstand tijdens de terechtzitting. De Hoge Raad overwoog (met onderstrepingen van mijn hand):
Dat betekent niet dat in de overige gevallen de zorg voor een dergelijke, door art. 6 EVRM Pro vereiste verdediging steeds en zonder meer aan de verdachte kan worden gelaten. Dat geldt
in het bijzonderindien een verdachte ten aanzien van wie de wetgever heeft voorzien in
ambtshalve toevoeging van een raadsman, ervoor kiest om zichzelf te verdedigen en te kennen geeft afstand te willen doen van zijn recht op rechtsbijstand. Dan zal de rechter erop moeten toezien dat door die keuze aan het recht op een eerlijk proces niet wordt tekortgedaan.
In een zodanig geval zal de rechter zich ervan moeten vergewissen dat de afstand van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan. Indien de rechter oordeelt dat daarvan sprake is en hij de keuze van de verdachte respecteert, zal hij tijdens de behandeling van de zaak bijzondere aandacht moeten schenken aan de positie van de verdachte. Dat geldt met name waar het gaat om het verstrekken van informatie die de verdachte voor zijn verdediging behoeft. In dat opzicht kan de verdachte immers tekortkomen omdat hij, anders dan met de regeling van de ambtshalve toevoeging is beoogd, geen bijstand van een rechtsgeleerde raadsman heeft. In dat tekort zal de rechter zoveel als mogelijk dienen te voorzien.” [24]
“De verdachte die afstand wil doen, dient over de gevolgen daarvan te worden ingelicht. In beginsel kan ermee worden volstaan aan de verdachte mede te delen dat hij in geval van afstand niet kan profiteren van rechtsgeleerde bijstand, en dat dit nadelige gevolgen voor hem kan hebben. In beginsel behoeft de verdachte slechts eenmaal, bij gelegenheid van het doen van afstand, op deze gevolgen te worden gewezen.”
“Wat wel verandert ten opzichte van het geldende recht is dat afstand van recht met meer waarborgen is omkleed. Een verdachte die afstand wil doen van zijn recht op bijstand van een raadsman moet op grond van het wetsvoorstel over de gevolgen daarvan worden ingelicht en moet worden meegedeeld dat hij van zijn beslissing tot het doen van afstand terug kan komen. Wanneer deze inlichtingenplicht niet wordt nageleefd kan dit processuele gevolgen hebben. In dat geval is immers sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek waarvan de rechtsgevolgen door de rechter worden bepaald.”
bij gelegenheid van het doen van afstand. Aan de inhoud van de inlichtingenplicht lijken niet al te hoge eisen worden gesteld: voldoende zou zijn om de verdachte mede te delen dat hij in geval van afstand niet kan profiteren van rechtsgeleerde bijstand en dat dit nadelige gevolgen voor hem kan hebben. [27] In het licht van de onder 4.8 en 4.9 weergegeven jurisprudentie geldt daarbij echter ook dat de afstand door de verdachte ‘desbewust’ moet zijn. [28] In die voorwaarde lijkt besloten te liggen dat de verdachte daadwerkelijk begrepen moet kunnen hebben wat de impact is van de afstand van zijn recht op rechtsbijstand. [29] Onder omstandigheden kan dat meebrengen dat de rechter daarover meer toelichting zal moeten geven, zo ligt ook besloten in onderdeel 39 van de preambule van de Richtlijn, inhoudende (met onderstrepingen van mijn hand):
Bij het verstrekken van dergelijke informatie dient rekening te worden gehouden met de specifieke omstandigheden waarin de betrokken verdachten of beklaagden zich bevinden, zoals hun leeftijd en hun mentale en fysieke gesteldheid.”
in het bijzonderin de gevallen waarin de verdachte ten aanzien van wie de wetgever heeft voorzien in de ambtshalve toevoeging van een raadsman, ervoor kiest om zichzelf te verdedigen en te kennen geeft afstand te willen doen van zijn recht op rechtsbijstand. Uit de woorden ‘in het bijzonder’ leid ik af dat de verantwoordelijkheid tot het verzekeren van een effectieve verdediging niet tot die bijzondere situaties is beperkt.
