ECLI:NL:PHR:2026:591

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
23/05077
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 EVRMArt. 28 SvArt. 28a SvArt. 281 SvArt. 328 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over mishandeling, aanhoudingsverzoek, afstand rechtsbijstand en noodweer

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens mishandeling van een beveiliger door een trap tegen diens knie. Het hof legde een voorwaardelijke taakstraf op. De verdachte stelde cassatie in met vier middelen, die procedurele en inhoudelijke klachten bevatten.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet verplicht was om op het voorafgaande aanhoudingsverzoek van de verdachte te beslissen, omdat dit verzoek niet was gericht op het aanwezigheidsrecht en de verdachte op de terechtzitting is verschenen. Ook is het hof niet tekortgeschoten door de verdachte niet te informeren over de gevolgen van afstand van rechtsbijstand, aangezien de verdachte voorafgaand aan het onderzoek voldoende geïnformeerd was en vrijwillig afstand had gedaan.

Het hof heeft het beroep op noodweer terecht verworpen, omdat de verdachte wisselende verklaringen gaf en de camerabeelden geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding toonden die de mishandeling rechtvaardigden. Het hof mocht na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting geen acht slaan op later toegezonden stukken. De Hoge Raad constateert een overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, maar ziet geen reden tot vernietiging van het arrest.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee de veroordeling in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en de veroordeling wegens mishandeling blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/05077
Zitting16 juni 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 21 december 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnr. 21-002537-21) wegens “mishandeling” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van dertig uren, te vervangen door vijftien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft daarnaast beslist op de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals omschreven in het bestreden arrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik, advocaat in Utrecht, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Het eerste, tweede en vierde middel bevatten procedurele klachten over de behandeling van de strafzaak in hoger beroep. Het
eerste middelkomt op tegen de schriftelijke afwijzing door het hof van het door de verdachte voorafgaand aan de zitting gedane aanhoudingsverzoek en het verzuim om op de terechtzitting op dat aanhoudingsverzoek te beslissen. Het
tweedemiddel behelst de klacht dat het hof de zorg voor een effectieve verdediging zonder meer bij de verdachte heeft gelaten en de verdachte ten onrechte niet heeft ingelicht over de gevolgen van het doen van afstand van zijn recht op rechtsbijstand. Het
vierde middelklaagt dat het oordeel van het hof dat het rechtens geen acht kan slaan op door de verdachte na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting ingediende geschriften, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet zonder meer begrijpelijk is. Het
derde middelkomt op tegen de verwerping door het hof van een beroep op noodweer. [1]

2.Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1
Ten laste van de verdachte is door het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 6 november 2019 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] tegen zijn knie te trappen.”
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van bevindingen met bijlage, pagina’s 1046 -1080, zakelijk weergegeven inhoudende:
Als relaas van [verbalisant 1] :
Op 24 december 2019 bekeek ik camerabeelden waarop het strafbare feit mishandeling te zien is. Hiervan heb ik screenshots gemaakt. Zie bijlage.
Bijlage:
Proces-verbaal van bevindingen, registratienummer 2019338892 (pagina 1047).
Ik, [verbalisant 1] , bekeek op 24 december 2019 camerabeelden, gemaakt door de gemeente [plaats] , waarbij door mij het volgende is bevonden:
Aanleiding:
Volgens de aangifte zou op woensdag 6 november 2019 een beveiliger van de gemeente [plaats] mishandeld zijn en werd hij belemmerd in het uitvoeren van zijn werkzaamheden.
Uit de beelden van de bewakingscamera’s bleek dat er opnamen waren gemaakt van:
• de vermoedelijke verdachte
• de vermoedelijke plaats van het gepleegde misdrijf, dan wel van de directe
omgeving
hiervan.
Waarnemingen:
De opnamen zijn in kleur geregistreerd en de plaats van de camera is gericht op
locatie.
Op de beelden van de camera is te zien dat de beelden zijn opgenomen op dag, datum en tijdstip.
Bestanden:
Op de betreffende beeldendrager zijn de navolgende bestanden door mij aangetroffen en bekeken (Hof: en van een omschrijving voorzien):
Tijdstip: 11.06.58 uur.
Omschrijving: Door de handbewegingen van de beveiligers lijkt het erop alsof ze meerdere keren vragen om het pand te verlaten. Na enkele keren wijzen naar de uitgang en dit te negeren krijgt de man een duw van een beveiliger in zijn rug zodat hij het pand zou gaan verlaten.
Tijdstip: 11.07.00 uur
Omschrijving: De man maakt een trappende beweging richting de beveiligers.
Tijdstip: 11.07.01 uur
Omschrijving: De beveiliging duwt de man naar buiten.
Proces-verbaal van bevindingen, registratienummer 2019338892 (pagina 1054).
Wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , bekeken op 4 oktober 2020 de volgende camerabeelden. De camerabeelden zijn door de gemeente [plaats] beschikbaar gesteld.
Bestandsnaam : 192.168.20.190 04 191106110006 3000.n3r:
Tijd: 11.07.00 uur
Omschrijving: Op de bewegende beelden is duidelijker te zien dat de verdachte met kracht een trappende beweging maakt in de richting van de benen van beveiliger 3.
Tijd: 11.07.01 uur
Omschrijving: Goed te zien is hoe verdachte achterover leunt. Tevens is goed zichtbaar dat beveiliger 3 zijn been intrekt nadat hij is geraakt door de voet van de verdachte.
Bestandsnaam : 192.168.20.190 01 191106110006 3000.n3r:
Tijd: 11.07.00 uur
Omschrijving: Verdachte leunt achterover en maakt een krachtige beweging met zijn onderlijf.
Op het voorgaande beeldmateriaal is te zien dat verdachte een trappende beweging maakt. Hierbij is beveiliger 3 geraakt tegen zijn knie.
2. Een proces-verbaal van aangifte, pagina’s 1000-1003, zakelijk weergegeven inhoudende:
Als verklaring van [slachtoffer] op 12 november 2019:
Ik ben beveiliger bij de [A] , een beveiligingsbedrijf. Ik word door mijn bedrijf op verschillende locaties uitgezet voor mijn werkzaamheden, zo ook voor de gemeente [plaats] .
Op woensdag 6 november 2019 omstreeks 11:00 uur is er in het gemeentehuis aan [a-straat 1] te [plaats] een incident geweest. Het incident is uiteindelijk verplaatst naar de centrale hal van de gemeente en daar ben ik heen gegaan om te kijken wat er aan de hand was. Ik trof daar [betrokkene 1] , de gastheer, aan en [betrokkene 2] , beveiliger van de [A] . Ik zag en hoorde een man die samen met zijn moeder flink tekeer ging tegen [betrokkene 2] . Die man was aan het schreeuwen en tieren, hij bleef flink tekeer gaan. De man is door de collega’s meerdere keren verzocht het stadhuis te verlaten. Daar is geen gehoor aan gegeven en de man bleef eigenlijk gewoon agressief verbaal tegen mij en de overige collega’s. Ik ben mij er op gegeven moment fysiek mee gaan bemoeien. Ik heb die meneer aangesproken en gevraagd om gewoon naar buiten te gaan. Hij reageerde niet echt op mijn verzoek en bleef schreeuwen en was qua houding niet van plan om het pand te verlaten. Ik heb hem bij de rug begeleid met mijn hand om hem netjes via de voorkant van het pand te laten verlaten.
Ik heb op een gegeven moment de man toch richting de draaideur van de gemeente gekregen om hem buiten het pand te krijgen. De draaideur waar we stonden stopte en daardoor was er nog een relatief kleine doorgang naar buiten. De man stond nog net aan de binnenkant van het stadhuis en gaf mij op gegeven moment een keiharde trap tegen mijn knie. Ik weet niet met welke voet of been hij mij trapte maar ik werd hard geraakt op mijn linker knie. Ik voelde zeker dat ik hard geraakt werd op mijn knie. De man heeft mij hard tegen de knie getrapt en daar heb ik nog steeds last van. Mijn knie kraakt en knakt nog steeds door de harde trap tegen mijn knie.
3. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina’s 1031-1032, zakelijk weergegeven inhoudende:
Als verklaring van [betrokkene 3] op 20 september 2020:
Eind vorig jaar was er een incident in het stadhuis van [plaats] . Ik kan mij de situatie nog goed herinneren. Ik was die dag in dienst als beveiliger van het stadhuis in [plaats] . Ik kreeg toen een melding dat een collega in de hal van het stadhuis assistentie nodig had. Toen ik daar aan kwam met mijn collega [slachtoffer] probeerden wij het gesprek aan te gaan met een meneer die in discussie was met een collega beveiliger. De man was samen met een vrouw, ik vermoed zijn moeder. Deze man was niet voor rede vatbaar waarna wij hem hebben verzocht het stadhuis te verlaten. Toen de man in de draaideur stond, gaf hij uit het niets een trap tegen de knie van mijn collega [slachtoffer] .
4. De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van het hof op 7 december 2023, zakelijk weergegeven inhoudende:
Ik heb op 6 november 2019 in het gemeentehuis in [plaats] een voetbeweging gemaakt.”
2.3
Over het bewijs heeft het hof voorts overwogen:
“Het hof overweegt dat verdachte aangever hard tegen de knie heeft getrapt. Het hof is van oordeel dat gelet op deze handelswijze verdachte hem opzettelijk letsel heeft toegebracht. Het alternatieve scenario van verdachte, inhoudende dat hij met zijn voet of been enkel de sensor van het tourniquet wilde activeren, acht het hof niet aannemelijk geworden.”

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel komt op tegen de schriftelijke afwijzing door het hof van het door de verdachte gedane aanhoudingsverzoek en het verzuim om op de terechtzitting op dat verzoek te beslissen.
3.2
Uit de op de voet van art. 434 lid 1 Sv Pro aan de griffie van de Hoge Raad toegezonden stukken volgt over het procesverloop in hoger beroep onder meer het volgende:
(i) Namens de verdachte is op 31 mei 2021 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie [plaats] , van 20 mei 2021. [2]
(ii) Op de (eerste) terechtzitting van het hof van 12 januari 2023 heeft het hof het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst. Over het procesverloop in hoger beroep tot aan de zitting van 12 januari 2023 houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in:
“De
voorzitterdeelt mede:
De inhoudelijke behandeling van deze zaak stond gepland voor 31 augustus 2022. Voorafgaand aan die zitting heeft verdachte een wrakingsverzoek ingediend jegens mr. [betrokkene 4] en mr. [betrokkene 5] . De zaak is daarom niet behandeld op 31 augustus 2022. Op 30 september 2022 is het wrakingsverzoek afgewezen. Vervolgens is de zaak gepland op de zitting van vandaag. Voorafgaand aan deze zitting heeft verdachte meerdere e-mails gestuurd aan het hof. Het hof heeft één van deze e-mails aangemerkt als een verzoek tot aanhouding en het hof heeft dit verzoek gehonoreerd. Aan verdachte is op 6 januari 2023 per e-mail medegedeeld dat de zaak op voorhand zal worden aangehouden. Het hof heeft vervolgens op 11 januari 2023 een wrakingsverzoek jegens mr. [betrokkene 4] en mr. [betrokkene 6] ontvangen.
In de onderhavige zaak is geprobeerd de dagvaarding uit te reiken op 3 januari 2023. Uit de aantekeningen op de akte van uitreiking blijkt dat verdachte de brief wel heeft gelezen, maar heeft geweigerd deze in ontvangst te nemen.”
(iii) Op 21 oktober 2023 is de verdachte ex art. 320 jo Pro. 415 Sv opgeroepen voor de terechtzitting van het hof van 7 december 2023. [3]
(iv) De verdachte heeft op 1 december 2023 een e-mail verstuurd naar de strafgriffie van het hof, met daarin onder meer een verzoek tot aanhouding van zijn zaak. Dit bericht houdt na aanhef en inleiding in:
“Graag verzoek ik u /uw strafgriffie om een bevestiging van de mails, zoals ook deze. Doordat 7 december 2023 nadert, zonder een reactie vanuit de samenstelling, dien ik via u als griffiemedewerker hiermee een aanhoudingsverzoek in. De redenen zijn verschillend, bijvoorbeeld dat er sprake is van schorsing van onbepaalde tijd dat is beslist op 12 januari 2023. Het OM heeft hiertegen geen bezwaar, cassatie o.i.d. aangetekend. Vervolgens in het oproep van 16 oktober 2023, bij mij aan de deur bezorgd door interdepartementale postdienst op 21 oktober 2023, staat het woord (on)bepaalde tijd schorsing van de zitting. Juridisch is dit een ongeldige oproep, doordat de uitspraak van 12 januari 2023 daarin onjuist wordt geciteerd, met als een gevolg dat dit gevolgen heeft op rechtsinterpretatie en rechtstoepassing, o.a. via de procesregels. Vooral heb ik moeite met de omstandigheden waarin daardoor mijn rechtszekerheid is komen te verkeren. Ik heb mijn vertrouwen in de voortgang van het strafproces als zodanig op gebaseerd. Dit heeft gevolgen voor mijn dossiervoorbereiding gehad, dit is gepauzeerd en kan niet plotseling per 21 oktober jl. worden gestart alsof het niets zou zijn. Verder leeft bij mij privacygerelateerde vragen over de feitelijke gang van zaken ter voorgenomen zitting, m.b.t. aanwezigen, de vakse aangever, het horen van de getuigen, het aanwijzen van de deskundigen en nog veel meer. Ik heb nog geen enkel camerabeeldmateriaal kunnen beoordelen of die op echtheid originaliteit objectief laten beoordelen. De wederpartij van de valse aangever heeft geen advocaat ingesteld, terwijl ik ernstige bezwaren heb tegen de persoon en zijn valse aangifte van deze persoon die mij heeft mishandeld, en nadien verwurgd. Er dient dan ook te worden overwogen dat er sprake is van een nietige veroordeling, o.a. vanwege onjuistheden in stempelvonnis en strafmaat t.a.v. de mondelinge uitspraak 1e aanleg. Deze zaken moeten aandacht krijgen.
Ik heb niet de indruk dat vanaf juni 2022 de samenstelling of het gerechtsbestuur/ sectievoorzitter zich zorgen heeft gemaakt over de kwaliteitseisen rondom dit proces. Verder is het onmogelijk om het wantrouwen te overwinnen dat ik alsnog objectief ervaar jegens die samenstelling (n.v.t. op mr. [betrokkene 10] ). Het is niet efficiënt om de rechtspraak te belasten met een zitting waar ik mijn vrijspraak niet kan pleiten vanwege de samenstelling en het feit dat mijn berichten sinds 31 oktober 2023 hieromtrent niet beantwoord worden. Puur proces-technisch heb ik hiertoe zuiver de tijd voor nodig om de juridische aspecten aan te voeren, het maatwerk-college moet dan samengesteld zijn om zonder vooringenomenheid oor en wil te hebben voor mijn vrijspraak-strategie (wrakingskamers hebben feitelijk niet bewezen dat er geen vooringenomenheid bestond of mijn vrees hiertoe objectief onvoldoende zou zijn), en al andere redenen die hebben geleid tot verergering van mijn ontevredenheid en wantrouw jegens de organisatie van de rechterlijke macht, waardoor nu een aanhouding noodzakelijk is. Het is onjuist dat ik de procesgang zou hebben vertraagd (laatste uitspraak wrakingskamer is onjuist) door steeds te wraken. Ik heb geen misbruik gemaakt van mijn wrakingsrecht. Doordat de wrakingskamer mij valselijk heeft beticht van misbruik wrakingsrecht, is een rechtstreeks gevolg daarvan het grove misbruik door het OM van vervalsen van het dikgedrukt woord ‘
onbepaald’ in de uitspraak naar ‘(on)bepaald’ im het oproep, om hiermee een andere rechtsgevolg of procesgang te weeg te brengen. Nu heeft de collegesamenstelling akkoord gegaan met deze oproep en heeft ambtshalve alnog niets ertegen gedaan, waardoor de onjuistheid van de uitspraak van de wrakingskamer nu daarmee bevestigd wordt. Er is kennelijk sprake van een vooringenomenheid waardoor het OM de AG er vekend mee is en onder dergelijke omstandigheden van wrakingsverbod van mij als rechtszoekende, blijft mij alsnog oproepen voor een valse veroordeling. Er had ten minste aan de Hoge Raad om prejudiciële beslissing moeten worden gevraagd of wr sprake is van een onbepaalde tijd schorsing of van een concreet bepaalde tijd en daarmee dus evident voorzienbaar dat het in december 2023 de zitting zou worden hervat.
Ik heb nog vele (rechts)filosofische constateringen hieromtrent, maar ik verzoek u om de aanhouding wat ik heb gemotiveerd. Voorgaande mails als herhaald en ingelast te beschouwen. Alvast bedankt.
Met vriendelijke groet,
[verdachte] ”
(v) De verdachte heeft op 5 december 2023 opnieuw een e-mail gestuurd aan de strafgriffie van het hof, onder meer inhoudende:

Processuele argumenten inzake uitstel en dossier
Opnieuw en nogmaals doe ik dringend oproep aan u om de zaak aan te houden. Uw wijze van reageren veroorzaakt zorgen ten aanzien van mijn rechtsbelangen. Ook verzoek ik u om in goede justitie dit schrijven te beoordelen, duidelijk de omstandigheden kenbaar te maken en de zittingsdatum van 7 december 2023 te verplaatsen zodat ik vervolgens aan het dossier kan werken. Ik verzoek u om alvast rekening te houden met mijn verzoek om de zitting aan te houden voor het aanvoeren van de gronden en ik zal u t.z.t. de onderzoekswensen doen toekomen.
De onderzoekswensen zijn zodanig van belang voor mijn vrijspraak, dat hierdoor de gehele rechtsverhouding tussen alle partijen definitief en in alle duidelijkheid zal moeten worden rechtgezet om in goede justitie de waarheidsvinding vast te kunnen leggen en richting de strafketen mijn onschuld te bevestigen.
Hiertoe wil ik u verzoeken alle dossierstukken (stills in kleur) aan mij te overhandigen, inclusief alle camerabeelden. Mijn verdediging en de vrijspraak wordt hierdoor belet. Uw Hof weet al dat ik steeds om hoge kwaliteit en zuiverheid ten aanzien van mijn zaken verzoek. Dit is met voor niets, en hoewel uw Hof mij te vaak heeft teleurgesteld, mijn wantrouwen is ontstaan bij de beslissing om vervolging en bij de beslissing om sepot van de vervolging inzake levensdelict/ verwurging via nekklem op mij die zich hier als “benadeelde partij” heeft gevoegd. U heeft geen idee wat het betekent om langdurig als onschuldig veroordeelde door het leven te gaan, terwijl een strafrechtelijk onderzoek mijn naturalisatieprocedure en de startup activiteiten al jarenlang verstoort.
[…]
Tegen deze achtergrond voer ik nu aan dat de oproeping van 16 oktober 2023 om op 7 december te verschijnen, een procesgang is in een opjagend tijdnood. Het arrest van 12 januari 2023 had het OM moeten aanvechten, terwijl het OM daarin letterlijk is berust. Deze constatering leidt rechtstreekst naar een integrale vrijspraak toe.
Hieruit volgt dat u als college mijn argumenten terstond had kunnen begrijpen, die ik sinds 31 oktober 2023 herhaal, terwijl de oproep van 16 oktober 2023 aan mij werd bezorgd op 21 oktober 2023. Sinds 31 oktober 2023 heerst bij mij opnieuw een heftige wantrouwen, onbegrip en onvrede hoe uw Hof dan ambtshalve niet heeft ingegrepen, maar is kunnen blijven aanvaarden dat in de oproep de dikgedrukt term
onbepaalde tijddoor het OM mocht worden gewijzigd, tot in de letter en de geest van het arrest van 12 januari 2023, een juridisch onacceptabele term [
(on)bepaalde tijd] en in de Armeense vertaling ook nog wordt bevestigd dat het niet om een kennelijke verschrijving van tussen haakjes betreft, maar ook vertaald staat er als [
bepaalde of een onbepaalde tijd]. Zie bijlage 4.
Vast staat dat het gaat om een schorsing voor letterlijk ONBEPAALDE tijd en dit heeft bij mij gerechtvaardigd het vertrouwen gewekt dat ik vanaf 27 januari 2023 na ontvangst van dit arrest, niet eens een hint heb kunnen ontdekken dat ik in oktober halsoverkop zal worden opgeroepen. Zoals in uw eigen bovengenoemde tussenuitspraak van 28 juni 2023 het staat, heeft u daarbij ook nog heel duidelijk aangegeven binnen welke termijn een oproeping redelijkerwijs te verwachten valt. Het arrest van 12 januari 2023 bevat deze bepaling niet, dus de zitting van 7 december is een voorbedachte inbreuk in mijn procesrechten. Deze onrechtmatige oproeping dient dan ook te resulteren in een volkomen integrale en zuivere vrijspraak.
Deze akte van oproeping bevat dan ook evident een component aan valsheid in geschrifte en is hiermee dan ook per definitie een nietige oproeping. Een Hof kan zo een fundamentele wijziging of gedenatureerde citaat vanuit een gerechtelijk arrest niet als rechtmatig blijven bestempelen. In mijn eerdere mails heb ik ook aangekaart dat er geen recht tot oproeping bestaat, tenzij tegen dat tussenarrest van 12 januari 2023 in cassatie zou zijn gegaan of prejudiciële vragen zou zijn gesteld. Dit is een jaar lang niet gedaan. Een dergelijk oproep kan het arrest d.d. 12 januari 2023 niet openbreken.
In tegenstelling tot uw afwijzing van mijn uitstelverzoek, kan ik wel aanvoeren dat ik per mail d.d. 6 maart 2023 (bijlage 2) aan uw Hof heb verzocht de datum duidelijk te communiceren wanneer er de behandeling zal worden aangevangen. Ik heb hierop geen reactie meer ontvangen. Hieruit geconcludeerd, dat ik in mijn rechtszekerheid en verdediging ben aangetast en het vertrouwen mag hebben in de beslissing waarin door een maatwerk-college is bepaald dat er voor onbepaalde tijd geen behandeling plaatsvindt. Dit duidt op een ondubbelzinnige
onbepaalde tijddie niet een bepaalde tijd is die wel als zodanig in uw tussenarrest van 28 juni 2023 in die andere zaak verduidelijkt is.
[…]
De persoonlijke omstandigheden ook als oorzaak aanhoudingsverzoek
Uw Hof heb ik in de wrakingskamers en in andere zaken van art. 12 Kamer Pro uitgelegd dat er uitval voorkomt vanwege medische precaire situaties van mijn moeder en i.i.g. bij mij sprake is van zodanig een heftige druk en stress als mantelzorger, waardoor het van mij niet gevergd kan worden fysiek en vooral mentaal, meerder procedures te voeren met gerechtelijk instanties die mijn procesbelangen via dossierterreur opzettelijk schaden. Zodanig een terreur dat opzettelijk bedoeld is om mij uit te putten door onevenredige belasting. Voor een goede procesvoering moet ik een privacyproof pdf-abonnement nemen om losse documenten te kunnen samenvoegen. Dit is voor mij een kostenpost die ik in een zekere tijd aan procesonzekerheid niet kan permitteren als onbetaalde mantelzorger om jaarabonnement aan te sluiten. Dit is ten minste €300,- en dus ook hierdoor zijn mijn dossiers niet samengevoegd en gecomprimeerd.
U heeft er geen idee hoe overbelast ik ben (gemoedsrust of slaapritme daargelaten) en hoe heftig deze zaakaspecten voor mij een blokkade opleveren – in combinatie met de volkomen holle ruimte aan galmende geluiden vanuit uw Hof wanneer ik probeer orde op zaken te krijgen. Uw Hof is absoluut middeleeuws in de omgang met de belangen van de rechtzoekende, vooral slachtoffer en verdachte in één, vooral in mijn persoonlijke omstandigheden. Dit moet het Hof echt moderniseren. Indien u er zou verschijnen bij de wrakingskamers, dan had u het kunnen begrijpen dat een door u als raadsheren verkeerd, onduidelijk en kortaf uitgesproken teksten onzorgvuldig zijn en ook vooringenomenheid uitstraalden die mijn rechtszekerheid rechtstreeks objectiveerbaar beïnvloedt.