5.Het vierde middel
mogelijkheidis - gezien de gegeven omstandigheden - echter niet afdoende, er dient de juiste
gelegenheidalsnog te worden geboden om een recht als verdediging dat het is, zonder beperkingen te kunnen uitoefenen. De geboden mogelijkheid is toch voor mij persoonlijk te onvoldoende geweest vanwege de externe en interne factoren. Doordat er nog geen uitspraak is gedaan, wil ik mijn verdediging alsnog rondkrijgen.
geheimhouding geschonden: dit is een schending van een rechtsnorm. Op mijn initiatief aangevraagde besloten deel heb ik aan de samenstelling mijn medisch-innerlijke situatie uitgelegd. In haar enige betoog in de openbare deel, heeft de A-G die informatie zonder toestemming openbaar gemaakt via de woorden "bijzondere gesteldheid". Dit is een schending van de vertrouwelijkheid en dit heeft ertoe geleid dat ik mij na haar betoog inhoudelijk niet meer vrij voelde - herleefde wantrouwen - om de schulduitsluitings- en rechtvaardigingsgronden alsnog optimaal te bespreken. De A-G heeft opzettelijk (verkapt tussen de zinnen door) deze nieuwe informatie in openbaarheid gebracht terwijl de wederpartij en het overige publiek niet deelnam aan het besloten deel. In het besloten deel had ik aan de samenstelling medegedeeld dat mijn medisch-innerlijke aspecten gelden op mijn uitlatingen die ik over de toedracht straks gaande de zitting van het incident zal zeggen. Deze lek heb ik dan ook als ontoelaatbaar beleefd, die mijn processtrategie heeft geschaad, die bij mij in verergerde mate tot het innerlijke implosie heeft geleid en mijn verdediging hierdoor is geschaad, doordat ik uit concentratie kwam en geen informatie meer durfde te geven over mijn innerlijke processen aangaande incident rondom draaideur. Nu breng ik dit noodzakelijkerwijs naar voren. Deze schending raakt de zuiverheid van het proces en vraagt om herstel. De art. 6 EVRM Pro is hiermee geschonden. Uw samenstelling heeft alle best gedaan dit te garanderen, het OM heeft dit opzettelijk aangetast.
gelegenheidkrijgen de aspecten van de zaak vrij te bespreken.
. Ik zal daarom vandaag nog u een document toezenden, dat ik deels voornemens was aan de samenstelling ter zitting te overhandigen.Verder was ik door die omstandigheden de 80% van mijn cruciale, de verdenking betreffende pleitpunten (die ik op papier had uitgeschreven - en behalve nietighiedspunten van het vonnis - niet meer in staat was gestructureerd aan te voeren) naar voren te brengen, doordat mijn structuur uit de balans raakte en ik vergat in mijn verdediging dat alsnog aan te voeren vanwege de bovengenoemde omstandigheden. Ik had ook nog bijlagen bij mij ter zitting, die ben ik ook verhinderd te verstrekken.
bij verstek gewezenarrest overwoog het hof in dit bericht geen aanleiding of noodzaak te zien om het onderzoek te heropenen. De Hoge Raad achtte het in deze uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn recht om in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te worden berecht zonder nadere motivering, die ontbrak, onbegrijpelijk, nu het faxbericht een aanwijzing vormde voor het tegendeel. [45]
welaanwezig op de terechtzitting in hoger beroep, en heeft hij daar het woord ter verdediging gevoerd. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de verdachte via een e-mail aan het hof aangegeven nadere stukken te willen overleggen, omdat hij vanwege de aanwezigheid en de houding van de advocaat-generaal en de benadeelde partij ter terechtzitting niet optimaal in staat is geweest zijn verdediging te voeren. De verdachte had, zo schrijft hij, onder meer schulduitsluitings- en rechtvaardigingsgronden willen opvoeren. Het is overigens bij deze aankondiging gebleven; mij is niet gebleken dat de verdachte de stukken daadwerkelijk aan het hof heeft doen toekomen. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het bericht van de verdachte moet worden beschouwd als een verzoek tot heropening van het onderzoek in de zin van art. 346 Sv Pro.
6.Het derde middel
ogenblikkelijke wederrechtelijkeaanranding. Daarbij merk ik op dat uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat de verdachte een duw in zijn rug kreeg van de beveiliger zodat hij het pand zou verlaten, nadat de verdachte (blijkens de gemaakte handgebaren) al meerdere keren was gevraagd om het pand te verlaten, maar aan die verzoeken geen gehoor had gegeven.