U heeft er geen idee hoeveel leed aan ons is toegebracht door de valse aangifte door de zich als “benadeelde partij” presenterende misbruiker van zijn beveiligersuniform en van de rechtsregels van deze rechtstaat waar het doen van aangifte voor levensdelicten verplicht is en voor het overige een recht is, dat pas ingezet mag worden wanneer de aangever daadwerkelijk en objectief zich tot een benadeelde mag rekenen zonder valse voorwendselen. U heeft geen idee hoeveel uitputting mijn lichaam meemaakt wanneer ik aan deze valse aangever en de hele zaak denk. U heeft geen enkel idee wat het met mij doet, los van het feit dat ik er sinds 2019 de naturalisatieprocedure niet in staat ben te starten, om na een lange tijd van procespauze weer aan deze zaak te denken. Daarom heeft u ook geen enkel idee, waarom ik al sinds 2021 in uw Hof, vanwege de communicatie door uw Hof, bijzonder teleurgesteld ben geraakt, doordat uw Hof opzettelijk in alle facetten van de werkwijze, te werk gaat met een duidelijke psychologie van vergeldingstoepassing en ruwe benadeling van mijn cruciale rechtsbelangen. Een Hof mag in de procesvoering geen enkele vergelding toepassen doordat er een verdachte zonder advocaat er tegenover staat. Uw Hof heeft geen enkele grond of recht om mij enigerlei wijze te misleiden in mijn procesrechten, zowel door weigeringen dossierstukken ofwel door opzettelijk chaotische en zeer onduidelijke communicatie. Nuc wij er al sinds 2021 elkaar van dichtbij kennen, aangaande de wrakingsverzoeken en andere communicatie met de strafkamer, is het bijzonder gek dat uw Hof mij oproept om op 7 december 2023 te verschijnen, zonder dat uw college even op papier opsomt in welke fase de zaak is gestopt en wat er toen speelde m.b.t. het dossier. Mijn laatste verzoek tot aanhouding doe ik dan ook in angst en beven, doordat ik deze vrees al eerder heb ervaren vanwege de omstandigheden waarin te verwachten was dat ik in verstek zal worden veroordeeld. U kunt u niet afwijzen door er louter naar de uitnodiging ter zitting te verwijzen. Uw afwijzing van de aanhouding is niet verifieerbaar en ook niet ondertekend. Het is daarom geen procesbeslissing, en uw reactie tot afwijzing aanhoudingsverzoek is daarom onduidelijk. Van een rechtscollege verwacht ik ten minste een motivering.
Mijn rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel
In deze zaak heeft u aan mij een tot verdachte gemaakte onschuldig veroordeelde in eerste aanleg, ten gevolge van een nietige vonnis politierechter, zonder Nederlandse nationaliteit, wel met onbepaalde tijd verblijfsvergunning, Dit laatste feit lijkt mijn rechtspositie als procesdeelnemer eerder te onderwerpen aan verwaarlozing en i.c.m. het gebrek aan bereidwillige topadvocatuur om als raadsman voor mijn belangen integer op te treden, doet uw Hof het voorkomen mijn rechtsbelangen en rechtszekerheid zodanig onzorgvuldig te coördineren, dat hierdoor ik feitelijk en langdurig mijzelf in meerdere manieren en klachten of verzoeken blijf herhalen en erop hameren dat ik concreet in die omstandigheden de gelegenheid wil krijgen de zaken op een voor mij veilige manier aan te voeren. Dit wordt onvoldoende gehoord, alles raakt in vergetelheid door de werkwijze van uw Hof. In meerdere vormen ervan heb ik wantrouwen en vertrouwenskwesties jegens uw Hof ervaren en dit is alsnog gaande. Dit wantrouwen volgt direct uit uw werkwijze en de onwil om mijn slachtofferrechten te erkennen. Uw Hof is niet gastvrij in het proces waarin ik om cruciale dossierstukken en camerabeelden vraag en die niet ontvang. De communicatie met de verschillende Kamers en de overduidelijke partijdigheid aan de “benadeelde partij” raakt mij enorm en onbeschrijflijk pijnlijk. Verder is het onomstotelijk bewijsbaar en inmiddels duidelijk uit het dossier dat ik (en mijn moeder) slachtoffers zijn van aanval en (zware) mishandeling en verwurging via nekklem door de valse aangever, in deze zaak zich als “benadeelde partij” presenterende gelegenheidsprofiteur om er een alibi te hebben via het doen van een aangifte rechtvaardigingsgrond te creëren voor het inzetten van de verwurging via nekklem en veel meer.
Met vriendelijke groet,
[verdachte] ”
(vi) Bij e-mail van 6 december 2023 heeft het hof het door de verdachte gedane aanhoudingsverzoek als volgt afgewezen:
“Uw mail van gisteren (met bijlage) is in goede orde ontvangen. Namens de voorzitter van de meervoudige kamer laat ik u weten dat uw hernieuwde verzoek tot een aanhouding
nietwordt toegewezen. Dit brengt met zich mee dat uw strafzaak – zoals u bekend is – dus morgen, 7 december 2023, zal worden behandeld in het Paleis van Justitie te Leeuwarden. Het aanvangstijdstip van uw zitting is 10:30 uur.”
(vii) De verdachte heeft op 6 december 2023 als volgt op deze mail gereageerd:
“Geachte Strafgriffie,
Wilt u aan de samenstelling laten weten dat als dit er voorligt, geen probleem, morgen ben ik er om 10:30”
(viii) Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 7 december 2023 is de verdachte op de terechtzitting verschenen zonder bijstand van een raadsman. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat (de afwijzing van) het schriftelijke aanhoudingsverzoek op die zitting nader aan bod is gekomen.
Bespreking van het eerste middel
3.3
Het eerste middel valt uiteen in twee deelklachten. In de eerste deelklacht voert de steller van het middel aan dat het voorafgaand aan de zitting gedane aanhoudingsverzoek van de verdachte moet worden opgevat als een verzoek in de zin van art. 328 jo Pro. 331 Sv strekkende tot toepassing van art. 281 Sv Pro, waarop het hof ter terechtzitting een gemotiveerde beslissing had moeten nemen.
3.4
Art. 281 lid 1 Sv Pro houdt in dat de rechter de schorsing van het onderzoek kan bevelen (voor bepaalde of onbepaalde tijd), indien het belang van het onderzoek dit vordert. Een verzoek tot uitstel van de behandeling van de zaak kan worden gedaan door de verdachte (art. 328 Sv Pro), of door een gemachtigde advocaat (art. 279 lid 1 Sv Pro jo. art. 331 Sv Pro). Overeenkomstig art. 329 Sv Pro wordt beslist op een dergelijk verzoek nadat het openbaar ministerie daaromtrent is gehoord. Art. 330 Sv Pro houdt in dat de weigering van de rechter of het verzuim om op een dergelijk verzoek te beslissen, nietigheid ten gevolge heeft. Uit de plaatsing van voornoemde artikelen in Titel VI (Behandeling van de zaak door de rechtbank), Eerste afdeling (Onderzoek op de terechtzitting), volgt dat deze bepalingen in beginsel betrekking hebben op verzoeken die worden gedaan op de terechtzitting. [4] Op de voet van art. 415 lid 1 Sv Pro zijn voornoemde bepalingen ook van toepassing op de behandeling van de zaak in hoger beroep.
3.5
Een verzoek tot aanhouding van de zaak kan door de verdachte of een gemachtigde advocaat ook
voorafgaandaan de terechtzitting worden gedaan. Ook in die gevallen dient de rechter op de terechtzitting gemotiveerd op het verzoek te beslissen, zo volgt onder meer uit het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1957. [5] In die zaak had de verdachte voorafgaand aan de zitting in hoger beroep per e-mail verzocht om aanhouding van de zaak, omdat hij vanwege een voedselvergiftiging niet in staat was om op de terechtzitting te verschijnen. Het hof had noch in het proces-verbaal van de terechtzitting (die doorgang vond zonder de verdachte), noch in de bestreden uitspraak een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing opgenomen ten aanzien van het door de verdachte gedane verzoek tot aanhouding. De Hoge Raad casseerde, overwegende:
“2.3.1. Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan ter terechtzitting worden gedaan door de verdachte of diens op de voet van art. 279 Sv Pro gemachtigde raadsman. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de ter terechtzitting niet-verschenen verdachte, kan ter terechtzitting een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in art. 279, eerste lid, Sv bedoelde machtiging. Overeenkomstig art. 329 en Pro 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daaromtrent is gehoord.
2.3.2.
Indien het verzoek om aanhouding reeds voorafgaande aan de terechtzitting wordt gedaan, kan om praktische redenen door (de voorzitter van) het gerecht eveneens voorafgaande aan de terechtzitting aan degene die om aanhouding verzoekt, worden kenbaar gemaakt hoe het voorlopige oordeel van het gerecht omtrent het verzoek luidt. De uiteindelijke beslissing dient evenwel steeds ter terechtzitting te worden genomen en in het proces-verbaal van die terechtzitting te worden vastgelegd.” [6]
3.6
De hiervoor weergegeven overwegingen van de Hoge Raad vinden hun oorsprong in het op diezelfde datum gewezen overzichtsarrest over de beoordeling van aanhoudingsverzoeken (ECLI:NL:HR:2018:1934), waarop de steller van het middel zich beroept. Uit het overzichtsarrest volgt dat deze jurisprudentie – die ook aanwijzingen geeft over de wijze waarop de rechter het verzoek inhoudelijk dient te beoordelen – enkel betrekking heeft op aanhoudingsverzoeken die op de voet van art. 328 of Pro 331 Sv zijn gedaan met het oog op de uitoefening van het aanwezigheidsrecht, waaronder ook het recht van de verdachte wordt begrepen om zich in zijn afwezigheid te laten verdedigen door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman. De Hoge Raad overweegt in de eerste alinea van de “aan de beoordeling van het eerste middel voorafgaande opmerkingen” (met onderstrepingen van mijn hand):
“De verdachte heeft ingevolge het Wetboek van Strafvordering het recht de rechter te (doen) verzoeken de behandeling van zijn zaak aan te houden wegens zijn verhindering of de verhindering van zijn raadsman bij de behandeling aanwezig te zijn. Nu dergelijke verzoeken in de praktijk vaak worden gedaan, vindt de Hoge Raad het nuttig om aan de hand van zijn eerdere rechtspraak enkele algemene opmerkingen te maken over de wijze waarop deze verzoeken dienen te worden onderbouwd en door de rechter te worden beoordeeld.
Het gaat bij deze opmerkingen uitsluitend om verzoeken tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting die verband houden met het in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht, waaronder ook wordt begrepen het recht van de verdachte om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen.” [7]
3.7
Anders dan in de strafzaak die centraal stond in HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1957, is aan het aanhoudingsverzoek in de onderhavige zaak niet de effectuering van het aanwezigheidsrecht [8] ten grondslag gelegd. De e-mailberichten van de verdachte – die voor een belangrijk deel betrekking hebben op klachten over/wantrouwen jegens het hof en het openbaar ministerie – houden onder meer in dat de verdachte onderzoekswensen wil formuleren (de verdachte geeft aan onder meer de camerabeelden van het incident te willen bekijken) en dat hij meer tijd wil voor de voorbereiding van zijn verdediging.
3.8
Voor zover het middel betoogt dat het kader van art. 328 jo Pro. 331 Sv, in verbinding met art. 281 Sv Pro van toepassing is op de verzoeken van de verdachte voorafgaand aan de zitting, faalt het, gelet op het hiervoor overwogene; de uitoefening van het aanwezigheidsrecht vormde niet de achtergrond van het aanhoudingsverzoek, en de verdachte is op de terechtzitting verschenen om daar zijn verdediging te voeren.
3.9
Nu de verdachte op de terechtzitting is verschenen, had het op zijn weg gelegen om de gronden die hij in zijn e-mailberichten aan de aanhoudingsverzoeken ten grondslag heeft gelegd, onder andere inhoudende het verzoek om de camerabeelden van het incident te bekijken, op de terechtzitting te herhalen. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 december 2023 zijn dergelijke verzoeken door de verdachte niet gedaan. Anders dan de steller van het middel in de tweede deelklacht betoogt, zie ik niet in hoe deze omstandigheid – waarin de verdachte niet (opnieuw) de camerabeelden heeft kunnen bekijken – een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro oplevert. Daarbij is van belang dat een omschrijving van de camerabeelden, vervat in een proces-verbaal van bevindingen, onderdeel uitmaakt van het dossier, dat de verdachte de camerabeelden van het incident tijdens zijn verhoor op het politiebureau heeft bekeken, almede op de terechtzitting van de rechtbank van 20 mei 2021, in aanwezigheid van zijn (toenmalige) raadsman. Na het vertonen van de camerabeelden op die zitting zijn de raadsman en de verdachte in de gelegenheid gesteld tot overleg, waarna verweer kon worden gevoerd (mede op grond van hetgeen is waargenomen op de camerabeelden). Van het onthouden van toegang tot (ontlastend) bewijsmateriaal aan de verdachte is dan ook geen sprake.
3.1
De tweede deelklacht faalt eveneens, zodat het eerste middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel behelst de klacht dat het hof de zorg voor een effectieve verdediging zonder meer bij de verdachte heeft gelaten en de verdachte ten onrechte niet heeft ingelicht over de gevolgen van het doen van afstand van zijn recht op rechtsbijstand.
4.2
Deze klachten hangen samen met de verantwoordelijkheid die aan de rechter toekomt met het oog op het verzekeren van een effectieve verdediging, en de waarborgen (en verantwoordelijkheden voor de rechter) omtrent het rechtsgeldig doen van afstand van het recht op rechtsbijstand door de verdachte. Hieronder geef ik – na kort het procesverloop met betrekking tot de rechtsbijstand te hebben geschetst – de belangrijkste bepalingen over deze thematiek weer, alsmede enige uitwerking daarvan in de jurisprudentie. Het juridisch kader spits ik toe op de waarborgen omtrent (het doen van afstand van) het recht op rechtsbijstand na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, nu de verdachte in de onderhavige zaak in de opsporingsfase werd bijgestaan door een raadsman. Daarbij besteed ik in het bijzonder aandacht aan de verantwoordelijkheden die in dit kader toekomen aan de zittingsrechter.
Procesverloop
4.3
Met betrekking tot de rechtsbijstand aan de verdachte gedurende het proces in eerste aanleg en in hoger beroep kan uit de aan de griffie van de Hoge Raad toegezonden stukken het volgende worden afgeleid:
(i) Tijdens de terechtzittingen bij de rechtbank van 2 februari 2021 en 20 mei 2021 werd de verdachte bijgestaan door zijn raadsman, mr. [betrokkene 7] . [9]
(ii) Op 31 mei 2021 heeft mr. [betrokkene 8] zich gesteld als opvolgend raadsman van zijn kantoorgenoot mr. [betrokkene 7] . Op diezelfde datum is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het veroordelende vonnis van de rechtbank van 20 mei 2021.
(iii) Op 29 juli 2021 heeft mr. [betrokkene 8] het hof bericht dat hij zich heeft onttrokken als raadsman van de verdachte. Daartoe geeft hij als reden op: “ [verdachte] wenst niet langer gebruik te maken van mijn rechtsbijstand.” [10]
(iv) Op de terechtzitting in hoger beroep van 12 januari 2023 is noch de verdachte, noch een gemachtigde raadsman verschenen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat aan de verdachte op 6 januari 2023 per e-mail is medegedeeld dat de zaak op voorhand zal worden aangehouden. [11]
(v) Op de terechtzitting in hoger beroep van 7 december 2023, waarop de zaak inhoudelijk is behandeld, is de verdachte verschenen zonder bijstand van een raadsman. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat de verdachte gedurende die zitting op twee momenten iets heeft opgemerkt over zijn voormalige raadsman(nen), inhoudende:
“Die informatie werd pas bekend nadat ik mijn advocaat tuchtrechtelijk had aangesproken.”
“Verder was het optreden van mijn advocaat in eerste aanleg zodanig dat het bijdroeg aan het verkeerd informeren van de rechtbank. Hij riep namens mij dingen die konden leiden tot een veroordeling. Daardoor heeft de rechter zich verkeerd gepositioneerd. Deze vorm van optreden raakt het nemo-teneturbeginsel.”
Uit het proces-verbaal blijkt niet dat door het hof expliciete aandacht is besteed aan het recht van de verdachte om zich bij de behandeling van de zaak te laten bijstaan door een raadsman, dan wel aan de gevolgen van het doen van afstand daarvan.
Relevante bepalingen
4.4
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- Art. 6 lid 3 aanhef Pro en onder c van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in de Nederlandse vertaling:
“Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
[…]
zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;”
- Art. 47 tweede Pro alinea van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest):
“Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.”
- Art. 48 lid 2 Handvest Pro:
“Aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd.”
- Art. 3 lid 1 van Pro de Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (hierna: Richtlijn): [12]
“De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden recht hebben op toegang tot een advocaat, op een zodanig moment en op zodanige wijze dat de betrokken personen hun rechten van verdediging in de praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen.”
- Art. 9 Richtlijn Pro:
“1. Onverminderd de bij het nationale recht voorgeschreven aanwezigheid of bijstand van een advocaat, zorgen de lidstaten ervoor dat, met betrekking tot afstand van een in de artikelen 3 en 10 bedoeld recht:
a) de verdachte of beklaagde mondeling of schriftelijk duidelijke en toereikende informatie in eenvoudige en begrijpelijke bewoordingen is gegeven over de inhoud van het betrokken recht en over de mogelijke gevolgen van het afstand doen daarvan, en
b) deze vrijwillig en ondubbelzinnig geschiedt.
2. De afstand, die schriftelijk of mondeling kan geschieden, wordt geregistreerd, alsmede de omstandigheden waaronder de afstand is gedaan door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat deze afstand later op elk moment tijdens de strafprocedure door de verdachte of de beklaagde kan worden herroepen en dat de verdachte of beklaagde van die mogelijkheid op de hoogte gebracht wordt. Dergelijke herroeping van de afstand wordt van kracht vanaf het moment waarop zij heeft plaatsgevonden.”
- De preambule van de Richtlijn houdt onder meer in:
“(39) De verdachten of beklaagden moeten de mogelijkheid hebben om afstand te doen van een uit hoofde van deze richtlijn verleend recht, op voorwaarde dat hun informatie is gegeven om met kennis van zaken te oordelen over de inhoud van het betrokken recht en de mogelijke gevolgen van een afstand van dat recht. Bij het verstrekken van dergelijke informatie dient rekening te worden gehouden met de specifieke omstandigheden waarin de betrokken verdachten of beklaagden zich bevinden, zoals hun leeftijd en hun mentale en fysieke gesteldheid.
(…)
(53) De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de bepalingen van deze richtlijn die met door het EVRM gewaarborgde rechten overeenkomen, worden toegepast in overeenstemming met de bepalingen van het EVRM, zoals deze zijn ontwikkeld in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.”
- Art. 28 lid 1 Sv Pro:
“De verdachte heeft het recht om zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, te doen bijstaan door een raadsman.”
- Art. 28a Sv:
“1. De verdachte kan vrijwillig en ondubbelzinnig afstand doen van het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 28, eerste lid, tenzij in dit wetboek anders is bepaald.
2. Wanneer de rechter of opsporingsambtenaar blijkt dat de verdachte de in het eerste lid bedoelde afstand van recht wil doen, licht deze hem in over de gevolgen daarvan en deelt deze hem mee dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. Hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt.”
Afstand van rechtsbijstand na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting
4.5
Uit onder meer art. 6 lid 3 aanhef Pro en onder c EVRM en art. 28 Sv Pro [13] volgt het recht van de verdachte om zich te laten bijstaan door een raadsman. Dit recht geldt gedurende de gehele strafprocedure, waaronder dus het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en (eventueel) in hoger beroep. [14] Het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) en het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HVJ EU) beschouwen effectieve rechtsbijstand als een van de meest fundamentele onderdelen (basisbeginselen) van een eerlijk proces. [15]
4.6
Het staat de verdachte in beginsel eveneens vrij om zijn verdediging zelf te voeren. [16] In een aantal situaties voorziet het Wetboek van Strafvordering in de ambtshalve toevoeging van een raadsman. Dit betreffen situaties waarin de verdachte – kort gezegd – van zijn vrijheid is beroofd. [17] Voor minderjarige verdachten is niet altijd vrijheidsberoving vereist. [18] Zij komen ook in aanmerking voor ambtshalve toevoeging als sprake is van vervolging wegens een strafbaar feit waarvan de rechtbank in eerste aanleg kennisneemt. [19]
4.7
De verdachte kan – ook wanneer een raadsman is aangewezen – afstand doen van zijn recht op rechtsbijstand. [20] De mogelijkheid daartoe is sinds 2017 neergelegd in het hiervoor weergegeven art. 28a lid 1 Sv, dat een implementatie betreft van art. 9 lid 1 Richtlijn Pro. [21] Het eerste lid van deze bepaling houdt in dat de afstand ‘vrijwillig’ en ‘ondubbelzinnig’ moet worden gedaan. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van rechtsbijstand tegen de wil van de verdachte, met uitzondering van enkele bijzondere gevallen. Voor afstand van het recht op rechtsbijstand is geen plaats wanneer de verdachte de leeftijd van zestien jaren niet heeft bereikt (art. 502 lid 1 Sv Pro), of wanneer sprake is van de berechting van een verdachte bij wie een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap wordt vermoed, ten gevolge waarvan hij niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen (art. 509a in verbinding met art. 509d lid 3 Sv). [22]
4.8
In de gevallen waarin
welde gelegenheid bestaat om afstand te doen van het recht op rechtsbijstand, is die afstand met waarborgen omgeven. Het EHRM heeft zijn jurisprudentie over de mogelijkheid tot het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand in zijn uitspraak van 12 mei 2017, nr. 21980/04 (Simeonovi/Bulgarije) als volgt samengevat:
“The Court reiterates that neither the letter nor the spirit of Article 6 of the Convention prevents a person from waiving of his own free will, either expressly or tacitly, the entitlement to the guarantees of a fair trial. That also applies to the right to legal assistance (see, among other authorities, Dvorski, cited above, §§ 100 and 101, and Sakhnovskiy v. Russia [GC], no. 21272/03, § 90, 2 November 2010). However, if it is to be effective for Convention purposes, such a waiver must be established in an unequivocal manner and be attended by minimum safeguards commensurate to its importance. Such a waiver need not be explicit, but it must be voluntary and constitute a knowing and intelligent relinquishment of a right (see Pishchalnikov v. Russia, no. 7025/04, § 77, 24 September 2009, and paragraph 119 below). Before an accused can be said to have implicitly, through his conduct, waived an important right under Article 6, it must be shown that he could reasonably have foreseen what the consequences of his conduct would be (Pishchalnikov, cited above, § 77 in fine). Moreover, the waiver must not run counter to any important public interest (see Håkansson and Sturesson v. Sweden, 21 February 1990, § 66, Series A no. 171-A, and Sejdovic v. Italy [GC], no. 56581/00, § 86, ECHR 2006II).”
4.9
Het EHRM vereist blijkens de hierboven weergegeven passages dat de verdachte het recht op rechtsbijstand vrijwillig (
voluntary), ondubbelzinnig (
in an unequivocal manner), bewust en weloverwogen (
knowing and intelligent) prijsgeeft. Voornoemde vereisten volgen ook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad. In 2009 liet de Hoge Raad zich in de Hoogerheide-zaak uit over de voorwaarden omtrent een rechtsgeldige afstand van het recht op rechtsbijstand, waarbij het in dat geval ging om afstand van rechtsbijstand tijdens de terechtzitting. De Hoge Raad overwoog (met onderstrepingen van mijn hand):
“3.4. Met die bijzondere regelingen [23] is beoogd om verdachten die niet in staat moeten worden geacht hun positie in het strafproces te bepalen, te verzekeren van een effectieve verdediging.
Dat betekent niet dat in de overige gevallen de zorg voor een dergelijke, door art. 6 EVRM Pro vereiste verdediging steeds en zonder meer aan de verdachte kan worden gelaten. Dat geldt
in het bijzonderindien een verdachte ten aanzien van wie de wetgever heeft voorzien in
ambtshalve toevoeging van een raadsman, ervoor kiest om zichzelf te verdedigen en te kennen geeft afstand te willen doen van zijn recht op rechtsbijstand. Dan zal de rechter erop moeten toezien dat door die keuze aan het recht op een eerlijk proces niet wordt tekortgedaan.
In een zodanig geval zal de rechter zich ervan moeten vergewissen dat de afstand van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan. Indien de rechter oordeelt dat daarvan sprake is en hij de keuze van de verdachte respecteert, zal hij tijdens de behandeling van de zaak bijzondere aandacht moeten schenken aan de positie van de verdachte. Dat geldt met name waar het gaat om het verstrekken van informatie die de verdachte voor zijn verdediging behoeft. In dat opzicht kan de verdachte immers tekortkomen omdat hij, anders dan met de regeling van de ambtshalve toevoeging is beoogd, geen bijstand van een rechtsgeleerde raadsman heeft. In dat tekort zal de rechter zoveel als mogelijk dienen te voorzien.” [24]
Inlichtingenplicht van de rechter en rechtsgevolgen bij verzuim
4.1
Uit de onder 4.8 en 4.9 weergegeven jurisprudentie volgt dat de afstand naast ‘vrijwillig’ en ‘ondubbelzinnig’ ook ‘desbewust’ moet zijn gedaan. [25] Ten aanzien van deze laatste waarborg ligt er een bijzondere taak voor de rechter: art. 28a lid 2 Sv houdt in dat wanneer de rechter (of opsporingsambtenaar) blijkt dat de verdachte de in het eerste lid bedoelde afstand van recht wil doen, hij hem inlicht over de gevolgen daarvan en mededeelt dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. Van deze verschafte inlichtingen dient proces-verbaal te worden opgemaakt.
4.11
Aanwijzingen over de omvang van deze inlichtingenplicht zijn te vinden in de parlementaire stukken bij de invoering van de Wet van 17 november 2016 houdende implementatie van richtlijn nr. 2013/48/EU [26] , waarmee ook art. 28a Sv werd ingevoerd:
Kamerstukken II2014/15, 34157, nr. 3, p. 39-40
“De verdachte die afstand wil doen, dient over de gevolgen daarvan te worden ingelicht. In beginsel kan ermee worden volstaan aan de verdachte mede te delen dat hij in geval van afstand niet kan profiteren van rechtsgeleerde bijstand, en dat dit nadelige gevolgen voor hem kan hebben. In beginsel behoeft de verdachte slechts eenmaal, bij gelegenheid van het doen van afstand, op deze gevolgen te worden gewezen.”
Kamerstukken II2015/16, 34157, nr. 6, p. 29.
“Wat wel verandert ten opzichte van het geldende recht is dat afstand van recht met meer waarborgen is omkleed. Een verdachte die afstand wil doen van zijn recht op bijstand van een raadsman moet op grond van het wetsvoorstel over de gevolgen daarvan worden ingelicht en moet worden meegedeeld dat hij van zijn beslissing tot het doen van afstand terug kan komen. Wanneer deze inlichtingenplicht niet wordt nageleefd kan dit processuele gevolgen hebben. In dat geval is immers sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek waarvan de rechtsgevolgen door de rechter worden bepaald.”
4.12
Uit de tekst van de wet gelezen in samenhang met de eerste hiervoor weergegeven passage volgt dat de rechter de inlichtingen over de gevolgen van het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand en de mogelijkheid om daarop terug te komen, moet doen
bij gelegenheid van het doen van afstand. Aan de inhoud van de inlichtingenplicht lijken niet al te hoge eisen worden gesteld: voldoende zou zijn om de verdachte mede te delen dat hij in geval van afstand niet kan profiteren van rechtsgeleerde bijstand en dat dit nadelige gevolgen voor hem kan hebben. [27] In het licht van de onder 4.8 en 4.9 weergegeven jurisprudentie geldt daarbij echter ook dat de afstand door de verdachte ‘desbewust’ moet zijn. [28] In die voorwaarde lijkt besloten te liggen dat de verdachte daadwerkelijk begrepen moet kunnen hebben wat de impact is van de afstand van zijn recht op rechtsbijstand. [29] Onder omstandigheden kan dat meebrengen dat de rechter daarover meer toelichting zal moeten geven, zo ligt ook besloten in onderdeel 39 van de preambule van de Richtlijn, inhoudende (met onderstrepingen van mijn hand):
“De verdachten of beklaagden moeten de mogelijkheid hebben om afstand te doen van een uit hoofde van deze richtlijn verleend recht, op voorwaarde dat hun informatie is gegeven om met kennis van zaken te oordelen over de inhoud van het betrokken recht en de mogelijke gevolgen van een afstand van dat recht.
Bij het verstrekken van dergelijke informatie dient rekening te worden gehouden met de specifieke omstandigheden waarin de betrokken verdachten of beklaagden zich bevinden, zoals hun leeftijd en hun mentale en fysieke gesteldheid.”
4.13
Uit de tweede onder 4.12 weergegeven passage, afkomstig uit de Nota naar aanleiding van het Verslag, volgt dat het niet naleven van de in art. 28a lid 2 Sv neergelegde verplichtingen een vormverzuim oplevert, waaraan door de rechter rechtsgevolgen kunnen worden verbonden. Dit volgt ook uit het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2020, dat onder meer inhoudt:
“De verdachte kan afstand doen van het recht op rechtsbijstand. In die mogelijkheid is voorzien in art. 9, eerste lid, Richtlijn en – sinds 1 maart 2017 – in art. 28a, eerste lid, Sv. Van rechtsgeldige afstand van rechtsbijstand is sprake indien die afstand vrijwillig en ondubbelzinnig wordt gedaan.
De in de art. 28a, tweede lid, Sv – of voor zover het de periode 26 november 2017 tot 1 maart 2017 betreft: art. 9, eerste en derde lid, Richtlijn – neergelegde verplichtingen beogen de verdachte nader te informeren over zijn rechtspositie indien hij afstand doet van het recht op rechtsbijstand. Indien het verweer wordt gevoerd dat deze verplichtingen niet zijn nageleefd, moet de rechter, indien hij vaststelt dat zo’n verzuim heeft plaatsgevonden, beoordelen of daaraan enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal in zo een geval immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd.” [30]
4.14
In de rechtspraak van de Hoge Raad over vormverzuimen in het vooronderzoek die betrekking hebben op het recht op rechtsbijstand zijn ter bepaling van het aan het verzuim (eventueel) te verbinden rechtsgevolg twee categorieën te onderscheiden. In de eerste categorie leidt het vormverzuim – na een daartoe strekkend verweer – in de regel tot bewijsuitsluiting, ter waarborging van het recht op een eerlijk proces. [31] In dit verband kan worden gewezen op de rechtspraak over schending van het recht op rechtsbijstand voorafgaand aan het politieverhoor [32] , meer in het bijzonder de niet-naleving van de plicht om aan de verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor mededeling te doen over het recht om zich te laten bijstaan door een raadsman. [33] In dit laatste geval kan bewijsuitsluiting achterwege blijven indien de verdachte door het achterwege blijven van deze mededeling niet in zijn verdediging is geschaad.
4.15
In de tweede categorie is bewijsuitsluiting niet zonder meer aangewezen, maar dient de rechter een nadere afweging te maken in het licht van de drie in art. 359a lid 2 Sv genoemde factoren, zijnde het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. [34] Ik begrijp het onder 4.13 weergegeven arrest van de Hoge Raad zo dat een schending van de inlichtingenplicht in de zin van art. 28a lid 2 Sv in het vooronderzoek (dus door de opsporingsambtenaar) een verzuim oplevert dat naar de maatstaven van de tweede categorie moet worden beoordeeld. [35]
4.16
Het niet voldoen aan de inlichtingenplicht door de rechter levert echter geen vormverzuim in het vooronderzoek op en valt dus niet onder het bereik van art. 359a Sv. Het is de vraag welk rechtsgevolg daaraan dan wel dient te worden verbonden. De wet bevat geen sanctie; van een formele nietigheid die ingevolge art. 431 Sv Pro tot vernietiging van het bestreden arrest moet leiden is dus geen sprake. Voor de beantwoording van de vraag wat wel het gevolg moet zijn, lijkt mij van belang dat de Hoge Raad in het hiervoor genoemde arrest van 18 februari 2020 een schending van de inlichtingenplicht in het vooronderzoek niet schaart in de categorie van zaken waarin met het oog op de verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro een rechtsgevolg wordt aangewezen dat (in de regel) dient te worden toegepast (vgl. randnummer 4.14) . Daarvoor dient een nadere afweging te worden gemaakt (zie randnummer 4.15). In zaken als de onderhavige, waarin het verzuim door de rechter in hoger beroep is begaan, [36] dient mijns inziens in die afweging onder meer te worden betrokken in hoeverre de verdachte in zijn belang is geschonden door het verzuim.
Bespreking van het middel
4.17
Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Vastgesteld kan worden dat de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 7 december 2023, waarop de zaak inhoudelijk is behandeld, niet werd bijgestaan door een raadsman, en dat uit het proces-verbaal van deze zitting niet blijkt dat het hof aandacht heeft besteed aan het feit dat de verdachte zonder bijstand van een raadsman is verschenen. Dit heeft bij de steller van het middel aanleiding gegeven tot de formulering van twee klachten. De eerste van deze klachten houdt in dat het hof in strijd met de eisen die art. 6 EVRM Pro aan de strafprocedure stelt, de verantwoordelijkheid voor een effectieve verdediging zonder meer aan de verdachte heeft gelaten, terwijl de verdachte niet in staat was zijn procespositie te bepalen.
4.18
Bij de beoordeling van deze eerste deelklacht stel ik voorop dat in deze zaak geen sprake was van een situatie waarin (ambtshalve) toevoeging van een raadsman verplicht was. [37] Ook geeft het dossier geen aanwijzing dat toepassing had moeten worden gegeven aan een bijzondere regeling, bijvoorbeeld omdat bij de verdachte een zodanige gebrekkige ontwikkeling in of ziekelijke stoornis van de geestvermogens werd vermoed, dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen. [38]
4.19
Uit het arrest van de Hoge Raad in de Hoogerheide-zaak leidt de steller van het middel af dat de verplichting tot waarborging van een effectieve verdediging niet beperkt is tot de gevallen waarin op grond van de wet aan de verdachte ambtshalve een raadsman is aangewezen. Op dit punt kan ik de steller van het middel volgen: de Hoge Raad overweegt immers dat de zorg voor een door art. 6 EVRM Pro vereiste effectieve verdediging niet zonder meer aan de verdachte kan worden gelaten,
in het bijzonderin de gevallen waarin de verdachte ten aanzien van wie de wetgever heeft voorzien in de ambtshalve toevoeging van een raadsman, ervoor kiest om zichzelf te verdedigen en te kennen geeft afstand te willen doen van zijn recht op rechtsbijstand. Uit de woorden ‘in het bijzonder’ leid ik af dat de verantwoordelijkheid tot het verzekeren van een effectieve verdediging niet tot die bijzondere situaties is beperkt.
4.2
Ter onderbouwing van het standpunt dat de verdachte in de onderhavige zaak niet in staat was zijn procespositie te bepalen wijst de steller van het middel op de opmerking van de verdachte (naar aanleiding van de aanwezigheid van de parketpolitie in de zaal) dat hij ‘in deze situatie buiten zijn comfortzone is en dat dit niet de juiste positie is voor een procespartij’, op de opmerking van de verdachte dat hij niemand kan vinden die voor hem medische stukken wil aanleveren, [39] en de stelling van de verdachte in zijn e-mail aan het hof van 5 december 2023, dat sprake is van een “gebrek aan bereidwillige topadvocatuur om als raadsman voor mijn belangen integer op te treden”.
4.21
Dat het hof uit voornoemde omstandigheden niet heeft afgeleid dat de verdachte niet in staat was om zijn procespositie te bepalen, dan wel – zoals in de schriftuur eveneens wordt gesuggereerd – niet in staat is geweest om een raadsman te vinden, vind ik niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat de verdachte in eerste aanleg werd bijgestaan door een raadsman, maar daarvan zelf afstand heeft gedaan (zie randnummer 4.3 onder (iii)). Dat de verdachte afstand heeft gedaan van rechtsbijstand, wordt overigens in cassatie niet betwist. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 december 2023 en de uitspraak van het hof van 21 december 2023 leid ik bovendien af dat het hof alert is geweest op de rechtspositie van de verdachte. Zo heeft het hof de verdachte de gelegenheid gegeven om zich te beraden op aan te voeren medische gronden, heeft de verdachte op zijn verzoek de gelegenheid gekregen achter gesloten deuren een verzoek te doen, en heeft het hof in de beantwoording van vragen van de voorzitter door de verdachte, en in zijn gevoerde verweren, een beroep op een schulduitsluitingsgrond en een rechtvaardigingsgrond gelezen, waarop het hof gemotiveerd heeft gerespondeerd.
4.22
De eerste deelklacht faalt.
4.23
De steller van het middel klaagt daarnaast dat de rechter in strijd met art. 28a lid 2 Sv de verdachte – toen deze verscheen zonder raadsman – niet heeft medegedeeld wat de gevolgen zijn van het doen van afstand van zijn recht op rechtsbijstand, en dat hij van deze afstand kan terugkomen.
4.24
Uit het procesverloop zoals weergegeven onder 4.3 blijkt dat de (laatste) raadsman van de verdachte zich kort na het instellen van hoger beroep heeft onttrokken als raadsman, omdat de verdachte niet langer gebruik wenste te maken van zijn bijstand. Van rechtsbijstand nadien is niet gebleken. Omdat de verdachte – wegens een aanhouding op voorhand – niet op de terechtzitting in hoger beroep van 12 januari 2023 was verschenen, was de terechtzitting van 7 december 2023 het eerste moment waarop een rechter aan de verdachte had kunnen en (ingevolge art. 28a lid 2 Sv) moeten mededelen wat de gevolgen zijn van het doen van afstand van rechtsbijstand en dat hij op de beslissing tot het doen van afstand terug kan komen. Uit het proces-verbaal van die terechtzitting blijkt zoals gezegd niet dat dat is gebeurd. Het middel klaagt daarover terecht.
4.25
De steller van het middel meent dat “(g)elet op de gevolgen hiervan – het deelnemen aan zijn eigen strafproces zonder rechtsbijstand –” de schending van art. 28a lid 2 Sv “rechtstreeks een met art. 6 EVRM Pro strijdig strafproces heeft opgeleverd”, wat leidt tot nietigheid van het bestreden arrest. [40]
4.26
Daarin kan ik hem niet volgen. Uit het meergenoemde arrest van 18 februari 2020 leid ik zoals gezegd (randnummer 4.16) af dat voor het antwoord op de vraag of, en zo ja welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan een schending van de inlichtingenplicht een nadere afweging nodig is. Kortom, niet iedere schending heeft even ernstige gevolgen, het hangt (mede) af van de omstandigheden van het geval. De enkele algemene verwijzing naar de ernst van de gevolgen volstaat mijns inziens in dit geval niet. De belangrijkste reden daarvoor is dat in cassatie – ik merkte het al eerder op – niet wordt geklaagd dat de verdachte niet rechtsgeldig afstand heeft gedaan van rechtsbijstand. De klacht in cassatie ziet uitsluitend op de schending van de inlichtingenplicht. Hoe het enkele schenden van de inlichtingenplicht dan toch tot nietigheid van het strafproces in hoger beroep zou moeten leiden, vermag ik zonder nadere toelichting niet in te zien.
4.27
Daar komt, ten overvloede, bij dat kan worden aangenomen dat de verdachte in ieder geval voorafgaand aan het doen van afstand van zijn recht op rechtsbijstand de nodige inlichtingen heeft ontvangen. Een blik over de papieren muur leert dat hij bij gelegenheid van het politieverhoor het informatieblad “U wordt verdachte van een strafbaar feit” uitgereikt heeft gekregen. Hierin staat beschreven wat (in de fase van het vooronderzoek) zijn rechten zijn en wat een advocaat kan betekenen. [41] Bovendien heeft hij bij zijn politieverhoor en ten tijde van de behandeling van de zaak in eerste aanleg rechtsbijstand genoten. Voor zover al moet worden aangenomen dat zijn advocaten hem niet over zijn rechten hebben ingelicht, heeft hij aldus in ieder geval kunnen ondervinden wat een advocaat in die fase voor hem kon betekenen en wist hij dus ook waar hij afstand van deed. Uit de hiervoor in randnummer 4.3 onder (v) weergegeven mededelingen van de verdachte kan overigens worden opgemaakt dat de genoten rechtsbijstand in zijn beleving niet positief heeft gewerkt. Ook vind ik relevant dat het hof steeds oog heeft gehad voor de rechtspositie van de verdachte. Ik verwijs daarvoor naar de bespreking van de eerste deelklacht. In deze gang van zaken kan ik ook ambtshalve moeilijk een nadeel voor de verdachte ontwaren.
4.28
Voor zover al een grondslag zou kunnen worden gevonden voor bewijsuitsluiting zie ik – in weerwil van de schriftuur – om diezelfde redenen evenmin aanleiding voor de conclusie dat voormeld verzuim in ieder geval moet resulteren in het van het bewijs uitsluiten van de verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 7 december 2023. Ook als daartoe wel aanleiding was geweest, zou dat overigens niet tot cassatie hoeven te leiden, nu de bewijsconstructie niet in beslissende mate steunt op deze verklaring, die inhoudt: “Ik heb op 6 november 2019 in het gemeentehuis in [plaats] een voetbeweging gemaakt”. Ook zonder het gebruik van die verklaring is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd, [42] zodat het uitsluiten van dit bewijsmiddel tot vernietiging van het bestreden arrest geen aanleiding geeft.
4.29
De tweede deelklacht faalt, zodat het tweede middel faalt.

5.Het vierde middel

5.1
Het vierde middel komt op tegen het oordeel van het hof dat het rechtens geen acht kan slaan op na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting toegezonden aanvullende standpunten en/of ingediende geschriften.
5.2
Op 7 december 2023 heeft – in aanwezigheid van de verdachte – de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in hoger beroep plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft het hof op die datum het onderzoek gesloten en medegedeeld dat de uitspraak zal plaatsvinden op 21 december 2023.
5.3
Op 14 december 2023 heeft de verdachte een e-mailbericht gestuurd naar het hof, waarin de verdachte bezwaren formuleert tegen de houding van de advocaat-generaal, de benadeelde partij (de verdachte spreekt over ‘de wederpartij’) en overige aanwezigen op de zitting, en toelicht welke invloed dit heeft gehad op zijn verdediging. In de e-mail kondigt de verdachte aan aanvullende stukken te zullen toesturen naar het hof, zodat het hof die stukken in zijn beraadslaging kan betrekken. Het e-mailbericht houdt in (met overname van opmaak):
“Geachte Strafgriffie,
Edelgrootachtbaar college,
Uw samenstelling op de zitting van 7 december jl. is mij achteraf wel geschikt gebleken en van mijn eerbied heeft genoten. Ik wil de samenstelling bedanken voor de geboden mogelijkheid om mijn mondelinge toelichtingen in hoger beroep te doen. Er is echter een groot probleem. Deze
mogelijkheidis - gezien de gegeven omstandigheden - echter niet afdoende, er dient de juiste
gelegenheidalsnog te worden geboden om een recht als verdediging dat het is, zonder beperkingen te kunnen uitoefenen. De geboden mogelijkheid is toch voor mij persoonlijk te onvoldoende geweest vanwege de externe en interne factoren. Doordat er nog geen uitspraak is gedaan, wil ik mijn verdediging alsnog rondkrijgen.
De wederpartij heeft mij direct aan het begin uitgelachen op de zitting, terwijl ik in gesprek was met de voorzitter over mijn rechtspositie. Dit heeft mijn innerlijke wereld en het vertrouwen dat imhet proces geen circus is en de verdere vrijheid heftig beperkt om zaaksaspecten van persoonlijke aard aan te kunnen voeren, zoals de privacygevoelige schulduitsluitings- en rechtvaardigingsgronden dat tot in detail daadwerkelijk zijn. Vanaf de eerste aanleg word ik slachtoffer van de persoon en afwijkende proceshouding van deze op geesteszieke en eigenaardige laag IQ wijze zich gemeen misdragende en mijn persoon nietigverklarende, mijn persoon belasterende wederpartij.De wederpartij en/of het OM is ter zitting van 7 december jl. niet ingegaan op de tegenbewijs toen door mij mondeling ingebracht. Tegen mijn innerlijke aspecten van schulduitsluitings- en rechtvaardigingsgronden zal de wederpartij of het OM dan ook niet in kunnen gaan. Daarom bieden deze omstandigheden een mogelijkheid en ik ben voornemens u een document toe te zenden met mijn inbreng die ik van plan was ter zitting aan te voeren, dat door omstandigheden niet is gelukt. Aan uw samenstelling heb ik steeds, ook ter zitting om een tweede zitting verzocht dat niet is begrepen.
Op de zitting van 7 december jl., in strijd met de regels van het besloten deel, is door de A-G de
geheimhouding geschonden: dit is een schending van een rechtsnorm. Op mijn initiatief aangevraagde besloten deel heb ik aan de samenstelling mijn medisch-innerlijke situatie uitgelegd. In haar enige betoog in de openbare deel, heeft de A-G die informatie zonder toestemming openbaar gemaakt via de woorden "bijzondere gesteldheid". Dit is een schending van de vertrouwelijkheid en dit heeft ertoe geleid dat ik mij na haar betoog inhoudelijk niet meer vrij voelde - herleefde wantrouwen - om de schulduitsluitings- en rechtvaardigingsgronden alsnog optimaal te bespreken. De A-G heeft opzettelijk (verkapt tussen de zinnen door) deze nieuwe informatie in openbaarheid gebracht terwijl de wederpartij en het overige publiek niet deelnam aan het besloten deel. In het besloten deel had ik aan de samenstelling medegedeeld dat mijn medisch-innerlijke aspecten gelden op mijn uitlatingen die ik over de toedracht straks gaande de zitting van het incident zal zeggen. Deze lek heb ik dan ook als ontoelaatbaar beleefd, die mijn processtrategie heeft geschaad, die bij mij in verergerde mate tot het innerlijke implosie heeft geleid en mijn verdediging hierdoor is geschaad, doordat ik uit concentratie kwam en geen informatie meer durfde te geven over mijn innerlijke processen aangaande incident rondom draaideur. Nu breng ik dit noodzakelijkerwijs naar voren. Deze schending raakt de zuiverheid van het proces en vraagt om herstel. De art. 6 EVRM Pro is hiermee geschonden. Uw samenstelling heeft alle best gedaan dit te garanderen, het OM heeft dit opzettelijk aangetast.
De analyse van de persoon van de wederpartij als een onlosmakelijk deel van het incident moet ik onverhinderd kunnen voeren. Op de zitting van 7 december 2023 gebeurde veel met mij op innerlijk niveau door de heftige druk en vooral door de aanwezigheid van deze wederpartij. De wederpartij heeft op geen enkel feit gereageerd, nooit zijn aangifte e.v. toegelicht (dezelfde ook op eerste aanleg) ter waarheidsvinding. Er is sprake van emotiechantage. Ik beschrijf dit voor u nu als volgt: op zielsniveau en innerlijke beleving maak ik een gevoeligheid door net zoals een brandwondenpijn (bij aanraking verergerd) op de huid wordt ervaren. Daarbij komt ook nog erbij de fysieke pijn die ik feitelijk ervaar op de uiteinden van mijn vingers op momenten waarbij ik heftig en via evident zichtbare dubbelzinnige onwaarheden word aangetast of belasterd word. Dit veroorzaakt een heftige verdriet op innerlijk niveau als een rouwproces dat is. Het incident waarin wij slachtoffer zijn en geen daders heb ik nog niet kunnen verwerken. Al mijn kracht gaat hierheen om dit te kunnen incasseren. Dit wordt door mij als een marteling ervaren terwijl het OM geen objectiviteit en begrip toont ten aanzien van de waarheidsvinding.
Verder heb ik ervaren dat ik elke keer ik aan deze zaak dacht, op innerlijk niveau een soort heftige blokkade, een soort mentaal verbod ervaarde op het aankaarten van de nalatigheden van de wederpartij, daarbij chaos in mijn gedachtengang aantref in combinatie met ongeloof en onvrede, die ik beleef wanneer ik aan de aspecten uit het incident denk. Dit is gedurende de hele voorbereidingsfase van afgelopen jaren geweest. Ik heb daarom mijn gezondheid moeten bewaken doordat ik hierdoor burnout symptomen ervoer.
Ter zitting kan er ook niet van mij onder die omstandigheden worden verlangd in alle gemoedsrust een toestand staan te beschrijven tijdens de verdediging, waarbij ik moet aantonen dat ik gaande het incident de persoonlijke ad-hoc instructies van beveiligers met evident lage IQ moest zien te doorstaan, terwijl ik op de zitting werd uitgelachen door de verwurger en zijn metgezel. Hiermee vast is komen te staan dat zij mij voor een circusdier of clown beschouwen en op de zitting voor entertainment zijn komen verschijnen. Dit blokkeerde mijn vrijheid om op mijn gemak mijzelf te verdedigen. Mijn innerlijke wereld en het intelligentieniveau zijn bijzonder fijnmazig
Het incident heb ik niet verwerkt en dit belemmerde mijn verdediging. Deze gebreken kunnen bij het Hof aanleiding geven voor de conclusie alsof ik een bepaalde bespreking zou ontwijken. Ik moet vrij kunnen zijn om mijn gronden te bespreken, zonder dat de rechtspleging schade lijdt. Hoe de wederpartij zich heeft gepositioneerd, botsen mijn privacybelangen met de eisen van de valse aangever om louter als toehoorder ter zitting te mogen aanhoren wat mijn innerlijke processen tijdens het incident waren, aan te horen. Hier heb ik dus uitermate in beperkt, doordat ik zowel op eerste aanleg maar ook op zitting 7 december jl. door de wederpartij en zijn metgezellen werd uitgelacht terwijl ik in gesprek was met de voorzitter. Nu de wederpartij zich ten overstaan van uw Hof zich heeft laten kennen, wil ik alsnog de
gelegenheidkrijgen de aspecten van de zaak vrij te bespreken.
Dat het OM zonder het nauwkeurig te bewijzen, mij blijft psychologisch mishandelen via een uitermate vaag feitencomplex heeft bijgedragen aan dat gevoel van innerlijke rouwproces ter zitting. Voor een rechtsgeleerde zou het incident duidelijk moeten zijn. Ter zitting ervaarde ik ook dat er een zeer kwade en haatvolle energieveld richting mij werd gecommuniceerd(stille communicatie) vanuit de wederpartij. Dit verergerde mijn gemoedstoestand en innerlijke rust mateloos. De lage IQ van de wederpartij was ook op eerste aanleg zichtbaar terwijl hand boven hoofd kreeg aangeboden. Dit raakt de procesrealiteit rechtstreeks en benadeelt mijn rechtspositie. Ik wil niet aan de emotiechantage van derden ten ondergaan terwijl ik empathisch vermogen moet overhouden om een goede communicatie met de samenstelling te kunnen veiligstellen
. Ik zal daarom vandaag nog u een document toezenden, dat ik deels voornemens was aan de samenstelling ter zitting te overhandigen.Verder was ik door die omstandigheden de 80% van mijn cruciale, de verdenking betreffende pleitpunten (die ik op papier had uitgeschreven - en behalve nietighiedspunten van het vonnis - niet meer in staat was gestructureerd aan te voeren) naar voren te brengen, doordat mijn structuur uit de balans raakte en ik vergat in mijn verdediging dat alsnog aan te voeren vanwege de bovengenoemde omstandigheden. Ik had ook nog bijlagen bij mij ter zitting, die ben ik ook verhinderd te verstrekken.
Er komt mij een algehele vrijspraak toe, ik ben onschuldig en mij komt geen enkel schuld toe. Ik wil mijn leven weer oppaken met een zuivere gemoedstoestand en rechtspositie.”
5.4
De strafgriffie van het hof heeft op 18 december 2023, als mededeling van de voorzitter, als volgt op dit bericht gereageerd:
“Namens de voorzitter laat ik u weten dat op de zitting van 7 december jl. het onderzoek in uw strafzaak is gesloten en aan u mondeling is meegedeeld dat er op 21 december a.s. om 13:30 uur uitspraak in uw zaak zal worden gedaan. Tussentijds kan er op aanvullende standpunten en/of op ingediende geschriften rechtens geen acht meer worden geslagen.”
5.5
In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op art. 346 Sv Pro, welke bepaling de feitenrechter de mogelijkheid biedt om een gesloten onderzoek te heropenen. Het eerste lid van de bepaling – die ex art. 415 Sv Pro ook in hoger beroep van toepassing is – luidt:
“Ingeval onder de beraadslaging blijkt dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan de rechtbank op de terechtzitting bevelen dat op eene door haar te bepalen terechtzitting het onderzoek worde hervat.”
5.6
Art. 346 Sv Pro geeft de feitenrechter aldus de bevoegdheid om het onderzoek te hervatten indien dat niet volledig blijkt te zijn geweest. Het (impliciete) oordeel van de feitenrechter over de hervatting van het onderzoek, wordt door de Hoge Raad op zijn begrijpelijkheid getoetst. [43] Ter illustratie van deze toets kan een tweetal in 2001 en 2002 door de Hoge Raad gewezen arresten dienen. In het hoger beroep dat voorafging aan het arrest van de Hoge Raad van 16 april 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD9946), had het hof tussen de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en de uitspraak een fax van de raadsman ontvangen, inhoudende dat de verdachte niet op de terechtzitting was verschenen, omdat hij de dag ervoor was neergeschoten. Middels de fax werd alsnog om aanhouding van het onderzoek verzocht, omdat de verdachte graag persoonlijk zijn belangen wilde verdedigen. Het hof koos er in deze zaak voor om het onderzoek niet te heropenen, kennelijk – zo schrijft de Hoge Raad – omdat het belang dat gemoeid was met afdoening van de zaak binnen de redelijke termijn diende te prevaleren boven de wens van de verdachte om alsnog te verschijnen. Dat (impliciete) oordeel van het hof gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van de miskenning van enige rechtsregel, terwijl het evenmin onbegrijpelijk was. In dat oordeel betrok de Hoge Raad de ouderdom van de feiten, het procesverloop in hoger beroep en het feit dat uit het bericht van de raadsman niet opgemaakt kon worden binnen welke termijn de verdachte in staat zou zijn ter terechtzitting te verschijnen. [44]
5.7
Anders oordeelde de Hoge Raad in zijn arrest van 13 november 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB3326). In die zaak had het hof na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting eveneens een faxbericht van de verdediging ontvangen, inhoudende dat de verdachte aanwezig had willen zijn bij de behandeling ter terechtzitting, maar dat vanuit de penitentiaire inrichting waarin hij op dat moment verbleef geen vervoer was geregeld. In zijn
bij verstek gewezenarrest overwoog het hof in dit bericht geen aanleiding of noodzaak te zien om het onderzoek te heropenen. De Hoge Raad achtte het in deze uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn recht om in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te worden berecht zonder nadere motivering, die ontbrak, onbegrijpelijk, nu het faxbericht een aanwijzing vormde voor het tegendeel. [45]
5.8
In de onderhavige zaak was de verdachte
welaanwezig op de terechtzitting in hoger beroep, en heeft hij daar het woord ter verdediging gevoerd. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de verdachte via een e-mail aan het hof aangegeven nadere stukken te willen overleggen, omdat hij vanwege de aanwezigheid en de houding van de advocaat-generaal en de benadeelde partij ter terechtzitting niet optimaal in staat is geweest zijn verdediging te voeren. De verdachte had, zo schrijft hij, onder meer schulduitsluitings- en rechtvaardigingsgronden willen opvoeren. Het is overigens bij deze aankondiging gebleven; mij is niet gebleken dat de verdachte de stukken daadwerkelijk aan het hof heeft doen toekomen. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het bericht van de verdachte moet worden beschouwd als een verzoek tot heropening van het onderzoek in de zin van art. 346 Sv Pro.
5.9
Het hof heeft in reactie op dit verzoek aan de verdachte laten weten dat het na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting op aanvullende standpunten en/of op ingediende geschriften rechtens geen acht meer kan slaan. Het daarin besloten liggende oordeel van het hof dat het zich op basis van het onderzoek ter terechtzitting voldoende voorgelicht acht en in de e-mail van de verdachte geen aanleiding ziet om het onderzoek te hervatten, vind ik niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat in het geval van de verdachte – anders dan in de zaken die ik onder randnummers 5.6 en 5.7 besprak – het aanwezigheidsrecht niet in het geding is geweest, en de verdachte volgens de regelen der kunst de gelegenheid heeft gehad om zijn verdediging te voeren. [46] In het licht van de e-mail van de verdachte wijs ik er meer in het bijzonder op dat het hof in het door de verdachte gevoerde verweer en in zijn beantwoording van door de voorzitter gestelde vragen een beroep op een rechtvaardigingsgrond en een schulduitsluitingsgrond heeft gelezen, waarop het hof in zijn arrest gemotiveerd heeft gerespondeerd. Van een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro – waarop de steller van het middel zich beroept – is daarmee geen sprake.
5.1
Het vierde middel faalt.

6.Het derde middel

6.1
Het derde middel klaagt dat het hof het beroep op noodweer van de verdachte ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen, waardoor de bewezen verklaarde mishandeling onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
6.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij de beveiliger [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] tegen zijn knie te trappen. Op de terechtzitting van het hof van 7 december 2023 heeft de verdachte over dit incident onder meer het volgende verklaard:
“Voor we naar het tourniquet gingen, zag ik de benadeelde partij aan komen rennen richting de centrale hal. Ik zou geprobeerd hebben [betrokkene 9] een klap hebben gegeven. Dat kan niet. Het enige wat ik heb gedaan is zijn vaart naar mij toe minderen. Dat was in de centrale hal, voordat de benadeelde partij aan kwam lopen. Ik verkeerde in een noodweersituatie. Hij tastte mijn moeder aan.
Op het moment dat wij het tourniquet naderen is er een cruciale nuance. Deze man, de benadeelde partij, zat met zijn erogene zones tegen mijn lichaam aan. Hoe vervelend dat voor mij ook is, dat is een bijdrage aan het ontstaan van een nare situatie waarin ik bepaalde dingen moest doen en moest toezien hoe mijn mindervalide moeder werd geslagen. Ik werd tegengehouden zonder enige instructie van een beveiliger.
(…)
Ik begrijp van u dat uw vraag is wat bij het tourniquet is gebeurd. Dan had u het meteen daarover moeten hebben. Als we de beelden bekijken, zien we dat deze man mij in mijn rug in de draaideur duwt. In die heftige toestand. Ik was op dat moment aan praten met de donkere beveiliger. Mijn moeder is niet als eerste draaideur in gegaan. Mijn moeder ging naar binnen. Het was gewoon walgelijk hoe zij met hun erogene zones dicht bij me stonden. Als man kan ik dat niet hebben. De benadeelde partij stond op een andere plek, ver weg van mij, toen ik met de donkere beveiliger aan het praten was. Ik heb de sensor van het tourniquet geactiveerd omdat ik daar weg wilde. Waarom kwam die man bij mij?
Mijn hersenen onthouden dingen in heftige toestand. Ik verkeerde in een overmachtssituatie. Ik werd in de draaideur geduwd.
U houdt mij voor dat op de camerabeelden zichtbaar is dat ik een trappende beweging maak. Nee, er worden twee dingen door elkaar gehaald: het is of een schoppende beweging of een trappende beweging. Wat ik met mijn been deed? Ik ben niet onberekenbaar of onbetrouwbaar. Ik ben niet van die categorie. Ik ben niet gewelddadig.
Ik ontken dat ik de tenlastegelegde trapbeweging heb gemaakt. Ik heb het woord ‘trap’ ook niet gebruikt bij mijn verhoor. Ik heb een voetbeweging gemaakt. Die beweging is beschreven in de politieverhoren. Ik kan het niet voordoen. Het was geen trap of een schop.
Ik heb de bewegingen op de beelden niet herkend als een beweging. Ik maak de supermarktdeur ook op die manier open.
We moeten kijken in hoeverre ik aangetast ben. Er is geen sprake van een strafbaar feit. Dit is een uniek geval.”
6.3
Het hof heeft in de verklaring van de verdachte een beroep op noodweer gelezen, en dit beroep in zijn arrest van 21 december 2023 als volgt verworpen:
“Voorts is door verdachte aangevoerd dat hij heeft gehandeld uit noodweer. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zijn moeder mindervalide is en dat een van de beveiligers zijn moeder aanraakte. Het gedrag van de beveiliger zou hem in paniek hebben doen raken. Het hof begrijpt het verweer aldus dat verdachte zich genoodzaakt zag zijn moeder te verdedigen en dat hij daarom aangever heeft getrapt.
Vooropgesteld wordt dat van noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, sprake is als het begane feit is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.
Het hof stelt voorop dat verdachte wisselend heeft verklaard over de beweging die hij met zijn been maakte toen hij in de draaideur stond. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij niet heeft getrapt, maar dat hij de sensor van de draaideur wilde activeren en dat hij bij de politie pas hoorde dat hij iemand had geraakt. Bij de politierechter heeft verdachte eerst verklaard dat hij aangever niet heeft getrapt en vervolgens, nadat hij een trapbeweging op de beelden die werden getoond had gezien, dat hij een duw kreeg, dat hij ernstige rugproblemen heeft, dat de trap noodzakelijk was om daar weg te komen en dat hij de sensor van de draaideur wilde activeren. Die verklaringen stroken niet met de verklaring die verdachte ter zitting van het hof heeft afgelegd, inhoudende dat hij uit noodweer handelde omdat een beveiliger zijn moeder aanraakte. Het hof acht het gelet op deze wisselende verklaringen dan ook niet aannemelijk dat verdachte handelde ter noodzakelijke verdediging. Ook uit de filmbeelden blijkt niet van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van de beveiliger of beveiligers die een door de verdachte uitgedeelde trap gerechtvaardigd of verontschuldigbaar maakte. Het verweer wordt verworpen.”
6.4
Tegen de verwerping van het beroep op noodweer door het hof zijn in de toelichting op het middel verschillende klachten geformuleerd. De toelichting houdt allereerst als klacht in dat het hof niet heeft gerespondeerd op het noodweerverweer voor zover dat inhoudt dat de verdachte geduwd werd.
6.5
Dat de verdachte door een van de beveiligers is geduwd, ligt als vaststelling van het hof besloten in het eerste door het hof gebezigde bewijsmiddel. Dat bewijsmiddel (een proces-verbaal van bevindingen ten aanzien van de camerabeelden) houdt onder meer in: “Door de handbewegingen van de beveiligers lijkt het erop alsof ze meerdere keren vragen om het pand te verlaten. Na enkele keren wijzen naar de uitgang en dit te negeren krijgt de man een duw van een beveiliger in zijn rug zodat hij het pand zou gaan verlaten.”
6.6
Uit de verwerping van het beroep op noodweer (zie randnummer 6.3) volgt dat het hof op basis van de cameraeelden (die zijn beschreven in het eerste bewijsmiddel) geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding aan de zijde van de beveiliger(s) heeft ontwaard die de door de verdachte uitgedeelde trap gerechtvaardigd maakte. Uit de verwijzing naar de camerabeelden door het hof en het gebruik van het eerste bewijsmiddel maak ik op dat het hof in dat oordeel eveneens de duw door een van de beveiligers heeft betrokken. Dat uit bewijsmiddel 1 volgt dat sprake is geweest van een aanranding door een van de beveiligers is, anders dan door de steller van het middel wordt betoogd, bovendien niet onverenigbaar met het oordeel van het hof dat deze aanranding niet kwalificeert als een
ogenblikkelijke wederrechtelijkeaanranding. Daarbij merk ik op dat uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat de verdachte een duw in zijn rug kreeg van de beveiliger zodat hij het pand zou verlaten, nadat de verdachte (blijkens de gemaakte handgebaren) al meerdere keren was gevraagd om het pand te verlaten, maar aan die verzoeken geen gehoor had gegeven.
6.7
In de tweede plaats wordt geklaagd dat het hof in zijn motivering te weinig nauwkeurige feitelijke vaststellingen heeft gedaan, terwijl de bewijsmiddelen over de feitelijke situatie geen eenduidig beeld geven. In de toelichting van het middel wordt in dit kader opgemerkt dat uit de bewijsmiddelen 1 en 2 volgt dat de beveiliger de rug van de verdachte heeft aangeraakt (hem heeft geduwd), en uit bewijsmiddel 3 dat de verdachte is verzocht om het stadhuis te verlaten en dat de verdachte uit het niets een trap gaf tegen de beveiliger. Bewijsmiddel 3 zou zodoende in strijd zijn met de beide voornoemde bewijsmiddelen.
6.8
Ook deze klacht slaagt niet. Uit de verwerping van het beroep op noodweer door het hof, volgt dat het hof het gelet op de wisselende verklaringen van de verdachte niet aannemelijk acht dat de verdachte handelde (trapte) ter noodzakelijke verdediging. Met andere woorden: niet is komen vast te staan dat de door de verdachte uitgedeelde trap een (directe) reactie is geweest op een aanranding van zijn of zijn moeders lijf. [47] De bewijsmiddelen zijn, mede in het licht van de verwerping van het beroep op noodweer door het hof, niet onderling tegenstrijdig: immers kan de verdachte én zijn geduwd door de beveiliger(s), én een trapbeweging hebben gemaakt die vanuit het niets kwam (en dus geen directe reactie vormde op een aanranding).
6.9
Ter onderbouwing van het standpunt dat het hof onvoldoende feitelijke vaststellingen heeft gedaan over de toedracht van het incident, verwijst de steller van het middel voorts naar het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 20 mei 2021, waarin de eigen waarneming van de camerabeelden door de politierechter is beschreven. Voor zover de steller van het middel aan de omschrijving van de camerabeelden door de politierechter ontleent dat het hof heeft nagelaten voldoende feitelijke vaststellingen te doen, treft het geen doel. Het hof heeft tot een nadere beschrijving van en toelichting op de camerabeelden kennelijk geen aanleiding gezien. Dat betreft een vrije keuze van de rechter, die mede gelet op de inhoud van het in hoger beroep gevoerde verweer en gelet op de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk is.
6.1
Het derde middel faalt.

7.Slotsom

7.1
De middelen falen en kunnen met uitzondering van het tweede middel worden afgedaan met een aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
7.2
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in de cassatiefase, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro, op 29 december 2025 is overschreden. Nu de aan de verdachte opgelegde taakstraf een geheel voorwaardelijke straf betreft, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. [48] Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.VS: ik zal de middelen bespreken in de hier weergegeven volgorde.
2.Het hoger beroep is (via machtiging van een medewerker van de griffie) ingesteld door de raadsman van de verdachte. Ten tijde van de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep werd de verdachte niet (meer) bijgestaan door een raadsman.
3.In de akte van uitreiking is te lezen dat een
4.Zie ook A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers,
5.Vgl. ook HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5663, rov. 3.4.1. Zie ook G.J.M. Corstens,
6.HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1957,
7.HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934,
8.Vgl. art. 6 lid Pro 3, aanhef en onder c van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
9.Uit het dossier blijkt dat deze raadsman aan de verdachte ook consultatie- en verhoorbijstand heeft verleend ten tijde van zijn verhoor bij de politie d.d. 15 oktober 2020.
10.In het dossier bevindt zich een beslissing van de raadsheer-commissaris d.d. 3 februari 2022 met betrekking tot een aantal door de verdachte geformuleerde onderzoekswensen. Het slot van de beslissing houdt in dat een afschrift daarvan is verzonden naar de raadsman/vrouw van de verdachte voornoemd. Uit het dossier blijkt (verder)niet dat aan de verdachte ten tijde van deze beslissing rechtsbijstand werd verleend.
11.Uit het proces-verbaal blijkt dat de zaak gepland stond op 31 augustus 2022, maar toen niet is behandeld vanwege een door de verdachte ingediend wrakingsverzoek. Dat wrakingsverzoek is op 30 september 2022 afgewezen. Voorafgaand aan de zitting van 12 januari 2023 heeft de verdachte meerdere e-mails aan het hof gestuurd, waarvan één is aangemerkt als aanhoudingsverzoek (en dus is gehonoreerd). Op 11 januari 2023 heeft de verdachte wederom een wrakingsverzoek ingediend.
13.Implementatie van onder andere art. 3 lid 1 Richtlijn Pro.
14.Art. 3 lid 1 jo Pro. art. 2 lid 1 Richtlijn Pro. Art. 2 lid 1 houdt Pro in “Deze richtlijn is van toepassing op de verdachten of beklaagden in een strafprocedure, vanaf het ogenblik waarop zij er door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat door middel van een officiële kennisgeving of anderszins van in kennis worden gesteld dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, ongeacht of hen hun vrijheid is ontnomen. Zij is van toepassing totdat de procedure is beëindigd, dat wil zeggen totdat definitief is vastgesteld of de verdachte of beklaagde het strafbare feit al dan niet heeft begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure.”
15.Zie o.a. EHRM (GC) 27 november 2008, nr. 36391/02 (
16.Zie art. 6 lid 3 aanhef Pro en onder c EVRM. Het recht van de verdachte om zichzelf te verdedigen ligt bijvoorbeeld ten grondslag aan art. 279 lid 3 Sv Pro, welke bepaling inhoudt dat de rechter gehouden is te beslissen op een verzoek tot uitstel indien de verdachte heeft meegedeeld dat hij zijn verdediging in persoon wil voeren en hij om uitstel van de behandeling van zijn zaak heeft verzocht.
17.Zie art. 39, 40 en 41 Sv. Het betreffen respectievelijk de gevallen waarin de verdachte in verzekering is gesteld (en waarin de inverzekeringstelling wordt verlengd), de bewaring of gevangenneming is bevolen/gevorderd, hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis waarin de voorlopige hechtenis is bevolen. Daarnaast is er nog de vangnetbepaling van art. 41 lid 2 Sv Pro (in het belang van de verdediging aanwijzen van een raadsman buiten inverzekeringstelling).
18.Art. 489 lid 1 Sv Pro schrijft voor dat ten behoeve van een aangehouden minderjarige verdachte een raadsman wordt aangewezen.
19.Vgl. art. 491 Sv Pro.
20.Vgl. HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315,
21.Zie de Wet van 17 november 2016 houdende implementatie van richtlijn nr. 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU L294) (
22.Vgl. HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315,
23.De Hoge Raad verwijst hier naar de bijzondere gevallen die ik besprak in randnummer 4.6.
24.HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315,
25.Vgl. de conclusie van A-G Van Wees, ECLI:NL:PHR:2023:1124, rov. 4.46, met in de voetnoot een verwijzing naar
26.Voluit: Wet van 17 november 2016 houdende implementatie van richtlijn nr. 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU L294) (
27.Ik merk op dat in het Informatieblad “U wordt verdachte van een strafbaar feit” uitgebreid staat vermeld dat een verdachte voorafgaand aan en tijdens het verhoor bij de politie recht heeft op bijstand door een advocaat en wat de advocaat voor, tijdens en na het verhoor voor de verdachte kan betekenen. In het Informatieblad staat ook vermeld dat een verdachte die eerst heeft aangegeven geen bijstand van een advocaat te willen, daar later altijd op terug kan komen. Dit informatieblad wordt uitgereikt aan verdachten en is bovendien te raadplegen via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2017/03/01/u-wordt-verdacht-van-een-strafbaar-feit (versie 2025).
28.Zie ook voetnoot 24.
29.Vgl. art. 9 lid 1 Richtlijn Pro, waarin wordt gesproken over “duidelijke en toereikende informatie in eenvoudige en begrijpelijke bewoordingen”.
30.HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:288, rov. 2.4.2.
31.HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, rov. 2.4.2.
32.O.a. HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079.
33.HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:368.
34.Zie uitgebreider de conclusie van A-G Van Wees, ECLI:NL:PHR:2023:1124, rov. 4.49-4.57.
35.Vgl. ook HR 19 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:412, rov. 2.4.
36.Indien het verzuim is begaan door de rechter in eerste aanleg zal de rechter in hoger beroep in de regel het vonnis kunnen vernietigen en kunnen doen wat de rechtbank had behoren te doen, vgl. art. 423 lid 1 Sv Pro.
37.Zie randnummer 4.6.
38.Zie randnummer 4.7.
39.De steller van het middel lijkt hieruit af te leiden dat de verdachte geen raadsman kon vinden die deze stukken voor hem kon aanleveren/indienen. Ik lees hierin dat de verdachte niemand kon vinden die de medische stukken kon opmaken, dus geen medisch geschoold persoon.
40.Subsidiair wordt aangevoerd dat het verzuim aanleiding geeft tot bewijsuitsluiting. Dit punt bespreek ik onder randnummer 4.28.
41.Gelet op de datum van het verhoor ga ik ervan uit dat de verdachte de versie uit 2017 heeft gekregen. Deze is terug te vinden via https://rijksoverheid.sitearchief.nl/#archive. Hierin staat (nog) niet vermeld dat een verdachte kan terugkomen op zijn beslissing om afstand van rechtsbijstand te doen.
42.Ik verwijs naar de in randnummer 2.2 weergegeven beschrijving van de camerabeelden, de aangifte en de verklaring van een getuige.
43.Vgl. de conclusie van A-G Machielse voorafgaand aan HR 15 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5257, randnr. 12.
44.HR 16 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9946,
45.HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3326, rov. 3.2 en 3.3.
46.Zie ook Reijntjes in zijn noot onder HR 16 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9946,
47.De verdachte suggereert in hoger beroep zelf ook dat de voetbeweging geen reactie is geweest op een aanranding van zijn of zijn moeders lijf door een van de beveiligers. Zo stelt hij dat hij ‘de sensor van het tourniquet activeerde’ en ‘ook op die manier de supermarktdeur openmaakt’.
48.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.1.3 en HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,